Inhoudsopgave Toevoegingen aan Daniël

Toevoegingen aan Daniël > Hoofdstuk A - C

Toevoegingen aan Daniël A

Het gebed van Azarja

Theo Gootjes - De drie vrienden van Daniël
Onbekend - Aartsengel

1Midden in de vlammen liepen ze rond, zongen lofliederen voor God en prezen de Heer.Daniëls vriendenTheo Gootjes - De drie vrienden van Daniël 2Azarja bleef staan en begon midden in het vuur hardop te bidden: 3‘Heer, God van onze voorouders, u bent geprezen en geloofd, uw naam zij verheerlijkt in eeuwigheid. 4U bent rechtvaardig geweest in alles wat u met ons hebt gedaan, al uw daden zijn waarachtig, al uw wegen recht, al uw oordelen waarheid. 5U hebt rechtvaardige vonnissen geveld over ons en over Jeruzalem, de heilige stad van onze voorouders. U hebt dit alles met ons gedaan als straf voor onze zonden, op grond van een rechtvaardig oordeel. 6Want wij hebben gezondigd en wetteloos gehandeld door van u afvallig te worden. Wij hebben op allerlei manieren gezondigd. 7We hebben uw geboden niet gehoorzaamd, we zijn ze niet nagekomen en we hebben niet gedaan wat u ons had bevolen opdat het ons goed zou gaan. 8Alles wat u over ons hebt gebracht en alles wat u met ons hebt gedaan, hebt u gedaan op grond van een rechtvaardig oordeel. 9U hebt ons uitgeleverd aan wetteloze vijanden, aan weerzinwekkende afvalligen en aan een onrechtvaardige koning, de slechtste op heel de aarde. 10Wij mogen onze mond niet meer opendoen; wie u dient en vereert, wordt vernederd en beschimpt. 11Lever ons niet voorgoed aan hen uit en verbreek uw verbond niet, omwille van uw naam. 12Ontzeg ons uw erbarmen niet, omwille van Abraham, door u bemind, omwille van Isaak, uw dienaar, en omwille van Israël, uw heilige, 13aan wie u hebt toegezegd dat u hun nakomelingen zo talrijk zou maken als de sterren aan de hemel en als zandkorrels op het strand langs de zee. 14Toch zijn wij, Heer, het geringste van alle volken geworden. Door onze zonden genieten wij nergens op aarde nog aanzien. 15En juist nu hebben wij geen leider, geen profeet, geen aanvoerder. Brandoffer noch slachtoffer, graanoffer noch reukoffer hebben wij, zelfs geen plaats om u offers te brengen en zo uw erbarmen af te smeken. 16Neem ons desondanks aan als mensen met een verbrijzeld hart en een vernederde geest, 17als kwamen wij met een brandoffer van rammen en stieren en met tienduizenden vette lammeren. Moge vandaag ons offer aan u zijn dat wij u onvoorwaardelijk volgen, want wie op u vertrouwt, wordt niet beschaamd. 18Wij volgen u met heel ons hart, wij hebben ontzag voor u en zoeken u. 19Maak ons niet te schande, maar laat u leiden door uw goedheid en uw groot erbarmen. 20Red ons door uw wonderbare daden en verleen luister aan uw naam, Heer. 21Mogen allen die uw dienaren kwaad berokkenen worden beschaamd. Mogen zij van alle heerschappij worden beroofd en laat schande hun deel zijn. Moge hun kracht verbrijzeld worden, 22zodat ze beseffen dat u alleen God, de Heer, bent, verheerlijkt in heel de bewoonde wereld.’

23De dienaren van de koning die de mannen in de oven hadden geworpen, bleven het vuur opstoken met aardolie, teer, vlasvezels en takkenbossen. 24De vlammen laaiden wel negenenveertig el boven de oven op, 25ze sloegen uit en verbrandden de Chaldeeën die rond de oven stonden. 26Maar de engel van de Heer was bij Azarja en de twee anderen in de oven neergedaald en joeg de vuurzee de oven uit.Onbekend - Aartsengel 27Midden in de oven liet hij een koele wind waaien, zodat het vuur hen niet eens aanraakte; ze voelden geen pijn en hadden er in het geheel geen last van.Guus Houtzager - Daniël

