Inhoudsopgave Judit Volgende 5 hoofdstukken

Judit > Hoofdstuk 1 - 5

Judit 1

Nebukadnessars gezag uitgedaagd en bevestigd

Nicolaes Braue - Judit

1Deze geschiedenis begint in het twaalfde jaar van het koningschap van Nebukadnessar, die in de grote stad Nineve regeerde over de Assyriërs, in dezelfde tijd dat Arpachsad in Ekbatana regeerde over de Meden.Listige vrouwenJezuïetendrama rond JuditNicolaes Braue - Judit 2Deze Arpachsad had rond Ekbatana een muur opgetrokken van gehouwen stenen, die drie el breed en zes el lang waren. Zeventig el hoog had hij hem laten maken en vijftig el breed, 3en naast de poorten had hij torens van honderd el laten zetten, op fundamenten van zestig el breed. 4De poorten zelf waren maar liefst zeventig el hoog en veertig el breed, met het oog op het uitrukken van het keurkorps van helden en het opstellen van zijn voetvolk.

5In dat jaar bond koning Nebukadnessar de strijd aan met koning Arpachsad in de grote vlakte die in het gebied van Ragau ligt. 6Alle bewoners van het bergland sloten zich bij hem aan, evenals degenen die aan de Eufraat, de Tigris en de Hydaspes woonden, en de bewoners van de vlakte waarover Arjoch, de koning van de Elymeeërs, heerste. Zo stelden vele volken zich met de Cheleüdieten op voor de strijd.

7Nebukadnessar, de koning van de Assyriërs, stuurde gezanten naar de inwoners van Perzië en naar iedereen die in het westen woonde: de bevolking van Cilicië, Damascus, de Libanon en de Anti-Libanon en alle bewoners van de kuststreek, 8de bevolking van de Karmel, van Gilead, Boven-Galilea en de grote vlakte van Esdrelon, 9de mensen in Samaria en de steden daar, de bewoners van het gebied aan de overkant van de Jordaan tot aan Jeruzalem, Batane, Chelus, Kades en de rivier van Egypte, de bevolking van Dafne, Rameses en het hele land Gosen 10tot voorbij Tanis en Memfis, en alle inwoners van Egypte tot aan de grens met Ethiopië. 11Maar de bevolking van dat hele gebied lachte om de oproep van Nebukadnessar, de koning van de Assyriërs, om met hem ten strijde te trekken, want ze hadden geen ontzag voor hem: ze beschouwden hem als een gewoon mens. Ze stuurden zijn gezanten met lege handen terug, overladen met schande. 12Toen ontstak Nebukadnessar in hevige woede tegen die volken. Hij zwoer bij zijn troon en zijn koninkrijk zich op het hele gebied van Cilicië, Damascus en Syrië te zullen wreken, en alle inwoners van Moab en Ammon en van heel Judea en Egypte tot aan het gebied van de twee zeeën uit te roeien.

13In het zeventiende jaar van zijn regering trok hij met zijn leger ten strijde tegen koning Arpachsad en behaalde de overwinning. Hij sloeg het hele leger van Arpachsad en al zijn ruiters en zijn strijdwagens uiteen. 14Hij nam zijn steden in bezit en stootte door tot Ekbatana, waar hij de torens veroverde en de straten plunderde; zo maakte hij dit sieraad tot een voorwerp van spot. 15Arpachsad zelf nam hij gevangen in de bergen van Ragau; hij doodde hem met zijn speer en maakte zo voorgoed een einde aan zijn heerschappij. 16Daarna keerde hij met al zijn troepen, een onafzienbare legermacht, terug naar Nineve, waar hij zich met zijn leger overgaf aan uitbundige feesten, honderdtwintig dagen lang.

Judit 2

Nebukadnessars wraak

Azor meesters - Holofernes steekt een stad in brand

1In het achttiende jaar, op de tweeëntwintigste dag van de eerste maand, werd in het paleis van Nebukadnessar, de koning van de Assyriërs, het bevel uitgevaardigd dat er wraak genomen moest worden op de hele wereld, zoals hij aangekondigd had. 2Hij riep al zijn dienaren en zijn edelen bijeen en bracht hen van zijn geheime besluit op de hoogte: hij sprak het vonnis uit dat hij over de hele wereld had geveld. 3Zij deelden zijn opvatting dat iedereen die geen gevolg had gegeven aan zijn oproep, uitgeroeid moest worden.

