Inhoudsopgave Hosea Volgende 5 hoofdstukken

Hosea > Hoofdstuk 1 - 5

Hosea 1

Onbekend - Hosea

1Dit zijn de woorden die de HEER richtte tot Hosea, de zoon van Beëri, toen Uzzia, Jotam, Achaz en Hizkia in Juda regeerden, en Jerobeam, de zoon van Joas, koning was in Israël.HoseaOnbekend - Hosea

Israëls ontrouw

Rembrandt - De overspelige vrouw
De ondergang van het koninkrijk Israël
Tinus van Doorn - Apocalytische ruiters

2Zo begon de HEER te spreken tegen Hosea.

De HEER zei tegen hem: ‘Trouw een overspelige vrouw en verwek kinderen bij haar, want het land maakt zich schuldig aan overspel door zich van de HEER af te keren.’God als echtgenootTheaterwerkplaats Ode - HoseaRembrandt - De overspelige vrouw 3Daarop trouwde Hosea met Gomer, de dochter van Diblaïm. Zij werd zwanger en baarde hem een zoon, 4en de HEER zei tegen Hosea: ‘Noem hem Jizreël, want binnenkort zal ik het koningshuis van Jehu ter verantwoording roepen voor de moorden bij Jizreël en een einde maken aan het koningschap in Israël.De ondergang van het koninkrijk Israël 5Op die dag zal ik Israëls wapentuig breken in de vallei van Jizreël.’ 6Gomer werd opnieuw zwanger en baarde een dochter. Toen zei de HEER tegen Hosea: ‘Noem haar Lo-Ruchama, want ik zal me niet nog eens over het volk van Israël ontfermen – alsof ik hun steeds zou moeten vergeven. 7Maar over het volk van Juda zal ik me wel ontfermen; ik, de HEER, hun God, zal hen bevrijden door mijn macht, niet door het geweld van boog en zwaard of door paarden en ruiters.’Tinus van Doorn - Apocalytische ruiters 8Toen Gomer Lo-Ruchama niet langer de borst gaf, werd ze weer zwanger en baarde een zoon. 9Toen zei de HEER: ‘Noem hem Lo-Ammi, want jullie zijn mijn volk niet meer en ik zal er voor jullie niet meer zijn.’

Hosea 2

Marlene Dumas - The first people I-IV

1Maar eens zullen de kinderen van Israël talrijk zijn als zandkorrels aan de zee, die niet te meten en niet te tellen zijn. En waar tegen hen gezegd is: ‘Jullie zijn mijn volk niet meer,’ zullen ze weer kinderen van de levende God worden genoemd. Marlene Dumas - The first people I-IV 2Dan zullen de kinderen van Juda en de kinderen van Israël weer bijeenkomen en één leider aanstellen. Op de dag dat God zelf zal zaaien, op de grote dag van Jizreël, zullen ze uit de aarde opschieten. 3Dan noemen jullie je broeders weer Ammi en je zusters weer Ruchama.

Israëls ontrouw beantwoord met liefde

Verschillende Meesters - Psalm 139
Onbekend - Ficus carica (vijg)
Elisabeth Duisdeiker - Vitis vinifera (druif)
Onbekend - Baäl
Lika Tov - Zusje, bruid
Onbekend - Stamboom der granen

4Klaag jullie moeder aan! Klaag haar aan! Want zij is mijn vrouw niet meer en ik ben haar man niet meer. Laat ze die hoerige opschik wegdoen van haar gezicht, de tekens van overspel tussen haar borsten weghalen. Verschillende Meesters - Psalm 139 5Anders zal ik haar uitkleden, haar zo naakt laten staan als toen ze geboren werd; anders maak ik haar onvruchtbaar als een woestijn, als een land van grote droogte, en laat ik haar omkomen van dorst.Theaterwerkplaats Ode - Hosea 6Ook ontferm ik me niet over haar kinderen, want ze zijn geboren uit overspel. 7Overspelig was immers hun moeder; de vrouw die hen gedragen heeft leefde in schande. Ze zei: ‘Ik ga achter mijn minnaars aan, want zij zorgen voor mijn eten en drinken, voor wol en vlas, olijfolie en wijn.’

8Daarom zal ik haar met een doornhaag de weg versperren, met een muur zal ik haar insluiten, zodat ze niet meer op pad kan gaan. 9Als ze dan achter haar minnaars aan wil gaan kan ze hen niet bereiken; ze zoekt maar kan hen niet vinden. Dan zal ze zeggen: ‘Ik ga terug naar mijn eigen man, want toen had ik het beter dan nu.’

