Inhoudsopgave Baruch

Baruch > Hoofdstuk 1 - 5

Baruch 1

Schuld en boete

Pierre Joseph Hubert Cuypers - Baruch
Aad de Haas - Aan de stromen van Babylon
J.M. Nell - Hogepriester
Onbekend - Waterwagens
Meesters van Otto van Moerdrecht - Nebukadnessar rooft de schatten uit de tempel van Jeruzalem en Oordeel van Ezechiël over Jeruzalem
Anoniem, Zuid Nederlands, Brussel - Zittende profeet met boekrol

1Dit is het boek van Baruch, de zoon van Neria, die de zoon was van Machseja, de zoon van Sidkia, de zoon van Chasadja, de zoon van Chilkia. Hij schreef het in Babylonië,Baruch 2in het vijfde jaar, op de zevende van de maand; dat was in de tijd dat de Chaldeeën Jeruzalem veroverden en in brand staken.Joden in ballingschap

3Baruch las dit boek voor aan koning Jechonja van Juda, de zoon van Jojakim, en aan iedereen die ernaar kwam luisteren:Pierre Joseph Hubert Cuypers - Baruch 4de edelen, de prinsen, de oudsten en alle anderen, van jong tot oud – aan iedereen die als balling leefde in Babylonië aan de rivier de Sud.Aad de Haas - Aan de stromen van Babylon 5Ze lieten een rouwklacht horen en begonnen te vasten en tot de Heer te bidden.Rouwen 6Verder brachten ze geld bijeen, ieder naar vermogen, 7en stuurden het naar Jeruzalem, naar de hogepriester Jojakim, de zoon van Chilkia, de zoon van Sallum, en naar de priesters en alle anderen die daar bij hem waren.J.M. Nell - Hogepriester 8Inmiddels had Baruch de voorwerpen ontvangen die uit de tempel van de Heer waren geroofd; op 10 siwan zouden ze naar Juda worden teruggebracht. Het ging om het zilveren tempelgerei dat koning Sedekia van Juda, de zoon van Josia, had laten maken,Onbekend - Waterwagens 9nadat Nebukadnessar, de koning van Babylonië, Jechonja uit Jeruzalem had weggevoerd naar Babylonië, samen met de leiders, de krijgsgevangenen, de edelen en het gewone volk.Meesters van Otto van Moerdrecht - Nebukadnessar rooft de schatten uit de tempel van Jeruzalem en Oordeel van Ezechiël over Jeruzalem

10De ballingen schreven:

‘Hierbij sturen wij u geld. Gebruik dit om op het altaar van de Heer, onze God, brandoffers, reinigingsoffers en reukoffers te brengen, en ook graanoffers.Offers 11Bid voor koning Nebukadnessar van Babylonië en voor zijn zoon Belsassar, opdat ze mogen leven zolang de hemel boven de aarde staat. 12Moge de Heer ons kracht geven en onze ogen doen oplichten; dan zullen wij onder de hoede van koning Nebukadnessar van Babylonië en zijn zoon Belsassar leven, hen lange tijd dienen en bij hen in de gunst staan. 13Bid ook voor ons tot de Heer, onze God, want wij hebben tegen hem gezondigd en tot op de dag van vandaag laat hij ons zijn hevige toorn voelen. 14Lees het boek dat we u sturen in de tempel voor, als schuldbelijdenis, op de komende feestdag en op hoogtijdagen, 15en spreek dan als volgt:

“De Heer, onze God, staat in zijn recht – ons staat deze dag de schaamte op het gezicht, ons, de Judeeërs, de inwoners van Jeruzalem, 16onze koningen en leiders, onze priesters, profeten en voorouders. 17Want wij hebben gezondigd tegen de Heer: 18we zijn hem ongehoorzaam geweest en hebben niet geluisterd naar de opdracht van de Heer, onze God, om te leven naar de geboden die hij ons voorhield. 19Vanaf de dag waarop de Heer onze voorouders uit Egypte wegleidde tot op de dag van vandaag zijn we de Heer, onze God, ongehoorzaam geweest. Al die tijd hebben we lichtzinnig geleefd, omdat we niet naar hem luisterden.Het exodusmotief in het Oude Testament 20Daarom gaan we tot op heden gebukt onder tegenspoed, beladen met de vloek die de Heer zijn dienaar Mozes liet uitspreken toen hij onze voorouders uit Egypte wegleidde om ons een land te geven dat overvloeide van melk en honing. 21Evenmin hebben we naar de Heer, onze God, geluisterd toen hij sprak bij monde van de profeten die hij naar ons stuurde.Anoniem, Zuid Nederlands, Brussel - Zittende profeet met boekrol 22Ieder van ons deed maar wat zijn hart hem ingaf: we vereerden andere goden en deden wat slecht is in de ogen van de Heer, onze God.

Baruch 2

1Daarom heeft de Heer gedaan wat hij ons – de rechters die Israël geleid hebben, onze koningen, onze leiders en heel de bevolking van Israël en Juda – had aangekondigd. 2Op de hele wereld was nog nooit voorgekomen wat hij, zoals in de wet van Mozes staat, nu in Jeruzalem liet gebeuren:Onbekend - Mozes met de decaloogJohannes Gijsbert Roelofse - Zilverwerk met Mozes en David 3dat ieder van ons zijn eigen zonen en dochters opat. 4De Heer leverde hen uit aan alle koninkrijken om ons heen, hij maakte hen te schande, zij werden een schrikbeeld voor alle naburige volken waaronder hij hen had verstrooid; 5ze waren niet langer in tel, integendeel. Want wij hebben gezondigd tegen de Heer, onze God, we hebben niet naar hem geluisterd.

6De Heer, onze God, staat in zijn recht – ons en onze voorouders staat deze dag de schaamte op het gezicht. 7Al het onheil dat de Heer ons had aangezegd, is over ons gekomen, 8maar wij deden niets om hem gunstig te stemmen: we toonden geen enkel berouw over wat ons hart ons ingaf. 9De Heer stond klaar om ons met onheil te treffen, en hij liet het over ons komen. Immers, ook in alles wat de Heer tégen ons onderneemt is hij rechtvaardig. 10Maar wij hebben niet geluisterd naar de opdracht van de Heer om te leven naar de geboden die hij ons voorhield.

11Nu dan, Heer, God van Israël, u die uw volk met uw grote macht uit Egypte hebt weggeleid, met sterke hand en opgeheven arm en met tekenen en wonderen, waarmee u zich roem hebt verworven tot op de dag van vandaag –Het exodusmotief in het Oude Testament 12ach Heer, onze God, wij hebben onrecht bedreven, wij hebben goddeloos gehandeld, wij hebben al uw voorschriften overtreden. 13Maar laat ons toch niet langer zuchten onder uw woede, want we zijn nog maar met een handvol mensen over te midden van de volken waarover u ons hebt verspreid.De diaspora in Assyrië, Babylonië en Egypte 14Heer, hoor ons smeekgebed, red ons omwille van uzelf; laat aan hen die ons in ballingschap hebben gevoerd zien dat u ons gunstig gezind bent.Joseph Witte - Jezus ontmoet zijn bedroefde moeder 15Dan zal heel de wereld weten dat u de Heer bent, onze God: uw naam is verbonden met Israël en zijn nageslacht. 16Heer, zie vanuit uw heilige woning neer en merk ons op. Bied ons een luisterend oor, Heer, en hoor ons, 17open uw ogen en zie: het zijn niet de doden in het dodenrijk die u eer brengen en van uw rechtvaardigheid getuigen; hun geest is immers uit hun binnenste weggenomen. 18Nee, zwakke en diepbedroefde mensen, kwijnend en met een doffe blik, die onder het leven gebukt gaan, die zullen u eren, Heer, en uw rechtvaardigheid bezingen.