4Nadat Nebukadnessar, de koning van de Assyriërs, zijn besluit bekrachtigd had, ontbood hij Holofernes, de opperbevelhebber van zijn leger en tweede man in zijn rijk. Hij zei tegen hem: 5‘Dit zegt de grote koning, de heer van de hele aarde: Trek weg van hier, en neem ervaren soldaten met u mee, honderdtwintigduizend man voetvolk en twaalfduizend ruiters met hun paarden. 6Trek op tegen de volken in het westen, want ze hebben aan mijn oproep geen gehoor gegeven. 7Zeg hun uit mijn naam dat ze ten teken van overgave aarde en water gereedmaken, want in mijn woede zal ik tegen hen optrekken en met mijn legermacht heel hun gebied onder de voet lopen en plunderen. 8Ravijnen en bergstromen zullen zich met hun gewonden vullen, rivieren boordevol doden buiten hun oevers treden, 9en de gevangenen zal ik wegvoeren naar de uiteinden van de aarde. 10Trek erop uit en bezet hun hele gebied voor mij. Degenen die zich aan u overgeven, moet u sparen tot de dag komt dat ik hen zal straffen. 11Maar degenen die zich blijven verzetten, mag u niet ontzien: u moet hen in het hele gebied prijsgeven aan dood en plundering. 12Zo waar ik leef en bij de macht van mijn koningschap: ik heb gesproken en ik zal het ten uitvoer brengen. 13Wat u aangaat: laat niets na van hetgeen uw heer u geboden heeft, maar voer alles volledig en zonder aarzelen uit zoals ik heb bevolen.’

14Holofernes verliet het hof van zijn heer. Hij riep alle vorsten, veldheren en oversten van het Assyrische leger bijeen, 15rekruteerde overeenkomstig het bevel van zijn heer honderdtwintigduizend man voor zijn keurtroepen en twaalfduizend boogschutters te paard, 16en stelde hen op zoals dat bij een grote strijdmacht gebruikelijk is. 17Voor het vervoer van hun uitrusting zette hij een zeer groot aantal kamelen, ezels en muilezels in. Verder nam hij ontelbare schapen, runderen en geiten mee om alle soldaten te voeden, 18naast een grote hoeveelheid andere proviand en zeer veel goud en zilver uit het koninklijk paleis. 19Toen trok Holofernes aan het hoofd van zijn legermacht op om, voor koning Nebukadnessar uit, het hele westelijke gebied te bedelven onder zijn strijdwagens, zijn ruiters en zijn beste voetvolk. 20Er trok een ongeregelde menigte met hen mee, zo talrijk als een zwerm sprinkhanen en als zandkorrels op de aarde, een menigte die niet te tellen was.

21Vanuit Nineve trokken ze drie dagmarsen in de richting van de vlakte van Bektilet. Op enige afstand van Bektilet legerden ze zich bij het gebergte ten noorden van Boven-Cilicië. 22Van daar trok hij met zijn hele legermacht – voetvolk, ruiters en strijdwagens – het gebergte in. 23Hij brak door de gelederen van Put en Lud en plunderde alle Rassieten en Ismaëlieten die aan de rand van de woestijn ten zuiden van Cheleon woonden. 24Daarna stak hij de Eufraat over, trok door Mesopotamië en maakte alle versterkte steden aan de rivier de Abrona tot aan zee met de grond gelijk. 25Hij bezette het gebied van Cilicië, slachtte iedereen die verzet bood af en trok verder tot aan het gebied van Jafet in het zuiden, aan de grens met Arabië. 26Hij omsingelde de Midjanieten, stak hun tenten in brand en plunderde hun schaapskooien. 27Daarna daalde hij af naar de vlakte van Damascus, ten tijde van de tarweoogst. Hij liet daar alle akkers platbranden en de veestapel vernietigen. Hij plunderde de steden, verwoestte de velden en bracht alle jongemannen om.Azor meesters - Holofernes steekt een stad in brand


28Angst en ontzetting maakten zich meester van de bewoners van de kuststreek: de hele bevolking van Sidon en Tyrus, van Sur, Okina en Jemnaä, van Azotus en Askelon verkeerde in doodsangst voor Holofernes.

Judit 3

1Ze stuurden gezanten naar hem toe met deze vredegroet: 2‘Wij, dienaren van Nebukadnessar, de grote koning, liggen hier in onderwerping voor u. Doe met ons zoals het u behaagt. 3Onze nederzettingen, al onze dorpen, onze korenvelden, onze veestapel, de schaapskooien bij onze tenten, dat alles is u onderworpen. Doe ermee wat u wilt. 4Onze steden en hun inwoners staan tot uw beschikking. Kom er uw intocht houden zoals het u behaagt.’ 5Bij Holofernes aangekomen brachten de mannen hem deze woorden over.

