Inhoudsopgave Ezra Volgende 5 hoofdstukken

Ezra > Hoofdstuk 1 - 5

Ezra 1

Opdracht tot herbouw van de tempel

Onbekend - Koning Cyrus herbouwt de tempel van Jeruzalem

1In het eerste regeringsjaar van Cyrus, de koning van Perzië, ging in vervulling wat de HEER Jeremia had laten aankondigen. Hij zette de koning ertoe aan om in zijn hele koninkrijk mondeling en ook schriftelijk het volgende besluit bekend te laten maken:Albericus Stichelbaut – Jerusalems herstelling

2‘Dit zegt Cyrus, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEER, de God van de hemel, mij gegeven. Hij heeft mij opgedragen om voor hem een tempel te bouwen in Jeruzalem, een stad in Juda. 3Laten al diegenen onder u die tot zijn volk behoren, zich met de hulp van hun God naar Jeruzalem in Juda begeven om er de tempel van de HEER weer op te bouwen, de God van Israël, de God die in Jeruzalem woont.Onbekend - Koning Cyrus herbouwt de tempel van Jeruzalem 4Allen die hier nog als vreemdeling verblijven, waar zij zich ook mogen bevinden, dienen van hun medeburgers ondersteuning te krijgen in de vorm van zilver, goud, goederen en vee. Dit komt boven op de vrijwillige gaven voor de tempel van de God die in Jeruzalem woont.’Het decreet van Cyrus

Terugkeer naar Jeruzalem

Meesters van Otto van Moerdrecht - Nebukadnessar rooft de schatten uit de tempel van Jeruzalem en Oordeel van Ezechiël over Jeruzalem
Jean Kamps - Terugkeer uit de ballingschap

5De familiehoofden van de stammen Juda en Benjamin, de priesters en de Levieten, allen die God daartoe aanzette, maakten zich gereed om naar Jeruzalem te vertrekken en te beginnen met de bouw van de tempel van de HEER.Terugkeer uit de ballingschap 6Al hun buren ondersteunden hen met voorwerpen van zilver en goud, met goederen, vee en kostbare geschenken, nog afgezien van wat vrijwillig aangeboden werd. 7Koning Cyrus van Perzië gaf de voorwerpen vrij die uit de tempel van de HEER afkomstig waren en die Nebukadnessar uit Jeruzalem had meegenomen en in de tempel van zijn eigen god had neergezet.Meesters van Otto van Moerdrecht - Nebukadnessar rooft de schatten uit de tempel van Jeruzalem en Oordeel van Ezechiël over Jeruzalem 8Hij vertrouwde de teruggave toe aan Mitredat, de schatmeester, die ze met een inventarislijst aan Sesbassar, de leider van Juda, overdroeg. 9Het betrof dertig gouden schalen, duizend zilveren schalen, negenentwintig messen, 10dertig gouden bekers, vierhonderdtien zilveren bekers van verschillende soort en duizend andere voorwerpen, 11bij elkaar vijfduizendvierhonderd voorwerpen van zilver of goud. Dit alles liet Sesbassar meevoeren toen hij de ballingen uit Babylonië terugbracht naar Jeruzalem.Jean Kamps - Terugkeer uit de ballingschap

Ezra 2

Lijst van teruggekeerde ballingen

Palestina na de ballingschap
De diaspora in Assyrië, Babylonië en Egypte

1-2Hier volgt een lijst van inwoners van de provincie Juda die zijn teruggekeerd uit de ballingschap in Babylonië, waarheen zij eerder waren weggevoerd door koning Nebukadnessar. Zij zijn teruggekeerd met Zerubbabel, Jesua, Nechemja, Seraja, Reëlaja, Mordechai, Bilsan, Mispar, Bigwai, Rechum en Baäna, en vestigden zich in Jeruzalem en Juda, in hun eigen steden.