19Nu wij ons in gebed voor u neerbuigen, Heer, onze God, kunnen wij ons niet beroemen op de verdiensten van ons voorgeslacht en onze koningen. 20Want u hebt u in hevige toorn tegen ons gekeerd, zoals u door uw dienaren, de profeten, had aangekondigd met de volgende woorden:Anoniem, Zuid Nederlands, Brussel - Zittende profeet met schriftrol 21‘Dit zegt de Heer: Onderwerp je aan de koning van Babylonië en dien hem; dan blijven jullie wonen in het land dat ik aan jullie voorouders gegeven heb. 22Maar als jullie niet luisteren naar het bevel van de Heer om de koning van Babylonië te dienen, 23dan zal ik in de steden van Juda en in Jeruzalem de vreugdezangen laten verstommen en het feestgedruis rond bruid en bruidegom beëindigen; het hele land zal een woestenij worden, waar niemand meer zal wonen.’Jozef Israëls - Joodse bruiloft 24Heer, wij hebben niet geluisterd naar uw bevel om de koning van Babylonië te dienen. Daarom hebt u laten gebeuren wat u uw dienaren, de profeten, al had laten aankondigen: de beenderen van onze koningen en van onze voorouders werden uit hun graf gehaald. 25En zo lag daar dat gebeente, blootgesteld aan de hitte van de dag en de kou van de nacht. Bitter was het einde van velen: ze kwamen om door honger, door het zwaard of in ballingschap. 26En de tempel, waaraan uw naam verbonden is, hebt u gemaakt tot wat hij nu is, vanwege het slechte gedrag van Israël en Juda.Leendert Schouten - Tempel van Herodes

27Ook tegenover ons hebt u zich een rechtvaardige en genadige God betoond, Heer. 28Want zo had u dat al bij monde van uw dienaar Mozes aangekondigd toen u hem opdroeg uw wet op te schrijven in aanwezigheid van de Israëlieten. U sprak: 29‘Als jullie niet naar mij luisteren, dan zal – wees daar maar zeker van – heel deze bruisende menigte worden teruggebracht tot een handvol mensen te midden van de volken waaronder ik ze zal verstrooien. 30Ik weet nu al dat ze zeker niet naar mij zullen luisteren, omdat het een onhandelbaar volk is. Maar in hun ballingsoord zullen ze berouw krijgen 31en inzien dat ik, de Heer, hun God ben. Ik zal ze verstand geven en oren die goed kunnen horen. 32Dan zullen ze mij daar in hun ballingsoord gaan vereren en mijn naam eerbiedigen. 33Ze zullen niet langer koppig volharden in hun slechte gedrag, want het lot van hun voorouders, die tegen de Heer zondigden, zal hun voor de geest staan. 34Dan zal ik hen terugbrengen naar het land dat ik hun voorouders Abraham, Isaak en Jakob onder ede heb beloofd, en zij zullen het weer in bezit nemen. Ik zal hen talrijk maken; hun aantal zal in geen geval afnemen.Abraham Ortelius - Palestina 35Ik zal een verbond met hen sluiten dat voor altijd zal gelden: ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. En ik zal Israël, mijn volk, nooit meer verdrijven uit het land dat ik hun gegeven heb.’

Baruch 3

Hendrik van Wieringen - Ô Israël! wilt dog u eenig Heer beminnen

1Almachtige Heer, God van Israël, in onze nood roepen wij u ten einde raad aan. 2Luister naar ons, Heer, heb medelijden, want wij hebben tegen u gezondigd. 3Immers, u bent rechter voor eeuwig – wij gaan voor eeuwig ten onder. 4Almachtige Heer, God van Israël, luister naar het gebed van Israël dat meer dood dan levend is, luister naar de nakomelingen van hen die tegen u gezondigd hebben en die niet naar de Heer, hun God, hebben geluisterd, waardoor wij nu gebukt gaan onder tegenspoed. 5Vergeet toch het wangedrag van ons voorgeslacht, houd nu uw eigen macht en goede naam voor ogen; 6want u bent onze God, Heer, u zullen wij vereren.Hendrik van Wieringen - Ô Israël! wilt dog u eenig Heer beminnen 7U hebt ons immers ontzag ingeboezemd opdat we uw naam zouden aanroepen. Wij zullen u in ons ballingsoord vereren, want we betreuren het wangedrag van onze voorouders, die tegen u gezondigd hebben.