6Daarop trok hij met zijn leger naar de kuststreek. Hij bezette de versterkte steden en lijfde er dappere strijders bij zijn hulptroepen in. 7Hij werd daar en in de wijde omtrek onthaald met kransen, dans en tromgeroffel. 8Hij haalde hun grensstenen omver en velde de bossen die aan hun goden gewijd waren, want hem was de macht verleend alle inheemse goden te vernietigen, opdat alle volken alleen Nebukadnessar zouden dienen en alle mensen hem als god zouden aanroepen.

9Holofernes trok verder naar Esdrelon, nabij Dotea, aan de voet van de grote bergketen van Judea. 10Hij legerde zich tussen Gebe en Skythopolis en bleef daar een maand lang om de hele uitrusting van zijn leger in orde te brengen.1. De dreiging van Nebukadnessar

Judit 4

Alarm in Judea en Jeruzalem

Azor meesters - De Israëlieten bedekken het altaar met hun boetekleed en bidden tot God.

1De Israëlieten die in Judea woonden, hoorden wat Holofernes, de opperbevelhebber van Nebukadnessar, de koning van de Assyriërs, de andere volken had aangedaan, en hoe hij al hun heilige plaatsen had geplunderd en aan de vernietiging had prijsgegeven. 2Ze werden door grote angst voor hem bevangen en maakten zich ernstig zorgen over Jeruzalem en de tempel van de Heer, hun God. 3Want het was nog maar kort geleden dat ze uit de ballingschap waren teruggekeerd en dat het hele volk van Judea was herenigd. Het tempelgerei, het altaar en de tempel zelf, die ontheiligd waren geweest, waren pas onlangs opnieuw gewijd.

4Daarom stuurden ze gezanten naar het gebied van Samaria, naar Kona, Bet-Choron, Belmaïn en Jericho, naar Choba, Esora en het dal van Salem. 5Onmiddellijk werden alle hoge bergtoppen bezet en de bergdorpen ommuurd; ter voorbereiding op een belegering werden voedselvoorraden aangelegd. Kort tevoren was de oogst binnengehaald.

6Jojakim, die in die tijd hogepriester in Jeruzalem was, schreef een brief aan de inwoners van Betulia en Betomestaïm, dat aan de andere kant van de vlakte van Dotan ligt, tegenover Esdrelon, 7met de opdracht de bergpassen te bezetten. Die vormden de toegang tot Judea, en omdat elke pas zo nauw was dat er hoogstens twee man tegelijk door konden, zou het eenvoudig zijn de vijand de toegang te beletten. 8De Israëlieten deden wat hun werd opgedragen door de hogepriester Jojakim en de raad van oudsten van heel het volk van Israël, die in Jeruzalem zetelde.

9Alle Israëlieten riepen onophoudelijk God aan en deden boete door volhardend te vasten. 10Mannen en vrouwen, hun kinderen en hun vee, de vreemdelingen, de dagloners en de slaven, allen hulden zich in een boetekleed.In zak en as zitten 11Ook alle Israëlitische mannen, vrouwen en kinderen die in Jeruzalem woonden, wierpen zich voor de tempel ter aarde en gooiden stof over hun hoofd. Ze spreidden ten overstaan van de Heer hun boetekleed uit; 12ook bedekten ze het altaar met een boetekleed. Als uit één mond riepen ze onophoudelijk de God van Israël aan, dat hij toch zou verhinderen dat hun kinderen zouden worden geroofd en hun vrouwen buitgemaakt, dat de steden die hun toebehoorden zouden worden verwoest en het heiligdom ontwijd, prijsgegeven aan de spot en hoon van de andere volken.Azor meesters - De Israëlieten bedekken het altaar met hun boetekleed en bidden tot God. 13En de Heer hoorde hun gebed en zag hun nood.

De hele bevolking van Judea en Jeruzalem vastte dagenlang voor het heiligdom van de almachtige Heer. 14De hogepriester Jojakim en alle dienstdoende priesters en tempeldienaars van de Heer droegen, gehuld in een boetekleed, al die tijd het dagelijks brandoffer op, evenals de gelofteoffers en de vrijwillige gaven van het volk, 15en met stof op hun tulband riepen ze uit alle macht de Heer aan, dat hij zich toch het lot van heel het volk van Israël zou aantrekken.