De aantallen:


  • Israëlitische mannen:Mordechai
  • 32172 afstammelingen van Paros
  • 4372 afstammelingen van Sefatja
  • 5775 afstammelingen van Arach
  • 62812 afstammelingen van Pachat-Moab, en wel de nakomelingen van Jesua en Joab
  • 71254 afstammelingen van Elam
  • 8945 afstammelingen van Zattu
  • 9760 afstammelingen van Zakkai
  • 10642 afstammelingen van Bani
  • 11623 afstammelingen van Bebai
  • 121222 afstammelingen van Azgad
  • 13666 afstammelingen van Adonikam
  • 142056 afstammelingen van Bigwai
  • 15454 afstammelingen van Adin
  • 1698 afstammelingen van Ater, en wel de nakomelingen van Chizkia
  • 17323 afstammelingen van Besai
  • 18112 afstammelingen van Jora
  • 19223 afstammelingen van Chasum
  • 2095 afstammelingen van Gibbar
  • 21123 inwoners van Betlehem
  • 2256 inwoners van Netofa
  • 23128 inwoners van Anatot
  • 2442 inwoners van Azmawet
  • 25743 inwoners van Kirjat-Jearim, Kefira en Beërot
  • 26621 inwoners van Rama en Geba
  • 27122 inwoners van Michmas
  • 28223 inwoners van Betel en Ai
  • 2952 inwoners van Nebo
  • 30156 afstammelingen van Magbis
  • 311254 afstammelingen van een andere Elam
  • 32320 afstammelingen van Charim
  • 33725 inwoners van Lod, Chadid en Ono
  • 34345 inwoners van Jericho
  • 353630 inwoners van Senaä.Palestina na de ballingschap

  • 36Priesters:
  • 973 afstammelingen van Jedaja, en wel het geslacht van Jesua
  • 371052 afstammelingen van Immer
  • 381247 afstammelingen van Paschur
  • 391017 afstammelingen van Charim.

  • 40Levieten:
  • 74 afstammelingen van Jesua en Kadmiël, en wel de nakomelingen van Hodawja.

  • 41Tempelzangers:
  • 128 afstammelingen van Asaf.

  • 42Poortwachters:
  • in totaal 139 afstammelingen van Sallum, Ater, Talmon, Akkub, Chatita en Sobai.

  • 43Tempelknechten:
  • afstammelingen van Sicha, Chasufa, Tabbaot,
  • 44Keros, Siaha, Padon,
  • 45Lebana, Chagaba, Akkub,
  • 46Chagab, Salmai, Chanan,
  • 47Giddel, Gachar, Reaja,
  • 48Resin, Nekoda, Gazzam,
  • 49Uzza, Paseach, Besai,
  • 50Asna, Meünim, Nefusim,
  • 51Bakbuk, Chakufa, Charchur,
  • 52Baslut, Mechida, Charsa,
  • 53Barkos, Sisera, Temach,
  • 54Nesiach en Chatifa.

  • 55Afstammelingen van de slaven van Salomo:
  • afstammelingen van Sotai, Soferet, Peruda,
  • 56Jaäla, Darkon, Giddel,
  • 57Sefatja, Chattil, Pocheret-Hassebaïm en Ami,
  • 58in totaal 392 tempelknechten en afstammelingen van de slaven van Salomo.

59-60Verder nog zij die kwamen uit Tel-Melach, Tel-Charsa, Kerub, Addan en Immer, 652 afstammelingen van Delaja, Tobia en Nekoda. Zij konden echter niet aantonen dat de families waartoe zij behoorden Israëlitisch waren.De diaspora in Assyrië, Babylonië en Egypte 61Dat gold ook voor de priesterfamilies Chobaja, Hakkos en Barzillai (zij heetten zo sinds hun stamvader een van de dochters van de Gileadiet Barzillai tot vrouw genomen had). 62Zij zochten naar het schriftelijke bewijs dat ze in de geslachtsregisters waren ingeschreven, maar ze vonden het niet. Op grond daarvan werden ze onrein verklaard en van het priesterschap uitgesloten. 63De landvoogd liet hun weten dat ze niet van de allerheiligste offergaven mochten eten totdat er een priester was die met behulp van de orakelstenen uitspraak kon doen.

64De hele gemeenschap telde in totaal 42.360 personen. 65Daarbij kwamen nog 7337 slaven en slavinnen, 200 zangers en zangeressen, 66736 paarden, 245 muildieren, 67435 kamelen en 6720 ezels.

68Toen zij aankwamen bij de tempel van de HEER in Jeruzalem, droeg een aantal familiehoofden een vrijwillige bijdrage af voor de herbouw ervan op de vroegere plaats. 69Zij brachten naar vermogen het volgende kapitaal bijeen: 61.000 gouden drachmen, 5000 zilveren minen en 100 priestergewaden.