Het lied van de drie jongemannen

Verschillende Meesters - Canticum Benedictio trium puerorum

28Toen zongen de drie mannen in de oven als uit één mond lofliederen en verheerlijkten en prezen God:Jacobus Revius – Het gesanck der drie mannen inden viereVerschillende Meesters - Canticum Benedictio trium puerorum


29‘Geprezen bent u, Heer, God van onze voorouders,
geloofd en verhoogd in eeuwigheid.
30Geprezen is uw heilige en luisterrijke naam,
geprezen, geloofd en verhoogd in eeuwigheid.
31Geprezen bent u in uw heilige en luisterrijke tempel,
geprezen, bezongen en verheerlijkt in eeuwigheid.
32Geprezen bent u, die afgronden peilt en op de cherubs troont,
geloofd en verhoogd in eeuwigheid.
33Geprezen bent u op de troon van uw koninkrijk,
geprezen, bezongen en verhoogd in eeuwigheid.
34Geprezen bent u in het hemelgewelf,
bezongen en verheerlijkt in eeuwigheid.

35Alle schepselen, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
36Hemelen, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
37Engelen, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
38Water boven de hemel, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
39Heel de hemelse macht, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
40Zon en maan, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
41Sterren aan de hemel, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
42Regen en dauw, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
43Alle winden, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
44Vuur en hitte, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
45Koude en warmte, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
46Rijp en sneeuw, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
49Vorst en vrieskou, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
50IJs en sneeuw, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
47Nachten en dagen, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
48Licht en duister, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
51Bliksem en wolken, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
52Heel de aarde, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
53Bergen en heuvels, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
54Al wat op aarde groeit, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
55Oceanen en rivieren, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
56Waterbronnen, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
57Zeemonsters en al wat in het water zwemt, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
58Alle vogels in de lucht, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
59Dieren in het wild en al het vee, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
60Mensen, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
61Israël, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
62Priesters, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
63Tempeldienaars, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
64Geest en hart van de rechtvaardigen, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
65Al wie nederig is en God vereert, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
66Chananja, Azarja en Misaël, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid,
want hij heeft ons ontrukt aan het dodenrijk,
uit de greep van de dood heeft hij ons gered,
hij heeft ons bevrijd uit de laaiende oven,
uit het vuur heeft hij ons bevrijd.

67Loof de Heer, want hij is goed
en eeuwig duurt zijn erbarmen.
68Allen die de Heer vereren, prijs de God der goden;
bezing en loof hem,
want eeuwig duurt zijn erbarmen.’1. Toevoeging A

Toevoegingen aan Daniël B

Susanna

Jan van Neck - Susanna
Rembrandt - Susanna en de ouderlingen
Salomon de Bray - Susanna en de ouderlingen
Rembrandt - Susanna wordt door de beide oudsten bedreigd
Pieter Lastman - Susanna wordt door de oudsten bedreigd
Claes Brouwer - De twee ouderlingen beschuldigen Susanna van overspel
Claes Brouwer - Daniël ontmaskert de twee ouderlingen

1In Babylon woonde een man die Jojakim heette. 2Hij was getrouwd met Susanna, de dochter van Chilkia. Zij was een bijzonder mooie vrouw en had ontzag voor God.Een kuise Suzanna 3Haar ouders waren rechtschapen en hadden hun dochter opgevoed volgens de wet van Mozes. 4Jojakim was een vermogend man. Hij had een tuin naast zijn huis en daar vergaderden de Joden, want hij genoot het meeste aanzien van iedereen.

5Nu waren er dat jaar twee volksoudsten als rechters aangesteld, van wie gold wat de Heer gezegd heeft: ‘Wetteloosheid is uitgegaan van Babylon, van de oudsten, die rechters waren en geacht werden het volk te besturen.’ 6Zij brachten veel tijd bij Jojakim door, en iedereen die een geschil had ging naar hen toe. 7Als tegen de middag het volk was weggegaan, ging Susanna in de tuin van haar man wandelen. 8Elke dag zagen de twee oudsten haar daar binnenkomen en rondwandelen, en ze gingen haar steeds meer begeren. 9Ze luisterden niet naar hun verstand en keken niet meer op naar de hemel; ze vergaten dat er ook over hen rechtvaardig geoordeeld zou worden. 10Allebei waren ze ziek van verlangen naar haar, maar ze vertelden het elkaar niet 11omdat ze zich ervoor schaamden dat ze gemeenschap met haar wilden hebben. 12Dag na dag probeerden ze haar te zien te krijgen.

