Inhoudsopgave Jeremia Volgende 5 hoofdstukken

Jeremia > Hoofdstuk 1 - 5

Jeremia 1

Pieter Paul Rubens - De profeet Jeremia
Pieter Hendriksz. Schut - Jesaja, Jeremia en Ezechiël
Pierre Joseph Hubert Cuypers - Jeremia

1Hier volgen de woorden van Jeremia, de zoon van Chilkia, afkomstig uit een priestergeslacht uit Anatot in het gebied van Benjamin.Rubens in ItaliëJeremiaPieter Paul Rubens - De profeet JeremiaPieter Hendriksz. Schut - Jesaja, Jeremia en EzechiëlPierre Joseph Hubert Cuypers - Jeremia 2De HEER richtte zich tot hem in het dertiende jaar dat koning Josia, de zoon van Amon, over Juda regeerde. 3Ook sprak hij tot hem tijdens de regering van koning Jojakim, de zoon van Josia, en in de jaren daarna, tot het einde van het elfde regeringsjaar van Sedekia, de zoon van Josia. In de vijfde maand van dat jaar werd Jeruzalem in ballingschap gevoerd.

Jeremia geroepen

Onbekend - Amygdalus communis (amandelboom)

4De HEER richtte zich tot mij: 5‘Voordat ik je vormde in de moederschoot, had ik je al uitgekozen, voordat je de moederschoot verliet, had ik je al aan mij gewijd, je een profeet voor alle volken gemaakt.’ 6Ik riep: ‘Nee, HEER, mijn God! Ik kan het woord niet voeren, ik ben te jong.’Jan H. de Groot - Jeremia 7Maar de HEER antwoordde: ‘Zeg niet: “Ik ben te jong.” Richt je tot iedereen naar wie ik je zend en zeg alles wat ik je opdraag. 8Wees voor niemand bang, want ik zal je ter zijde staan en je redden – spreekt de HEER.’ 9En de HEER strekte zijn hand uit, raakte mijn mond aan en zei tegen mij: ‘Hiermee leg ik mijn woorden in jouw mond. 10Nu, op deze dag, geef ik je gezag over alle koninkrijken en volken, om ze uit te rukken en te verwoesten, om ze te vernietigen en af te breken, op te bouwen en te planten.’


11De HEER richtte zich tot mij: ‘Wat zie je, Jeremia?’ Ik antwoordde: ‘Ik zie een amandeltwijg.’ 12‘Dat zie je goed,’ zei de HEER, ‘zo snel als een amandelboom in het voorjaar uitbot, zo snel laat ik mijn woorden uitkomen.’Onbekend - Amygdalus communis (amandelboom)

13De HEER richtte zich opnieuw tot mij: ‘Wat zie je?’ Ik zei: ‘Ik zie een gloeiend hete kookpot die vanuit het noorden overhelt.’ 14De HEER zei: ‘Vanuit het noorden zal onheil over alle inwoners van dit land worden uitgestort. 15Ik roep de volken van alle koninkrijken uit het noorden op – spreekt de HEER. Ze zullen dit land binnenvallen en hun tronen voor de poorten van Jeruzalem zetten, rondom de muren en om alle andere steden van Juda. 16Ik zal het volk vonnissen voor al het kwaad dat het heeft gedaan. Ze hebben mij verlaten, wierook gebrand voor andere goden en geknield voor wat ze zelf gemaakt hebben. 17Jij, Jeremia, maak je gereed en zeg hun alles wat ik je opdraag. Laat je door hen geen angst aanjagen, anders zal ik jou angst aanjagen in hun bijzijn.Zich de lendenen omgorden 18Ik maak je nu tot een vestingstad en een ijzeren zuil, tot een bronzen muur om stand te houden tegen het hele land: de koningen en leiders van Juda, de priesters en het volk. 19Ze zullen je bestrijden, maar niet verslaan, want ik zal je ter zijde staan en je redden – spreekt de HEER.’

Jeremia 2

Ontrouw van Israël en Juda

Hendrik van Wieringen - De bruidegom komt, ag! dat de fluisterende Maagden
Jan Luyken - De Wyngaard

1De HEER richtte zich tot mij:


2‘Roep Jeruzalem toe: Dit zegt de HEER:
Ik weet nog hoe je me liefhad in je jeugd,
van me hield als mijn bruid,
hoe je me volgde door de woestijn,
dat land waar niet wordt gezaaid.God als echtgenootHendrik van Wieringen - De bruidegom komt, ag! dat de fluisterende Maagden
3Israël is aan de HEER gewijd,
het is de eerste vrucht van zijn oogst.
Wie het verslindt, laadt schuld op zich,
hij wordt door onheil getroffen
– spreekt de HEER.

