Inhoudsopgave Amos Volgende 5 hoofdstukken

Amos > Hoofdstuk 1 - 5

Amos 1

Omer Gielliet - Amos
Nicolaes Maes - Slapende oude vrouw
Omer Gielliet - Amos

1Hier volgen de woorden en visioenen van Amos, een schapenfokker uit Tekoa. Hij profeteerde over Israël toen Uzzia in Juda regeerde en Jerobeam, de zoon van Joas, koning was in Israël, twee jaar voor de aardbeving.AmosOmer Gielliet - AmosNicolaes Maes - Slapende oude vrouwOmer Gielliet - Amos 2Dit is wat hij zei.


De HEER brult vanaf de Sion, hij gromt vanuit Jeruzalem,
de weiden van de herders verdrogen, de top van de Karmel verdort.

Het vonnis van de HEER

3Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Damascus begaan: ze hebben een spoor van verwoesting getrokken door Gilead. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen.Luiheid als ondeugd 4Ik zal het paleis van Hazaël in vlammen doen opgaan; vuur zal de burchten van Benhadad verteren. 5Ik zal de poorten van Damascus openbeuken, de koning van Bikat-Awen zal ik ombrengen, en ook de heerser van Bet-Eden breng ik om. Het volk van Aram gaat in ballingschap naar Kir – zegt de HEER.

6Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Gaza begaan: ze hebben een heel volk in ballingschap gedreven en uitgeleverd aan Edom. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 7Ik zal de muren van Gaza in vlammen doen opgaan; vuur zal zijn burchten verteren. 8De koning van Asdod zal ik ombrengen, en ook de heerser van Askelon breng ik om. Ik zal mij tegen Ekron keren, tot de laatste man zullen de Filistijnen te gronde gaan – zegt God, de HEER.

9Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Tyrus begaan: ze hebben een heel volk als ballingen uitgeleverd aan Edom en zich niet gehouden aan het verdrag met hun broeders. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 10Ik zal de muren van Tyrus in vlammen doen opgaan; vuur zal zijn burchten verteren.

11Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Edom begaan: ze hebben hun broeders met het zwaard achtervolgd, zonder enig medelijden. Hun woede was onverzadigbaar, ontembaar hun razernij. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 12Ik zal Teman in vlammen doen opgaan; vuur zal de burchten van Bosra verteren.

13Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Ammon begaan: ze hebben, toen ze hun gebied wilden vergroten, de zwangere vrouwen van Gilead de buik opengereten. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 14Ik zal de muren van Rabba in vlammen doen opgaan; vuur zal zijn burchten verteren. Op die dag van strijd klinkt er krijgsgeschreeuw en zal het stormen als in een orkaan. 15Hun koning gaat in ballingschap, en de leiders van zijn rijk met hem – zegt de HEER.

Amos 2

1Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Moab begaan: ze hebben de beenderen van de koning van Edom verbrand om er kalk van te maken. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 2Ik zal Moab in vlammen doen opgaan; vuur zal de burchten van Keriot verteren. Moab zal sterven onder oorlogsgeraas en krijgsgeschreeuw en onder de dreigende klanken van de ramshoorn. 3Hun vorst breng ik om, en met hem zal ik alle andere leiders van dat rijk doden – zegt de HEER.

4Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Juda begaan: ze hebben de wetten van de HEER verworpen en zich niet gehouden aan zijn geboden; de valse goden waar hun voorouders al achteraan liepen, hebben ook hen doen dwalen. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 5Ik zal Juda in vlammen doen opgaan; vuur zal de burchten van Jeruzalem verteren.

6Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Israël begaan – daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen! Ze verkopen de rechtvaardigen voor zilver en de armen voor een paar sandalen. 7Ze zijn eropuit de zwakken in het stof te laten kruipen, en de machtelozen dringen ze opzij. Een zoon en zijn vader komen bij hetzelfde meisje en maken zo mijn heilige naam te schande. 8Ze strekken zich naast de altaren uit op kleren die ze in onderpand hebben, en in het huis van hun God drinken ze wijn die als boete was ontvangen.

9En toch heb ik ter wille van jullie de Amorieten uitgeroeid, die zo groot waren als ceders en zo sterk als eiken: met wortel en tak roeide ik ze uit. 10Ik heb jullie uit Egypte weggeleid, ik heb jullie veertig jaar lang door de woestijn gevoerd, opdat jullie het land van de Amorieten in bezit konden nemen. 11Sommigen van jullie maakte ik profeet, anderen nazireeër – zo is het toch, Israëlieten? – spreekt de HEER.Nazireeërs 12Maar jullie gaven de nazireeërs wijn te drinken, en tegen de profeten hebben jullie gezegd: ‘Jullie mogen niet profeteren.’


13Daarom zal ik de grond onder jullie voeten doen kraken,
zoals een kar vol schoven kraakt in zijn voegen.
14De snelste man vlucht dan tevergeefs,
de sterke heeft niets aan zijn kracht,
de krijgsheld redt zijn leven niet,
15geen boogschutter houdt stand,
geen hardloper ontkomt,
geen ruiter brengt het er levend af,
16zelfs de dapperste held zal naakt moeten vluchten die dag
– spreekt de HEER.