13Op een dag zei de een tegen de ander: ‘Laten we naar huis gaan, het is etenstijd,’ en ze liepen ieder een andere kant op. 14Maar na een omweg kwamen ze allebei op dezelfde plaats terug, en toen ze elkaar vroegen waarom, bekenden ze elkaar hun verlangen. Samen overlegden ze welk moment geschikt zou zijn om haar alleen aan te treffen. 15Nog terwijl ze dat bespraken, kwam Susanna zoals gewoonlijk de tuin binnen met twee dienaressen. Ze verlangde ernaar te baden, want het was warm.Paul Claes - Dochters van Eva 16Er was niemand behalve de twee oudsten, die zich hadden verscholen om haar te begluren.Susanna en de ouderlingenJan van Neck - Susanna 17Ze zei tegen de dienaressen: ‘Ga olie en balsems voor mij halen en sluit de poort van de tuin, dan kan ik een bad nemen.’ 18Ze deden wat zij vroeg; ze sloten de poort van de tuin en verdwenen door de zij-ingang om het gevraagde te halen, zonder de oudsten die zich daar verscholen hadden op te merken. 19Zodra de dienaressen weg waren, kwamen de twee oudsten te voorschijn en liepen op haar toe. 20Ze zeiden: ‘De poort van de tuin is dicht en niemand kan ons zien. We worden verteerd door verlangen naar jou. Doe wat wij je vragen en heb gemeenschap met ons.Een suzannaboefRembrandt - Susanna en de ouderlingenSalomon de Bray - Susanna en de ouderlingenRembrandt - Susanna wordt door de beide oudsten bedreigdPieter Lastman - Susanna wordt door de oudsten bedreigd 21Anders zullen we tegen jou getuigen en zeggen dat er een jongeman bij je was en dat je daarom je dienaressen hebt weggestuurd.’ 22Susanna kreeg het benauwd en zei: ‘Ik kan geen kant op, want als ik aan u toegeef betekent dat mijn dood, en als ik het niet doe ben ik aan u overgeleverd. 23Toch doe ik het niet. Ik val liever in uw handen dan dat ik tegen de Heer zondig.’ 24En Susanna begon luid te roepen, maar de twee oudsten overstemden haar. 25Een van hen liep naar de poort van de tuin en maakte die open. 26Toen de dienaren in het huis het geroep in de tuin hoorden, renden ze door de zij-ingang de tuin in om te zien wat er met Susanna was gebeurd. 27Toen de oudsten hun verhaal hadden gedaan, schaamden de dienaren zich diep, want zoiets hadden ze nog nooit over Susanna gehoord.De Willibrordvertaling van 1975

28De volgende dag, toen het volk bij haar man Jojakim bijeenkwam, waren daar ook de twee oudsten, die hun misdadige plan om Susanna te doden ten uitvoer wilden brengen. Ze zeiden waar iedereen bij stond: 29‘Laat Susanna halen, de dochter van Chilkia, de vrouw van Jojakim.’ En zo gebeurde het. 30Ze kwam, samen met haar ouders, haar kinderen en al haar verwanten. 31Susanna was een buitengewoon bevallige en mooie vrouw. 32De schoften bevalen haar te ontsluieren – ze was immers gesluierd – om zich in haar schoonheid te verlustigen. 33Maar de mensen in haar gezelschap, en allen die haar zagen, moesten huilen. 34Te midden van het volk stonden de twee oudsten op en legden hun handen op haar hoofd. 35Huilend keek Susanna op naar de hemel, want in haar hart vertrouwde ze op de Heer. 36De oudsten zeiden: ‘Terwijl wij alleen in de tuin wandelden, kwam deze vrouw met twee dienstmeisjes binnen, sloot de poort van de tuin en stuurde de meisjes weg. 37Toen kwam er een jongeman naar haar toe die zich verborgen had gehouden, en hij ging bij haar liggen. 38Vanuit een hoek van de tuin zagen wij dat misdadige gedrag en wij haastten ons erheen. 39We zagen dat ze gemeenschap hadden, maar konden hem niet overmeesteren omdat hij sterker was dan wij en door de poort naar buiten vluchtte.Claes Brouwer - De twee ouderlingen beschuldigen Susanna van overspel 40Toen hebben we haar gegrepen en haar gevraagd wie die jongeman was. 41Zij wilde het ons niet zeggen. Dit is ons getuigenis.’ En de vergadering geloofde hen omdat ze oudsten van het volk en rechters waren, en Susanna werd ter dood veroordeeld. 42Daarop riep zij met luide stem: ‘Eeuwige God, u die het verborgene kent en alles weet voordat het gebeurt, 43u weet dat zij mij vals beschuldigd hebben. Ik moet sterven, hoewel ik niets gedaan heb van alles waar zij mij van betichten.’ 44En de Heer hoorde haar.