4Luister naar de woorden van de HEER,
volk van Jakob.
Stammen van Israël, luister allemaal!
5Dit zegt de HEER:
Welk onrecht heb ik jullie voorouders gedaan
dat ze mij hebben verlaten,
dat ze achter nietige goden aan liepen
en zelf nietswaardig werden?
6Zij zeiden niet:
“Waar is de HEER,
die ons uit Egypte heeft bevrijd,
die ons heeft geleid door de woestijn,
door een land van steppen en ravijnen,
een land zo dor en duister,
een land waar niemand doorheen trekt,
waar geen mensen wonen.”Het exodusmotief in het Oude Testament
7Ik leidde jullie naar een land vol boomgaarden,
een rijke oogst aan vruchten wachtte jullie daar.
Jullie kwamen er – en bezoedelden mijn bezit,
mijn eigen land werd mij een gruwel.
8De priesters zeiden niet:
“Waar is de HEER?”
De hoeders van de wetten kenden mij niet.
De herders kwamen tegen mij in opstand.
De profeten lieten zich door Baäl leiden
en liepen achter goden aan
van wie geen hulp was te verwachten.Baäl
9Daarom klaag ik jullie nogmaals aan,
en de kinderen van je kinderen klaag ik aan
– spreekt de HEER.
10Ga naar de Griekse eilanden, vraag na,
trek naar Kedar, onderzoek:
is zoiets ooit gebeurd,
11heeft ooit een volk zijn goden ingeruild?
En goden zijn het nog niet eens!
Maar mijn volk heeft zijn eer verruild
voor iets dat geen hulp bieden kan.
12Hemel, wees ontzet!
Huiver, sidder en beef!
– spreekt de HEER.
13Twee wandaden heeft mijn volk begaan:
het heeft mij verlaten, de bron van levend water,
en het heeft waterkelders uitgehouwen,
kelders vol scheuren, waarin het water niet blijft staan.

14Is Israël een knecht,
is het soms als slaaf geboren?
Waarom is het dan een weerloze prooi?
15Leeuwen briesen ertegen,
heffen een machtig gebrul aan.
Ze maken van het land een woestenij,
de steden zijn verwoest, ontvolkt.
16Manschappen uit Memfis en Dafne
stropen je heuvels kaal.
17Je hebt het aan jezelf te wijten,
je hebt de HEER, je God, verlaten toen hij je leidde op je weg.
18Nu dan, waarom ga je naar Egypte,
wil je water drinken uit de Nijl?
Waarom ga je naar Assyrië,
wil je water drinken uit de Eufraat?
19Je eigen kwaad zal je straffen,
je eigen ontrouw keert zich tegen je.
Weet wel: doordat je mij verlaten hebt,
voor mij geen ontzag meer hebt,
loopt het jammerlijk met je af
– spreekt de HEER, de God van de hemelse machten.HEERE der heirscharen
20Je brak je juk steeds weer in stukken,
rukte je riemen los
en zei: “Ik wil niet dienstbaar zijn.”
Maar op elke hoge heuvel,
onder elke bladerrijke boom,
lag je als een hoer te wachten.Het juk verbreken
21Ik heb je geplant als een edele druif, een prachtige stek,
maar wat ben je geworden?
Een verwilderde wijnstok, woekerende ranken!Emblemata van Jan LuykenJan Luyken - De Wyngaard
22Ook al was je je kleren met zeep,
en met een overvloed aan loog,
je schandvlek blijf ik zien
– spreekt God, de HEER.Wacht u voor de getekenden
23Hoe kun je zeggen:
“Ik heb me niet besmeurd,
ik liep niet achter de Baäls aan”?
Kijk eens naar het Hinnomdal,
besef wat je daar doet.
Je bent een rusteloze kameel,
die hitsig heen en weer rent,Kinderoffers en Moloch
24een wilde ezelin, thuis in de woestijn,
die elke ezel ruikt, tochtig als ze is.
Wie kan haar drift aan banden leggen?
Geen ezel hoeft moeite te doen,
bronstig als ze is, laat ze zich makkelijk vinden.
25Loop je voeten niet stuk,
bespaar jezelf een dorstige keel.
Maar jij zegt: “Laat me begaan,
ik heb die andere goden lief,
hen wil ik volgen.”
26Zoals een betrapte dief te schande staat,
zo staat het volk van Israël te schande,
de koningen en leiders,
de priesters en profeten.
27Ze zeggen tegen een blok hout:
“U bent onze vader,”
tegen een stuk steen:
“U hebt ons gebaard.”
Ze hebben mij de rug toegekeerd,
ze kijken mij niet langer aan.
Maar als ze in nood zijn, roepen ze:
“Kom toch, red ons!”
28Waar zijn dan je goden,
die jullie zelf gemaakt hebben?
Die moeten je maar redden uit je nood.
Je hebt toch, Juda, evenveel goden als steden?
29Waarom klagen jullie míj aan?
Jullie kwamen zelf in opstand tegen mij
– spreekt de HEER.
30Ik heb jullie kinderen gestraft;
vergeefs, ze hebben niets geleerd.
Jullie zwaard verslond je profeten,
als een verscheurende leeuw.
31Let op de woorden van de HEER, Israël!
Was ik voor jullie een woestijn,
of een land vol duisternis?
Waarom zegt mijn volk:
“Wij willen niet gebonden zijn,
wij komen niet meer naar u toe”?
32Zal een meisje haar sieraden vergeten,
of een bruid haar tooi?
Maar mijn volk is mij sinds jaar en dag vergeten.
33Hoe goed ken je de weg naar je minnaars,
zelfs verdorven vrouwen kunnen nog iets van je leren.
34En bovendien, je kleren zijn besmeurd
met het bloed van arme, onschuldige mensen,
niet van inbrekers, op heterdaad betrapt.
35En je durft ook nog te zeggen:
“Maar ik ben onschuldig,
Gods toorn gaat voorbij.”
Omdat je zegt: “Ik heb niet gezondigd,”
daarom klaag ik je aan.
36Hoe snel sla jij een andere weg in.
Met Assyrië ben je bedrogen uitgekomen,
met Egypte overkomt je dat ook.
37Ook Egypte zul je verlaten,
ontredderd, met je handen op je hoofd.
Want de HEER heeft verstoten op wie je vertrouwde,
steun bieden ze niet meer.’