10Zij beseft niet dat ik het was die haar koren, wijn en olie gaf. Het zilver en goud waarmee ik haar verrijkte, werd besteed aan een Baälsbeeld. 11Daarom zal ik, als het tijd is voor de oogst, mijn koren en mijn wijn terugnemen; ook mijn wol en mijn vlas, waarmee ze haar naaktheid moet bedekken, zal ik terughalen. 12Ik zal haar de kleren van het lijf rukken in het bijzijn van haar minnaars, en niemand die haar uit mijn greep kan redden. 13Aan alle dagen dat zij feestviert, haar hoogtijdagen, nieuwemaan en sabbat, aan al haar feestvreugde zal ik een einde maken. 14Ik verwoest haar wijnstok en haar vijgenboom, waarvan zij zei: ‘Het zijn geschenken die mijn minnaars me hebben gegeven.’ Ik laat ze verwilderen en geef ze prijs aan de dieren.Onbekend - Ficus carica (vijg)Elisabeth Duisdeiker - Vitis vinifera (druif) 15Ik zal haar straffen voor de feesten die ze aan de Baäls wijdde en waarop ze hun offers bracht; uitgedost met ringen en halssieraden liep ze achter haar minnaars aan. Maar mij vergat ze – spreekt de HEER.Onbekend - Baäl


16Daarom zal ik haar meelokken naar de woestijn en dan tot haar hart spreken. 17Daar zal ik haar wijngaarden aan haar teruggeven, het Achordal maak ik tot een poort van hoop. En zij zal mijn liefde beantwoorden als in de tijd van haar jeugd, als op de dag dat ze wegtrok uit Egypte. 18Dan, op die dag – spreekt de HEER –, zul je zeggen: ‘Jij bent mijn man,’ en daarbij is geen wanklank meer te horen. 19De namen van de Baäls zul je niet meer in de mond nemen, ze zullen niet langer worden gehoord.Baäl 20Op die dag sluit ik voor mijn kinderen een verbond met de dieren van het veld en met alles wat vliegt en kruipt. Ik maak een einde aan het geweld van boog en zwaard in hun land, zodat ze in rust en vrede kunnen leven. 21Ik zal je voorgoed tot mijn vrouw maken, ik zal je hecht aan mij verbinden, door liefde en ontferming.Lika Tov - Zusje, bruid 22Mijn vrouw zul je zijn, want ik beloof je trouw, en jij zult de HEER toegewijd zijn.

23Op die dag – spreekt de HEER –
zal ik antwoord geven.
Dan antwoord ik de hemel
en de hemel antwoordt de aarde,
24en de aarde geeft antwoord aan koren, olijfboom en wijnstok,
en zij antwoorden Jizreël,Onbekend - Stamboom der granen
25want het land zaai ik in met mijn volk.
Over Lo-Ruchama zal ik mij ontfermen,
Lo-Ammi noem ik weer mijn volk,
en dan antwoordt hij: ‘Mijn God.’

Hosea 3

Israëls liefde afgedwongen

Piet Wiegman - Biddende vrouw

1De HEER zei tegen mij: ‘Heb nogmaals een vrouw lief, een vrouw die ondanks de liefde van haar man toch overspelig is, net zoals de HEER de Israëlieten liefheeft hoewel zij zich op andere goden richten en uit zijn op de lekkernijen in hun tempels.’ 2Ik kocht zo’n vrouw voor de prijs van vijftien sjekel zilver en anderhalve ezelslast gerst. 3Ik zei tegen haar: ‘Je zult geruime tijd in huis moeten blijven, je zult geen overspel kunnen plegen en je met geen man inlaten. Ook ik zal niet met je slapen.’ 4Zo zullen de Israëlieten geruime tijd verstoken blijven van koning en leiders, van offers en gewijde stenen, van orakels en huisgoden.Terafim 5Dan zullen ze weer verlangen naar de HEER, hun God, en hun koning David; en uiteindelijk keren ze vol ontzag terug naar de HEER en zijn zegen.1. Gods liefde voor ontrouw IsraëlPiet Wiegman - Biddende vrouw

Hosea 4

Aanklacht tegen volk en priesters

Anoniem, Zuid Nederlands - De Kerk in verzoeking gebracht

1Luister naar de woorden van de HEER, Israëlieten! De HEER voert een geding tegen de inwoners van dit land, want ze kennen geen eerlijkheid meer en geen liefde, en met God zijn ze niet meer vertrouwd. 2Het is een en al meineed en bedrog, niets dan moord, diefstal en overspel; het ene bloedbad volgt op het andere. 3Daarom is het land in rouw gedompeld en bezwijken al zijn inwoners, mét de dieren van het veld en alles wat vliegt; zelfs de vissen in zee sterven uit.

4Maar laat niemand een aanklacht indienen en roep elkaar niet ter verantwoording. Tegen jou, priester, richt ik mijn aanklacht! 5Op klaarlichte dag zul je struikelen, en ’s nachts sleep je een profeet mee in je val. En je moeder zal ik laten omkomen. 6Mijn volk komt om doordat het met mij niet vertrouwd is. Jij wilde het niet met mij vertrouwd maken, daarom wil ik niets meer met jou te maken hebben: je zult mij niet meer als priester dienen. Jij hebt de wet van je God verwaarloosd, daarom zal ik jouw kinderen verwaarlozen. 7Hoe talrijker de priesters werden, des te meer zondigden ze tegen mij. Maar ik zal hun aanzien verruilen voor schande.Anoniem, Zuid Nederlands - De Kerk in verzoeking gebracht 8Ze teren op de zonden van mijn volk en hongeren naar nog meer.Truwanten 9Ik zal volk en priesters over één kam scheren: ik zal hun wangedrag bestraffen, hun misdaden zal ik vergelden. 10-11Ze zullen eten maar niet verzadigd raken, overspel plegen maar zich niet voortplanten. Want ze hebben de HEER verlaten en vereren nu ontucht en wijn, waardoor het verstand beneveld raakt.