45Terwijl zij werd weggeleid om gedood te worden, wekte God het heilige vuur in een jongen die Daniël heette.Daniël 46Hij riep luid: ‘Ik maak mij niet schuldig aan haar bloed.’ 47Het hele volk keerde zich naar hem toe en zei: ‘Wat bedoel je daarmee?’ 48Hij ging in hun midden staan en zei: ‘Bent u wel bij zinnen, zonen en dochters van Israël? Veroordeelt u een dochter van Israël zonder ondervraging, zonder kennis van de feiten? 49Ga terug naar de vergaderplaats, want ze hebben haar vals beschuldigd.’ 50Het hele volk ging haastig terug. De oudsten zeiden tegen Daniël: ‘Kom bij ons zitten en zeg wat je te zeggen hebt, want God heeft je de wijsheid van een oudere man gegeven.’ 51En Daniël zei: ‘Zet de twee rechters ver uit elkaar, dan zal ik hen ondervragen.’ 52Toen ze uit elkaar gezet waren, riep hij eerst de een bij zich en zei: ‘U bent in slechtheid oud geworden, maar nu komen ook uw eerdere zonden aan het licht. 53U hebt onrechtvaardige vonnissen geveld: onschuldigen veroordeeld en schuldigen vrijgesproken, terwijl de Heer zegt: “Breng een onschuldige die in zijn recht staat niet ter dood.” 54Als u deze vrouw werkelijk gezien hebt, zeg ons dan: onder wat voor boom hebt u hen met elkaar gezien?’ Hij antwoordde: ‘Onder een mastiekboom.’ 55Daniël zei: ‘Mooi! Met die leugen hebt u uw eigen straf bepaald, want Gods engel heeft van God al bevel gekregen u te vellen.’ 56Hij stuurde hem weg en liet de ander voorleiden. Tegen hem zei hij: ‘U bent een nakomeling van Kanaän en niet van Juda! Schoonheid heeft u misleid, begeerte uw hart verdorven. 57Zo hebt u de dochters van Israël behandeld, en uit angst hadden zij gemeenschap met u. Maar deze dochter van Juda heeft zich tegen uw wetteloosheid verzet. 58Nu dan, zeg mij: onder wat voor boom hebt u hen met elkaar betrapt?’ En hij zei: ‘Onder een eik.’ 59Toen zei Daniël: ‘Mooi! Ook uw leugen keert zich tegen u, want Gods engel staat al klaar met een zwaard om u te doorklieven. Hij vernietigt u beiden.’ 60Hierop begonnen alle aanwezigen luid te juichen en God te prijzen, die redt wie op hem vertrouwt.Claes Brouwer - Daniël ontmaskert de twee ouderlingen 61-62Ze verdrongen zich om de twee oudsten, die Daniël op grond van hun eigen woorden als valse getuigen had ontmaskerd. Zoals de wet van Mozes gebiedt, deden ze met hen wat zij een ander hadden willen aandoen: ze brachten hen ter dood. Zo werd die dag onschuldig bloed gered.Lauris Jansz. - Jesus onder die leeraers 63Chilkia en zijn vrouw prezen God omwille van hun dochter Susanna, samen met haar man Jojakim en al hun verwanten, omdat gebleken was dat zij niets schandelijks had gedaan. 64En vanaf die dag genoot Daniël veel aanzien bij het volk.2. Toevoeging BMarnix Gijsen – Joachim van BabylonEen oud volksboek