70De priesters, de Levieten en een deel van het volk, de tempelzangers, de poortwachters en de tempelknechten vestigden zich in hun eigen steden, en alle andere Israëlieten in de overige steden.

Ezra 3

Begin van de herbouw van de tempel

Ram Katzir - Mozes
Meesters van Otto van Moerdrecht - Offergave
Jan de Bray - David in de tempel
Jean Kamps - Marteldood van Eleazar
Jean Kamps - De herbouw van de tempel
Hendrik van Wieringen - De tempelgrond geleid, eer men 't gebouw doet rijsen

1Aan het begin van de zevende maand, toen de Israëlieten zich in hun steden hadden gevestigd, verzamelde het voltallige volk zich in Jeruzalem. 2Jesua, de zoon van Josadak, en zijn medepriesters, en Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en zijn verwanten, bouwden het altaar van de God van Israël, om daarop te kunnen offeren zoals is voorgeschreven in de wet van Mozes, de godsman.Ram Katzir - Mozes 3Ondanks hun angst voor de bevolking van het land richtten ze het altaar op zijn oude fundamenten op en offerden aan de HEER. Ze droegen de brandoffers voor de morgen en de avond op, 4en vierden het Loofhuttenfeest volgens de voorschriften: elke dag brachten ze het vereiste aantal brandoffers, zoveel offers dus als er voor iedere dag zijn voorgeschreven. 5Van toen af aan brachten ze ook het dagelijkse offer, het offer op nieuwemaan en de offers bij alle andere heilige hoogtijdagen van de HEER, en verder alle vrijwillige gaven aan de HEER.Meesters van Otto van Moerdrecht - Offergave 6Al vanaf de eerste dag van de zevende maand droegen ze brandoffers op aan de HEER, ook al waren de fundamenten van het heiligdom van de HEER nog niet gelegd.

7De steenhouwers en andere vaklieden werden uitbetaald in zilver; de Sidoniërs en Tyriërs ontvingen voedsel, drank en olie om, met toestemming van Cyrus, de koning van Perzië, cederhout over zee van de Libanon naar Jafo te vervoeren.

8In het tweede jaar nadat zij naar Gods tempel in Jeruzalem waren gekomen, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en Jesua, de zoon van Josadak, en de rest van hun broeders – priesters en Levieten en allen die uit de ballingschap naar Jeruzalem waren teruggekeerd – met het aanstellen van Levieten van twintig jaar en ouder, om toezicht te houden op de werkzaamheden aan de tempel van de HEER. 9Jesua, zijn zonen en verwanten, en Kadmiël en zijn zonen, nakomelingen van Juda, waren gezamenlijk verantwoordelijk voor het toezicht op de arbeiders die werkten aan Gods tempel, met de zonen van Chenadad en hun zonen en verwanten, allen Levieten.

10Terwijl de bouwers de fundamenten van het heiligdom van de HEER legden, stelden de priesters, gekleed in ambtsgewaad, zich op met trompetten, en de Levieten, de nakomelingen van Asaf, stelden zich op met cimbalen, om de HEER te prijzen volgens de aanwijzingen van David, de koning van Israël.Jan de Bray - David in de tempelJean Kamps - Marteldood van EleazarJean Kamps - De herbouw van de tempelHendrik van Wieringen - De tempelgrond geleid, eer men 't gebouw doet rijsen 11Zij dankten en prezen de HEER, en ze zongen in beurtzang: ‘Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw aan Israël.’ Heel het volk begon daarop luid te juichen en de HEER te prijzen omdat de fundamenten van de tempel van de HEER werden gelegd. 12Veel priesters, Levieten en familiehoofden, de ouderen die de eerste tempel nog hadden gezien, huilden luid toen voor hun ogen de fundamenten van de tempel werden gelegd, maar vele anderen juichten en jubelden. 13Juichen en huilen waren niet meer te onderscheiden, het gejubel was zo sterk dat het tot op grote afstand te horen was.