Judit 5

Rumoer rond Achior

Azor meesters - Achior vertelt Holofernes de geschiedenis van het Israëlietische volk

1Aan Holofernes, de opperbevelhebber van het Assyrische leger, werd gemeld dat de Israëlieten zich op een aanval hadden voorbereid: ze hadden de bergpassen afgesloten, versterkingen aangebracht op alle hoge bergtoppen en in de vlakten hindernissen opgeworpen. 2Holofernes raakte buiten zichzelf van woede. Hij ontbood alle leiders van Moab, de veldheren van Ammon en alle satrapen van het kustgebied 3en zei tegen hen: ‘Mannen van Kanaän, vertel mij, wat is dat voor een volk daar in de bergen? In wat voor steden wonen ze? Hoe groot is hun leger? Waarop berust hun kracht en macht? Wie is hun koning, wie voert hun leger aan? 4En hoe wagen ze het mij niet te ontvangen zoals alle andere bewoners van het westen?’

5Toen nam Achior, de aanvoerder van de Ammonieten, het woord: ‘Heer, sta uw dienaar toe iets te zeggen. Laat mij u naar waarheid inlichten over het volk dat niet ver van hier in de bergen woont; geen leugen zal over mijn lippen komen.Vrees voor het uitverkoren volkAzor meesters - Achior vertelt Holofernes de geschiedenis van het Israëlietische volk

6Het zijn afstammelingen van de Chaldeeën, 7maar ze komen uit Mesopotamië, waar ze indertijd als vreemdelingen hebben gewoond omdat ze geen volgelingen wilden zijn van de goden van hun voorouders in het land van de Chaldeeën. 8Ze weken af van de weg van hun voorouders en aanbaden de God van de hemel, de God die ze waren gaan erkennen. Daarom werden ze door de Chaldeeën verdreven, bij hun goden vandaan; ze vluchtten naar Mesopotamië en woonden daar lange tijd als vreemdelingen. 9Toen gaf hun God opdracht uit het vreemde land te vertrekken en naar Kanaän te gaan. Daar vestigden ze zich en verwierven veel goud en zilver en zeer veel vee. 10Maar toen Kanaän gebukt ging onder een zware hongersnood, trokken ze weg naar Egypte, waar ze als vreemdelingen woonden zolang ze daar te eten hadden. Ze breidden zich uit tot een volk dat niet meer te tellen was. 11Daarom keerde de koning van Egypte zich tegen hen en trof een sluwe maatregel: hij liet hen dwangarbeid verrichten in steenbakkerijen; zo werden ze vernederd en tot slaven gemaakt. 12Toen riepen ze hun God om hulp, en die trof heel Egypte met plagen waartegen niets bestand was; daarom verdreven de Egyptenaren hen uit hun land. 13Diezelfde God legde voor hen de Rode Zee droog 14en leidde hen naar de Sinai en Kades-Barnea. Ze verdreven alle woestijnbewoners 15en gingen in het land van de Amorieten wonen. Ook roeiden ze, machtig als ze waren, alle Chesbonieten uit. En na de Jordaan te zijn overgestoken, namen ze het hele bergland in bezit 16en verdreven de Kanaänieten, Perizzieten, Jebusieten, Sichemieten en Girgasieten uit dat land, om zich er voor lange tijd te vestigen. 17Zolang ze niet zondigden tegen hun God was het geluk met hen, want ze worden bijgestaan door een God die onrecht verafschuwt. 18Maar toen ze de weg verlieten die hij voor hen had bepaald, werden ze in tal van oorlogen verpletterend verslagen en ten slotte in ballingschap weggevoerd naar een vreemd land. De tempel van hun God werd tot de grond toe afgebroken en hun steden werden door hun vijanden ingenomen. 19Maar ze zijn naar hun God teruggekeerd en nu zijn ze uit hun ballingsoord teruggekomen. Ze hebben Jeruzalem, waar hun heiligdom is, in bezit genomen en zich weer gevestigd in het bergland dat ze verlaten hadden.

20Welnu, machtige heer, als dit volk dwaasheden begaat en zondigt tegen zijn God, dan zullen wij zorgen dat zij daardoor ten val komen: wij zullen tegen hen optrekken en strijd voeren. 21Maar als ze de wet van hun God niet overtreden, laat hen dan met rust, heer, anders zal hun Heer en God hen beschermen en ons tot een mikpunt van spot voor de hele wereld maken.’

22Toen Achior uitgesproken was, begon iedereen rond de tent te protesteren, en Holofernes’ edelen en de bewoners van het kustgebied en van Moab riepen dat hij een afranseling verdiende. 23‘Wij laten ons toch geen angst aanjagen door die Israëlieten? Zij missen toch ten enenmale de kracht voor een veldslag? 24Daarom: eropaf! Ze zullen voor uw leger een makkelijke prooi zijn, machtige Holofernes!’