Amos 3

Anoniem - Twee Sjofars

1Luister naar de woorden die de HEER tot jullie spreekt, Israëlieten, tot heel het volk dat hij weggeleid heeft uit Egypte: 2Uit alle volken op aarde heb ik alleen jullie uitgekozen, en daarom zal ik jullie voor al je wandaden straffen.

4Brult ooit een leeuw in het struikgewas als hij geen prooi heeft?
Gromt ooit een leeuw in zijn hol zonder iets te hebben gevangen?
5Duikt ooit een vogel in een klapnet neer als het aas ontbreekt?
Slaat ooit een klapnet dicht zonder dat er iets te vangen is?
6Klinkt ooit in een stad de ramshoorn zonder dat haar inwoners bang worden?
En geschiedt er ooit onheil in een stad zonder toedoen van de HEER?Anoniem - Twee Sjofars
7Zo doet God, de HEER, niets zonder dat hij zijn plan heeft onthuld aan zijn dienaren, de profeten.
8Een leeuw heeft gebruld – wie zou er niet vrezen?
God, de HEER, heeft gesproken – wie zou er niet profeteren?1. Het brullen van de leeuw

9Dit moeten jullie bekendmaken in de burchten van Asdod en in de burchten van Egypte: ‘Kom naar de bergen rond Samaria om te zien hoe groot de verwarring in die stad is, hoe hevig de onderdrukking! 10Tot rechtvaardigheid zijn ze daar niet in staat – spreekt de HEER –, zij die hun burchten vullen met onderdrukking en geweld.’ 11Daarom, Samaria, zal je land door de vijand worden omsingeld, zullen je vestingwerken worden neergehaald en je burchten worden geplunderd – zegt God, de HEER.

12Dit zegt de HEER: Zoals een herder uit de muil van een leeuw niet meer dan een paar botten weet te redden of een stukje oor, zo zal er ook niemand worden gered van de Israëlieten, die in Samaria maar op hun bedden hangen en achterover leunen op hun divans.

13Luister naar deze woorden en waarschuw de nakomelingen van Jakob – spreekt God, de HEER, de God van de hemelse machten:HEERE der heirscharen 14De dag komt dat ik Israël voor zijn misdaden zal straffen. Mijn straf zal dan de altaren van Betel treffen, de horens van de altaren zullen afgehakt worden en op de grond vallen. 15Dan zal ik de winterverblijven en de zomerverblijven verwoesten, de ivoren paleizen zullen verloren gaan, en vele huizen zullen worden vernietigd – spreekt de HEER.

Amos 4

De Kunstfabriek - Koe
Hendrik van Wieringen - De schepper van de wind en bergen
Hendrik van Wieringen - De Schepper van den wind en bergen; zijn gedagten

1Vrouwen, luister naar deze woorden! Jullie zijn als vette koeien die de berg van Samaria kaalgrazen: jullie onderdrukken de zwakken, mishandelen de armen en zeggen tegen je man: ‘Breng ons iets te drinken!’De koeDe Kunstfabriek - Koe 2God, de HEER, zweert bij zijn heiligheid: Weet dat de dagen niet ver zijn dat jullie als vissen met hengels worden opgehaald, en wie er dan nog overblijven met haken. 3Eén voor één worden jullie door de bressen in de stadsmuur naar buiten gedreven en naar Harmon weggeslingerd – spreekt de HEER.


4Kom naar Betel en zondig er maar, kom naar Gilgal en zondig daar nog meer. Breng er ’s ochtends je offerdieren, de volgende dag je tienden. 5Breng er een dankoffer met gedesemd brood, en beroem je op je vrijwillige gaven – want zo willen jullie het toch, Israëlieten? – spreekt God, de HEER. 6Ik was het die jullie in elke stad honger liet lijden en maakte dat er in geen enkel dorp brood was: maar jullie zijn niet naar mij teruggekeerd – spreekt de HEER. 7Ik was het die jullie de regens onthield, drie maanden voor de oogst. Op de ene stad liet ik het regenen, op de andere liet ik het niet regenen; op het ene veld regende het, en het veld waarop het niet regende verdorde. 8Twee, drie steden wankelden naar een andere stad om water te drinken, en hun dorst werd niet gelest: maar jullie zijn niet naar mij teruggekeerd – spreekt de HEER. 9Ik trof jullie met korenbrand en meeldauw; sprinkhanen vraten je tuinen en wijngaarden kaal, en alle vijgen en olijven: maar jullie zijn niet naar mij teruggekeerd – spreekt de HEER. 10Ik stuurde de pest op jullie af, zoals ik die ooit op Egypte afstuurde; ik doodde je soldaten en je buitgemaakte paarden, zodat jullie de stank van je eigen legerkamp roken: maar jullie zijn niet naar mij teruggekeerd – spreekt de HEER. 11Ik vernietigde jullie, zoals ik Sodom en Gomorra vernietigd heb; jullie werden als een stuk zwartgeblakerd hout dat uit de vlammen is weggerukt: maar jullie zijn niet naar mij teruggekeerd – spreekt de HEER. 12Daarom zal ik tegen je optreden, Israël. Maak je gereed voor de komst van je God, Israël, want ik ben het die tegen je zal optreden.