Ezra 4

Ondanks verzet wordt de tempel herbouwd

Rembrandt - Jan Uytenbogaert 'De goudweger'
Meesters van Otto van Moerdrecht - Darius wordt gekroond tot koning van Perzië
Onbekend - Tweede Tempel te Jeruzalem

1De tegenstanders van Juda en Benjamin hoorden dat de teruggekeerde ballingen een heiligdom voor de HEER, de God van Israël, aan het bouwen waren.WederpartijderKinderen der gevangenis 2Zij gingen naar Zerubbabel en de familiehoofden, en zeiden: ‘Wij willen meehelpen met de bouw, want ook wij vereren uw God, wij offeren al aan hem sinds de dag dat Esarhaddon, de koning van Assyrië, ons hierheen heeft gebracht.’ 3Zerubbabel en Jesua en de andere familiehoofden van Israël antwoordden hun: ‘Wij mogen niet samen met u een tempel bouwen voor onze God. Wij alleen zullen die bouwen voor de HEER, de God van Israël, want alleen aan ons heeft Cyrus, de koning van Perzië, deze opdracht verstrekt.’

4-5Vanaf de tijd dat Cyrus, de koning van Perzië, regeerde, tot onder de regering van koning Darius, probeerde de bevolking van het land het moreel van de Judeeërs te ondermijnen en hen bang te maken, om hen af te houden van de bouw. Ze kochten zelfs raadgevers om opdat die de plannen van de Judeeërs zouden verijdelen.


6In het begin van het bewind van Xerxes werd een schriftelijke aanklacht ingediend tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem, 7en later, tijdens het koningschap van Artaxerxes, schreven Bislam, Mitredat, Tabeël en hun ambtgenoten een brief aan de koning. Deze brief was in het Aramees geschreven, en was vertaald

8Rechum, het hoofd van de kanselarij, en Simsai, de hofschrijver, schreven de volgende brief aan koning Artaxerxes over Jeruzalem:

9‘Van Rechum, het hoofd van de kanselarij, en van Simsai, de hofschrijver, en van hun overige ambtgenoten: rechters, afgezanten, ambtenaren, mannen uit Sippar, Uruk, Babel en Susa (dat zijn Elamieten), 10en van de andere volken die de grote en doorluchtige Asnappar in ballingschap heeft weggevoerd en heeft laten wonen in de steden van Samaria en het overige gebied van de provincie Trans-Eufraat. 11(Dit is een afschrift van de door hen geschreven brief.) Aan koning Artaxerxes, van uw dienaren, inwoners van de genoemde provincie.

12Het zij de koning bekend dat de Judeeërs die bij u zijn weggegaan bij ons in Jeruzalem zijn aangekomen, en dat zij deze opstandige en slechte stad aan het herbouwen zijn: ze herstellen de muren en repareren de fundamenten. 13Het zij de koning bekend dat wanneer deze stad zal zijn herbouwd en de muren zullen zijn hersteld, er niet langer belasting, cijns of tol zal worden afgedragen, wat de belangen van het koninkrijk zeker zal schaden.Schatting 14Welnu, omdat wij ons gebonden weten aan het paleis, en omdat het ons niet past lijdzaam toe te zien hoe de macht van de koning wordt uitgehold, stellen wij u hiervan op de hoogte, 15zodat onderzoek kan worden gedaan in de boeken met de gedenkwaardige gebeurtenissen van uw voorgangers. Als u daarin leest, zult u ontdekken dat deze stad een opstandige en vanouds oproerige stad is, waar de belangen van koningen en provincies worden geschaad. Daarom ook werd deze stad verwoest. 16Wij wijzen de koning erop dat wanneer deze stad zal zijn herbouwd en de muren zullen zijn hersteld, u de macht over de provincie Trans-Eufraat kwijt zult raken.’

17De koning stuurde het volgende antwoord:

‘Aan Rechum, het hoofd van de kanselarij, en aan Simsai, de hofschrijver, en aan hun overige ambtgenoten die wonen in Samaria en de rest van de provincie Trans-Eufraat: wij wensen u vrede!

18Het schrijven dat u ons heeft doen toekomen, is mij woordelijk voorgelezen. 19Ik heb bevel gegeven de zaak te onderzoeken, en er is aan het licht gekomen dat deze stad zich van oudsher tegen haar koningen verzet heeft en dat ze een bron is van opstand en oproer. 20Er blijken in Jeruzalem zelfs sterke koningen geweest te zijn die hun macht hebben doen gelden in de hele provincie Trans-Eufraat, en aan wie belasting, cijns en tol werd betaald.Rembrandt - Jan Uytenbogaert 'De goudweger' 21Geef daarom de mannen bevel het werk te staken, want deze stad mag niet worden herbouwd totdat ik daartoe opdracht geef. 22Hoed u in dezen voor nalatigheid, opdat het koninkrijk geen grote schade zal lijden.’