8Zie toch hoe wij nu lijden in het ballingsoord waarheen u ons verdreven hebt; we worden bespot en vervloekt en moeten boeten wegens het wangedrag van onze voorouders, die de Heer, onze God, hebben verlaten.”’1. Schuld en boete

De weg naar de wijsheid

Gillis Mostaert (omgeving van) - Brede en smalle weg met Christus tijdens de bergrede
Jheronimus Bosch - Dood van een vrek
Max van Dam - Hagar
Maerten de Vos - En God zag dat het goed was.
9Luister, Israël, naar de geboden die leven beloven,
hoor aandachtig en ontdek wat inzicht is.
10Wat is er gebeurd, Israël,
dat je nu in het land van je vijanden leeft,
je oude dag op vreemde bodem slijt
11en onrein bent geworden als een dode,
alsof ook jij in het dodenrijk woont?Rein en onrein
12Je hebt de bron van de wijsheid verlaten.
13Als je was gebleven op de weg die God je wees
had je voor altijd in vrede geleefd.Gillis Mostaert (omgeving van) - Brede en smalle weg met Christus tijdens de bergrede
14Leer waar inzicht is, waar kracht,
waar begrip is, dat kennis verschaft,
waar leven is, een lang leven,
waar licht is voor de ogen, en vrede.

15Wie kan de woonplaats van de wijsheid vinden?
Wie is in haar schatkamers doorgedrongen?
16Waar zijn de leiders van de volken,
zij die macht hebben over de dieren,
17zich vermaken met de vogels,
en zilver en goud vergaren,
schatten waarop mensen bouwen
– aan al dat vergaren komt nooit een eind –,
18waar zijn zij die belust zijn op geld, hun grootste zorg
– van al hun moeite blijft niets over.Dood van een vrekJheronimus Bosch - Dood van een vrek
19Verdwenen zijn ze, afgedaald in het dodenrijk;
anderen namen hun plaatsen in.Dodenrijk
20Een nieuw geslacht kwam de aarde bevolken,
maar de weg naar de kennis vonden ze niet,
21haar paden bleven voor hen verborgen;
ze taalden niet naar wijsheid.
En hun nageslacht is nog verder afgedwaald.
22Ook in Kanaän werd niets van de wijsheid vernomen,
in Teman was ze evenmin bekend.
23Zelfs Hagars kinderen, overal op zoek naar kennis,
en de wereldwijze kooplieden van Merran en van Teman
en de dichters en anderen die inzicht zoeken,
zij vonden de weg naar de wijsheid niet,
ze hadden geen oog voor haar paden.Max van Dam - Hagar

24Israël, hoe groot is Gods woning,
hoe uitgestrekt het gebied waarover God heerst:
25groot en oneindig, groots en onmeetbaar!
26Daar zijn ooit de giganten geboren,
de befaamde helden uit het verre verleden,
groot van gestalte, bedreven in de strijd.
27Maar hen heeft God niet uitgekozen,
aan hen heeft hij de weg naar de kennis niet onthuld.
28Door gebrek aan inzicht gingen zij ten onder,
hun dwaze gedrag bracht hen ten val.

29Wie is naar de hemel opgestegen,
wie heeft de wijsheid van daar gehaald
en haar uit de wolken naar de aarde gebracht?
30Wie is de zee overgestoken
en heeft haar aan de overkant gevonden
en haar gekocht voor kostbaar goud?
31Niemand is er die haar wegen kent,
niemand die haar paden wil weten.