13De schepper van de bergen en de wind,
hij die de mens zijn plan onthult,
hij die de dageraad verduistert,
hij die over de bergtoppen schrijdt –
zijn naam is HEER, God van de hemelse machten.De bijbel in rebusvormHendrik van Wieringen - De schepper van de wind en bergenHendrik van Wieringen - De Schepper van den wind en bergen; zijn gedagten

Amos 5

Joseph Witte - Jezus valt voor de derde maal onder het kruis
Claes Jansz. Visscher - Azië
Omer Gielliet - Amos
Omer Gielliet - Amos

1Luister naar mijn woorden, Israël, luister naar mijn klaaglied over jullie:

2Ze is gevallen, vrouwe Israël, ze zal niet meer opstaan,
verlaten ligt ze op haar land, en er is niemand die haar opricht.Joseph Witte - Jezus valt voor de derde maal onder het kruis

3Dit zegt God, de HEER, over Israël: De stad die met duizend man ten strijde trekt houdt er maar honderd over; de stad die met honderd man ten strijde trekt maar tien. 4Dit zegt de HEER tegen Israël: Zoek mij en leef! 5Ga niet naar Betel, kom niet in Gilgal, trek niet naar Berseba; Gilgal gaat in ballingschap en Betel wordt een plaats van onheil.Claes Jansz. Visscher - Azië 6Zoek de HEER en leef. Anders zal hij als een vuur woeden in het land van Jozef, de vlammen zullen Betel verteren, en er zal niemand zijn om te blussen. 7Want jullie veranderen het recht in alsem en vertrappen de gerechtigheid.


8De maker van de Plejaden en van Orion,
hij die de diepe duisternis in morgenlicht verandert en de dag tot nacht verduistert,
hij die het water van de zee bijeenroept en het uitstort over de aarde –
zijn naam is HEER.
9Met zijn verwoestende bliksem treft hij de sterken, hun vestingen worden vernietigd.

10Jullie verachten hen die in de poort het recht verdedigen, jullie verafschuwen hen die de waarheid spreken. 11Jullie vertrappen de zwakken en eisen een deel van hun graan op. Daarom: huizen van steen hebben jullie gebouwd, maar je zult er niet in wonen; prachtige wijngaarden hebben jullie geplant, maar je zult er geen wijn van drinken. 12Want ik weet hoe talrijk jullie misdaden zijn, hoe groot jullie zonden: jullie keren je tegen de onschuldigen, jullie ontvangen steekpenningen, jullie ontnemen de armen in de poort hun recht. 13Wie verstandig is zwijgt in deze tijd, want het is een kwade tijd.

14Zoek het goede, niet het kwade. Dan zullen jullie leven, en dan zal de HEER, de God van de hemelse machten, met jullie zijn, zoals jullie altijd zeggen.Amos in KruiningenOmer Gielliet - AmosOmer Gielliet - Amos 15Haat het kwade, heb het goede lief en zorg dat er recht gedaan wordt in de poort. Misschien zal dan de HEER, de God van de hemelse machten, genade schenken aan wie er overgebleven zijn van Jozefs volk. 16Daarom – zegt de HEER, de God van de hemelse machten, de Heer – zal er op alle pleinen worden gerouwd, in alle straten gejammerd; boeren worden opgeroepen om te weeklagen, klaagzangers om te rouwen, 17en ook in alle wijngaarden zal er worden gerouwd wanneer ik zelf in jullie midden rondga – zegt de HEER.

18Wee degenen die verlangen naar de dag van de HEER! Wat zal hij jullie brengen, de dag van de HEER? Duisternis, geen licht. 19Zoals wanneer iemand die vlucht voor een leeuw, aangevallen wordt door een beer, en dan, als hij een huis binnenvlucht en met zijn hand tegen de muur leunt, gebeten wordt door een slang. 20De dag van de HEER zal duisternis zijn, en geen licht; aardedonker, zonder glans.De dag van de Heer

21Ik heb een afkeer van jullie feesten, ik wijs ze af, jullie samenkomsten verdraag ik niet. 22Ik schep geen behagen in de brand- en graanoffers die jullie mij brengen; de vetgemeste beesten van jullie vredeoffers keur ik geen blik waardig. 23Bespaar mij het geluid van jullie liederen; de klank van jullie harpen wil ik niet horen. 24Laat liever het recht stromen als water, en de gerechtigheid als een altijd voortvloeiende beek.

25Israëlieten, hebben jullie mij die veertig jaar in de woestijn ooit zulke offers en gaven gebracht? 26Nu zullen jullie de beelden die jullie zelf gemaakt hebben – je koning Sakkut en je sterrengod Kewan – met je mee moeten dragen, 27want ik zal jullie in ballingschap voeren, tot voorbij Damascus. Dit zegt de HEER, wiens naam is: God van de hemelse machten.