12Mijn volk raadpleegt een stuk hout, uit stokjes lezen ze de toekomst af. Ze zijn bezeten van ontucht en keren zich af van hun God. 13Ze brengen offers op de bergtoppen en branden wierook op de heuvels en onder eik, populier en terebint, want in hun schaduw is het aangenaam. Vandaar dat jullie dochters overspel plegen en jullie schoondochters ontrouw zijn! 14Maar jullie dochters zal ik hun overspel niet aanrekenen, jullie schoondochters zal ik niet straffen voor hun ontrouw, want zelf gaan jullie met hoeren mee en brengen offers in gezelschap van tempelhoeren. Zo komt een volk zonder verstand ten val.

15Als jij zo trouweloos bent, Israël, maak dan Juda tenminste niet medeschuldig. Kom niet naar Gilgal, trek niet naar het goddeloze Betel, en zweer daar niet: ‘Zo waar de HEER leeft!’Jacobus Koelman - De Vruchteloose Bid-dagen van Nederlandt 16Israël verzet zich als een onwillige koe. Zou de HEER het dan willen weiden, als een lam in het vrije veld? 17Het volk van Efraïm heeft zich vergooid aan afgodsbeelden – laat het maar! 18Ze zijn hun kater nog niet kwijt of ze haasten zich al naar de hoeren. Zie hun hartstocht branden, hun vorsten zijn dol op schande.Theaterwerkplaats Ode - Hosea 19Maar een wervelstorm zal hen meesleuren. Met al dat offeren zullen ze bedrogen uitkomen.

Hosea 5

Oordeel over de leiders

Jheronimus Bosch - De zeven hoofdzonden en de vier uitersten
Anoniem - Het blazen op de ramshoorn
Onbekend - Man met trompet

1Luister, priesters! Hoor toe, oudsten van Israël! Leden van het hof, luister aandachtig! De rechtspraak is toch aan jullie toevertrouwd? Maar in Mispa hebben jullie mijn volk in de val gelokt, op de Tabor je netten voor hen uitgespreid; 2een diepe kuil van ontrouw hebben jullie gegraven. Maar ik zal jullie leren, allemaal! 3Ik kende Efraïm, Israël lag mij na aan het hart; maar nu is Efraïm overspelig geworden, Israël heeft zich besmeurd. 4Hun daden verhinderen hen terug te keren naar hun God: ze zijn bezeten van ontucht, waardoor de HEER een vreemde voor hen geworden is. 5Israëls hoogmoed zal tegen hemzelf getuigen, Efraïm komt door zijn wandaden ten val; zelfs Juda wordt in zijn val meegesleept.Jheronimus Bosch - De zeven hoofdzonden en de vier uitersten 6Als ze dan met hun schapen, geiten en runderen op weg gaan om de HEER te zoeken, zullen ze hem niet vinden: hij zal zich voor hen verborgen houden. 7Ze zijn de HEER ontrouw geweest en hebben bastaardkinderen voortgebracht. Maar vóór nieuwemaan worden ze met hun akkers verslonden.


8Blaas de ramshoorn in Gibea, steek de trompet in Rama, sla alarm in Betel: ‘Te wapen, Benjamin!’Anoniem - Het blazen op de ramshoornOnbekend - Man met trompet 9Efraïm zal een schrikbeeld worden als de dag van de vergelding komt; wat ik over de stammen van Israël afkondig is onafwendbaar. 10Nu al stillen de Judese bevelhebbers hun landhonger. Maar ik stort mijn woede als een vloed over hen uit. 11Efraïm wordt verdrukt en het recht wordt verkracht, omdat het volk onverstoorbaar achter machten van niets aan liep. 12Als een etterwond ben ik voor Efraïm, voor het volk van Juda als beenrot. 13Toen Efraïm merkte hoe ziek het was, en Juda zijn zwerende wonden zag, wendde Efraïm zich tot Assyrië om hulp te zoeken bij koning Kemphaan. Maar die kan geen genezing brengen, die heeft geen middel tegen hun kwalen. 14Want ik ben het die Efraïm aanvalt als een leeuw, als een sterke leeuw keer ik mij tegen het volk van Juda: ikzelf zal hen verscheuren, ik zal hen wegslepen, en niemand die hen redden kan. 15Ik ga terug naar de plaats waar ik woon, totdat ze voor hun daden geboet hebben en mij weer gaan zoeken. Door de nood gedreven zullen ze weer naar mij vragen.