32Maar hij die alles weet, kent haar,
zijn inzicht heeft haar ontdekt.
Hij schiep de aarde voor eeuwig
en bevolkte haar met dieren.Maerten de Vos - En God zag dat het goed was.
33Hij stuurde het licht op weg, en het ging,
hij riep het, en het kwam, in diep ontzag.
34De sterren op wacht schitterden vreugdevol;
35hij riep, en ze antwoordden: ‘Hier zijn we,’
vol vreugde schitterend voor hun schepper.Rogier van Aerde - Stem in de woestijn
36Hij is onze God!
Niemand kan zich met hem meten.
37De weg naar de wijsheid had voor hem geen geheimen.
Hij gaf haar aan zijn dienaar Jakob,
aan Israël, die hij beminde;
38daarna verscheen ze op aarde
en verkeerde onder de mensen.

Baruch 4

Carel Kneulman - Jakob en de engel
Hendrik van Wieringen - Wilt mij, o Heer! den Weg der waarheid leeren
1Zij is het boek van Gods geboden,
de wet die tot in eeuwigheid bestaat;
ze geeft leven aan ieder die bij haar blijft,
maar wie haar verlaten, zullen sterven.

2Keer terug, Jakob, houd vast aan haar,
kies de weg die naar haar lichtglans voert.Carel Kneulman - Jakob en de engelHendrik van Wieringen - Wilt mij, o Heer! den Weg der waarheid leeren
3Verlies je eer niet aan een ander,
sta je voorrecht niet af aan een vreemd volk.
4Laten wij ons gelukkig prijzen, Israël,
want ons is bekend wat God behaagt!2. Leerdicht

Jeruzalems klacht en Gods troost

Hendrik van Limborch - De weg der goddelozen zal vergaan
Quiringh Gerritsz. van Brekelenkam - Oude vrouw leest de bijbel
5Verlies de moed niet, mijn volk, een schim nog maar van Israël.
6Je bent aan vreemde volken verkocht, maar niet om ten onder te gaan.
Je bent aan je vijand uitgeleverd omdat je Gods woede hebt gewekt.Joden in ballingschap
7Want jullie daagden je schepper uit:
niet hem, maar demonen bood je offers aan.Hendrik van Limborch - De weg der goddelozen zal vergaan
8Hem die je koesterde, vergat je: de eeuwige God;
ook haar die je grootbracht deed je verdriet: Jeruzalem.
9Toen zij zag hoe Gods toorn zich tegen jullie keerde,
sprak zij:

‘Luister naar mijn klacht, buurvrouwen van Sion:
God gaf mij een groot verdriet te dragen.
10Ik moest de verbanning aanzien van mijn zonen en dochters,
het onheil dat de Eeuwige over hen bracht.
11Met vreugde bracht ik mijn kinderen groot,
maar jammerend van verdriet moest ik hen laten gaan.
12Laat niemand zich vrolijk maken over mij,
een weduwe, door iedereen verlaten,
vereenzaamd vanwege de zonden van mijn kinderen.
Want zij hebben zich van Gods wet vervreemd:
13ze hebben zijn voorschriften versmaad,
zijn geboden naast zich neergelegd;
ze lieten zich niet leiden door het onderricht in Gods recht.
14Kom toch bij mij, buurvrouwen van Sion,
en gedenk de verbanning van mijn zonen en dochters,
het onheil dat de Eeuwige over hen bracht.
15Hij leverde hen uit aan een volk van ver,
een volk, onverstaanbaar en onbeschaamd,
dat voor oude mensen geen eerbied kende,
met kinderen geen medelijden had.
16Het ontnam de weduwe haar geliefde zonen,
het beroofde de alleenstaande van haar dochters.