Toevoegingen aan Daniël C

Daniël en Bel

'Sub-Fauvel' Meester - Daniël en koning Cyrus bij de afgod Bel
Rembrandt - Daniël weigert Bel te aanbidden en spreekt met koning Cyrus
Meester van de Vederwolken - Daniël en zijn dienaren bestrooien de tempelvloer met as
Claes Brouwer - Daniël toont Cyrus de voetafdrukken
Philips Galle naar Maarten van Heemskerck - De vernietiging van het beeld van Bel

1Toen koning Astyages met zijn voorouders verenigd was, nam de Pers Cyrus het koningschap van hem over. 2Daniël was een vertrouweling van de koning, en van alle hovelingen genoot hij het meeste aanzien.Dat is de rechte Daniël niet

3De Babyloniërs hadden een afgod die Bel heette. Elke dag werden er twaalf mud tarwebloem, veertig schapen en zes metrete wijn voor hem neergelegd. 4Ook de koning vereerde hem, en hij ging iedere dag naar hem toe om hem te aanbidden. Maar Daniël aanbad zijn eigen God. Dus vroeg de koning hem: ‘Waarom aanbidt u Bel niet?’ 5Daniël antwoordde: ‘Ik vereer geen afgodsbeeld dat door mensenhanden is gemaakt, maar de levende God, die de hemel en de aarde geschapen heeft en heerser is over al wat leeft.’'Sub-Fauvel' Meester - Daniël en koning Cyrus bij de afgod Bel 6‘Wilt u soms beweren dat Bel geen levende god is?’ vroeg de koning. ‘Ziet u niet hoeveel hij elke dag eet en drinkt?’ 7Daarop zei Daniël glimlachend: ‘Laat u niet misleiden, majesteit. Vanbinnen is hij van leem en vanbuiten van brons, en hij heeft nog nooit iets gegeten of gedronken.’Rembrandt - Daniël weigert Bel te aanbidden en spreekt met koning Cyrus 8Woedend riep de koning zijn priesters bij zich en zei tegen hen: ‘Als u mij niet vertelt wie het voedsel opeet, laat ik u doden. 9Maar toont u aan dat Bel alles opeet, dan wordt Daniël gedood omdat hij Bel belasterd heeft.’ ‘Uw woord is wet,’ zei Daniël tegen de koning.

10Bel had zeventig priesters, die ook vrouwen en kinderen hadden. De koning ging samen met Daniël naar de tempel van Bel. 11Daar zeiden de priesters van Bel: ‘Wij gaan nu naar buiten. Wilt u, majesteit, het voedsel neerleggen, de wijn mengen en neerzetten, de deur sluiten en die met uw ring verzegelen? 12Als u hier morgenvroeg komt en u ziet dat Bel niet alles heeft opgegeten, mag u ons doden. Maar anders moet Daniël sterven, omdat hij ons belasterd heeft.’ 13Ze konden dat gemakkelijk zeggen, want onder de offertafel hadden ze een geheime ingang gemaakt, waardoor ze steeds naar binnen kwamen om het voedsel op te eten. 14Toen ze naar buiten waren gegaan, legde de koning het voedsel voor Bel neer. Daniël riep zijn dienaren, die as meebrachten. Hiermee bestrooiden ze de hele tempelvloer, terwijl alleen de koning nog aanwezig was. Daarna verlieten ze de tempel, sloten de deur achter zich, verzegelden die met de ring van de koning en gingen weg.Meester van de Vederwolken - Daniël en zijn dienaren bestrooien de tempelvloer met as 15Die nacht kwamen de priesters zoals altijd, samen met hun vrouwen en kinderen, en aten en dronken alles op.

16De volgende ochtend stonden de koning en Daniël vroeg op. 17‘Zijn de zegels niet verbroken, Daniël?’ vroeg de koning. En hij antwoordde: ‘Ze zijn niet verbroken, majesteit.’ 18Zodra de deur geopend was en de koning de tafel zag, riep hij luid: ‘U bent groot, Bel, er schuilt niet het minste bedrog in u!’ 19Maar Daniël hield de koning glimlachend tegen om te voorkomen dat hij naar binnen ging. ‘Kijkt u eens naar de vloer,’ zei hij toen, ‘en bedenkt u eens van wie die voetsporen kunnen zijn.’ 20De koning zei: ‘Ik zie voetsporen van mannen, vrouwen en kinderen.’Claes Brouwer - Daniël toont Cyrus de voetafdrukken 21Hij werd razend en nam de priesters en hun vrouwen en kinderen gevangen. Zij lieten hem de geheime deur zien waardoor ze steeds naar binnen waren gekomen om alles wat op de tafel gelegd was op te eten. 22Daarop bracht de koning hen ter dood. Bel droeg hij over aan Daniël, die niet alleen het beeld maar ook de hele tempel neerhaalde.Philips Galle naar Maarten van Heemskerck - De vernietiging van het beeld van Bel