23Toen het afschrift van het schrijven van koning Artaxerxes was voorgelezen aan Rechum, aan de hofschrijver Simsai en aan hun ambtgenoten, gingen zij zo snel mogelijk naar de Judeeërs in Jeruzalem, en met geweld dwongen zij hen de werkzaamheden te staken.


24Het werk aan de tempel van God in Jeruzalem werd stilgelegd, en daarin kwam geen verandering tot het tweede regeringsjaar van koning Darius van Perzië.Meesters van Otto van Moerdrecht - Darius wordt gekroond tot koning van PerziëOnbekend - Tweede Tempel te Jeruzalem

Ezra 5

Jan Provost - Zacharia

1Toen begonnen de profeten Haggai en Zacharia, de kleinzoon van Iddo, in opdracht van de God van Israël te profeteren tegen de Judeeërs die in Juda en in Jeruzalem woonden.Zacharias of Zacharia?Jan Provost - Zacharia 2Daarop hervatten Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en Jesua, de zoon van Josadak, de bouw van de tempel van God in Jeruzalem. Ze kregen daarbij de steun van Gods profeten. 3Kort daarna kwamen Tattenai, de gouverneur van de provincie Trans-Eufraat, en Setar-Boznai met hun ambtgenoten naar hen toe, en vroegen: ‘Wie heeft u bevel gegeven deze tempel te herbouwen, dit heiligdom te voltooien?’ 4Ook vroegen ze: ‘Hoe heten de mannen die hier aan het bouwen zijn?’ 5Maar hun God waakte over de oudsten van de Judeeërs: ze werden niet gedwongen het werk stil te leggen voordat er aan Darius zou zijn gerapporteerd en er een schriftelijk antwoord zou zijn ontvangen.


6Afschrift van de brief die Tattenai, de gouverneur van de provincie Trans-Eufraat, en Setar-Boznai, en diens ambtgenoten, bestuurders van de genoemde provincie, aan koning Darius hebben gezonden. 7Het bericht aan hem luidde als volgt:

‘Aan Darius, de koning: alle goeds!

8Het zij de koning bekend dat wij naar de provincie Juda zijn gegaan, naar de tempel van de grote God. Die tempel wordt opgetrokken van steenblokken, en in de muren worden balken gelegd. Het werk wordt zorgvuldig uitgevoerd en vordert gestaag.

9Wij hebben de oudsten gevraagd wie hun het bevel had gegeven tot de bouw van de tempel en de voltooiing van het heiligdom. 10Ook hebben wij hun namen gevraagd, zodat we, te uwer informatie, de namen van de leiders schriftelijk konden vastleggen. 11Dit was hun antwoord: “Wij zijn dienaren van de God van de hemel en de aarde, en wij herstellen de tempel die reeds vele jaren geleden werd gebouwd; een groot koning van Israël heeft de bouw ervan destijds voltooid. 12Maar omdat onze voorouders de God van de hemel hebben vertoornd, heeft hij hen aan de koning van Babylonië, de Chaldeeër Nebukadnessar, uitgeleverd. Hij heeft deze tempel verwoest en het volk in ballingschap naar Babylonië weggevoerd. 13Koning Cyrus van Babylonië echter heeft in zijn eerste regeringsjaar bevel gegeven de tempel van God te herbouwen. 14Ook de gouden en zilveren voorwerpen die Nebukadnessar uit Gods heiligdom in Jeruzalem had weggenomen en naar het heiligdom in Babel had gebracht, zijn door koning Cyrus daar weer vandaan gehaald en aan een zekere Sesbassar gegeven, die door hem was aangesteld als gouverneur. 15Hij zei hem: ‘Neem deze voorwerpen en zet ze terug in het heiligdom van Jeruzalem. Zorg ervoor dat Gods tempel op zijn vroegere plaats herbouwd wordt.’ 16Genoemde Sesbassar is hier gekomen en heeft de fundamenten gelegd van Gods tempel in Jeruzalem, en van toen af aan tot nu toe is eraan gebouwd, maar hij is nog niet gereed.”

17Welnu, als het de koning behaagt, laat hij dan in Babylonië een onderzoek instellen in de koninklijke archieven naar de vraag of het werkelijk zo is dat koning Cyrus bevel heeft gegeven om deze tempel van God in Jeruzalem op te bouwen. Laat hij ons vervolgens op de hoogte brengen van zijn wil in dezen.’