17Maar ik, ach, wat kan ik nog voor jullie doen?
18Alleen hij die dit onheil over je bracht
kan je bevrijden uit de greep van je vijand.
19Ga dan maar, mijn kinderen, ga maar,
ik blijf hier eenzaam achter.
20Ik heb het kleed van de voorspoed uitgedaan,
mij gehuld in het rouwgewaad van mijn smeekgebed:
ik zal de Eeuwige aanroepen zolang ik leef.
21Verlies de moed niet, mijn kinderen, roep God aan,
hij zal je bevrijden uit de harde greep van je vijand.Quiringh Gerritsz. van Brekelenkam - Oude vrouw leest de bijbel
22Ik verwachtte jullie redding van de Eeuwige
en hij gaf mij weer vreugde, de Heilige,
want spoedig betoont hij barmhartigheid aan jullie,
hij, die jullie eeuwige redder is.
23Jammerend van verdriet moest ik jullie laten gaan,
maar juichend van vreugde krijg ik jullie voor eeuwig van God terug.
24Zoals de buurvrouwen van Sion jullie verbanning zagen,
zo zien zij straks hoe de Eeuwige jullie redt
met vertoon van zijn luisterrijke macht.
25Kinderen, draag geduldig de toorn van God die op je rust.
De vijand heeft jullie in het nauw gedreven,
maar spoedig zul je zijn ondergang zien,
hem op de knieën dwingen.
26Mijn broze kinderen moesten een zware weg gaan,
weerloze schapen, ten prooi aan de roofzuchtige vijand.
27Verlies de moed niet, mijn kinderen, roep God aan;
hij die jullie in nood bracht, zal jullie niet vergeten.
28Zoals jullie je inspanden om van God af te dwalen,
zo moeten jullie, tot inkeer gekomen,
met tienvoudige inzet hem weer zoeken.
29Want hij die dit kwaad over je bracht
zal je ook redden en je eeuwige vreugde schenken.’

30Blijf moed houden, Jeruzalem,
bij hem die jou je naam gaf vind je troost.
31Maar wee degenen die jou kwaad berokkenden,
die zich vrolijk maakten over je val;
32wee de steden die je kinderen tot slaven maakten,
wee de stad die hen binnen haar muren sloot.
33Want zoals zij zich vrolijk maakte over je val
en plezier had om jouw tegenspoed,
zo zal zij treuren over haar eenzaamheid.
34Ik ontneem haar de vreugde van haar inwonertal,
haar trots zal omslaan in verdriet.
35Langdurig zal de Eeuwige vuur op haar doen neerkomen,
demonen zullen er huizen, voor lange tijd.
36Jeruzalem, richt je blik naar het oosten,
zie welke vreugde God je brengt:
37kijk, daar komen je kinderen, die je moest laten gaan!
Uit alle windstreken bijeengeroepen door de Heilige
komen ze, zich verheugend over Gods macht.

Baruch 5

Carolus Allard - Nieuwe kaart van het beloofde land en de heilige stad Jeruzalem
Theodoor van der Schuer - Allegorie op de dubbele jurisdictie van Maastricht
Philips Galle naar Pieter Bruegel de Oudere - Barmhartigheid
1Jeruzalem, leg het gewaad van je verdriet en je lijden af
en hul je voorgoed in de waardigheid van Gods majesteit;Carolus Allard - Nieuwe kaart van het beloofde land en de heilige stad Jeruzalem
2sla de mantel van Gods gerechtigheid om
en zet de kroon van de luister van de Eeuwige op je hoofd.Theodoor van der Schuer - Allegorie op de dubbele jurisdictie van Maastricht
3God zal je laten schitteren voor heel de wereld;
4voor eeuwig luidt de naam die God je geeft:
‘Vrede door gerechtigheid’, ‘Luister door vroomheid’.
5Richt je op, Jeruzalem, ga staan op de berg,
richt je blik naar het oosten en zie je kinderen,
uit alle windstreken bijeengeroepen door de Heilige,
zich verheugend over Gods trouw.
6Te voet gingen ze bij je vandaan, meegevoerd door de vijand,
maar vorstelijk is hun intocht, nu God hen bij je terugbrengt.
7Hij gebood elke hoge berg en iedere aloude heuvel
hun hoogte te slechten, en elk ravijn zich te vullen,
opdat de aarde geëffend zou worden
en Israël, door Gods macht, met vaste tred kan gaan.
8De bossen en alle geurige bomen bieden
op Gods bevel aan Israël hun schaduw.
9God zal Israël met vreugde leiden
bij het licht van zijn luister,
onder betoon van zijn barmhartigheid en gerechtigheid.3. Klacht en bemoedigingPhilips Galle naar Pieter Bruegel de Oudere - Barmhartigheid