Daniël en de draak

Claes Brouwer - Daniël voert de draak giftige koeken
Meester van de Vederwolken - Daniël wordt gevoed door Habakuk
Claes Brouwer - 'Daniël, Daniël,' riep Habakuk, 'hier is het middagmaal dat God je heeft gezonden.'
Meesters van Otto van Moerdrecht - Habakuk brengt het middagmaal naar Daniël in de leeuwenkuil

23De Babyloniërs vereerden ook nog een grote draak. 24De koning zei tegen Daniël: ‘U kunt toch niet beweren dat dit geen levende god is? Aanbid hem dus.’ 25Maar Daniël zei: ‘Ik aanbid de Heer, mijn God, want hij is een levende God. 26Als u mij toestemming geeft, majesteit, zal ik de draak zonder zwaard of stok doden.’ De koning antwoordde: ‘U hebt mijn toestemming.’ 27Daniël nam wat teer, vet en dunne graten, mengde alles door elkaar en vormde er koeken van die hij in de bek van de draak gooide. De draak slikte ze door en werd vanbinnen opengereten. Daniël zei: ‘Kijkt u nu eens wat u hebt vereerd.’Claes Brouwer - Daniël voert de draak giftige koeken

28Toen de Babyloniërs hiervan hoorden, waren ze zo verontwaardigd dat ze zich tegen de koning keerden. ‘Onze koning is een Jood geworden!’ zeiden ze. ‘Hij heeft Bel vernietigd, de draak gedood en de priesters vermoord.’ 29Ze gingen naar de koning en zeiden: ‘Levert u Daniël aan ons uit, anders doden we u en uw familie.’ 30Door dat dreigement was de koning wel gedwongen Daniël aan hen uit te leveren. 31Ze wierpen Daniël in de leeuwenkuil, waar hij zes dagen bleef. 32In de kuil zaten zeven leeuwen, die elke dag twee mensen en twee schapen te eten kregen. Maar nu kregen ze niets, zodat ze Daniël zeker zouden opeten.

33In Judea leefde in die tijd de profeet Habakuk. Hij had soep gekookt en brood in een kom verkruimeld en wilde net naar het veld gaan om het eten naar de maaiers te brengen,Habakuk 34toen een engel van de Heer tegen hem zei: ‘Breng het middagmaal dat je daar hebt naar Babylon, naar Daniël in de leeuwenkuil.’ 35‘Heer, ik ben nog nooit in Babylon geweest,’ zei Habakuk, ‘en waar die kuil is weet ik niet.’ 36De engel van de Heer pakte hem bij zijn kruin en droeg hem in een zucht naar Babylon, waar hij hem aan de rand van de kuil neerzette.Besloten hofje met Daniël in de leeuwenkuil 37‘Daniël, Daniël,’ riep Habakuk, ‘hier is het middagmaal dat God je heeft gezonden.’Meester van de Vederwolken - Daniël wordt gevoed door HabakukClaes Brouwer - 'Daniël, Daniël,' riep Habakuk, 'hier is het middagmaal dat God je heeft gezonden.' 38En Daniël zei: ‘U hebt dus aan mij gedacht, God. U laat wie u liefhebben nooit in de steek.’Meesters van Otto van Moerdrecht - Habakuk brengt het middagmaal naar Daniël in de leeuwenkuil 39Daniël stond op en begon te eten. Habakuk werd door de engel van God onmiddellijk weer teruggebracht naar zijn woonplaats.

40Op de zevende dag kwam de koning om over Daniël te rouwen. Hij liep naar de kuil, keek erin en zag Daniël zitten. 41Hij juichte: ‘Groot bent u, Heer, God van Daniël! Er is geen andere God dan u.’ 42Hij trok Daniël uit de kuil en liet degenen die Daniëls ondergang hadden willen bewerkstelligen in de kuil gooien, en zij werden onmiddellijk, pal voor zijn ogen, verslonden.3. Toevoeging CEen oud volksboek