Jeremia 3

Oproep om terug te keren naar de HEER

Tony van de Vorst - Lilith
Onbekend - Jeremia

1De HEER sprak: ‘Als een man van zijn vrouw scheidt en zij bij hem weggaat en de vrouw van een ander wordt, kan hij haar dan terugnemen? Wordt er dan geen smet op het land geworpen? Maar jij hebt met talloze minnaars overspel gepleegd, en je wilt toch weer bij me terugkomen? – spreekt de HEER.God als echtgenoot

2Kijk naar de kale heuvels,
waar ben je níet beslapen?
Je wachtte je minnaars op langs de weg,
zoals een rover wacht in de woestijn.
Je hebt dit land besmeurd
met je overspel, je schandelijk gedrag.Tony van de Vorst - Lilith
3Daarom bleven de regens uit,
is de lenteregen niet gekomen.
Toch hield je de brutale blik van een hoer,
je toonde geen enkele schaamte.
4Maar nú roep je mij aan.
Je zegt “vader” tegen mij, en zegt:
“U bent de geliefde van mijn jeugd,
5uw woede gaat voorbij,
niet eeuwig duurt uw toorn.”
Zo spreek je, maar onverdroten ga je voort,
je blijft je schanddaden begaan.’

6Tijdens de regering van koning Josia zei de HEER tegen mij: ‘Heb je gezien hoe ontrouw Israël mij geworden is? Ze pleegde overspel op elke hoge berg en onder elke bladerrijke boom. 7Ik dacht: Als ze van dat alles genoeg heeft, komt ze wel bij me terug. Maar ze kwam niet terug. Haar afvallige zuster Juda zag 8dat ik ontrouw Israël verstoten had en haar een scheidingsbrief gegeven had, juist omdat ze overspel had gepleegd. Maar toch liet afvallig Juda zich daardoor niet afschrikken, ze pleegde zelf ook overspel. 9En door haar lichtzinnig overspel met goden van steen en hout wierp ze een smet op dit land. 10Daarna kwam Israëls afvallige zuster Juda wel bij me terug, maar ze was niet oprecht, ze kwam met loze woorden – spreekt de HEER.’ 11De HEER vervolgde: ‘Ontrouw Israël is nog rechtvaardig in vergelijking met afvallig Juda.

12Roep tegen het noorden:
Kom terug, ontrouw Israël – spreekt de HEER –,
dan zal ik mijn woede laten varen,
want ik ben vol genade,
niet eeuwig duurt mijn toorn
– spreekt de HEER.
13Erken alleen dat je schuldig bent,
tegen de HEER, je God, in opstand bent gekomen,
dat je overal op zoek ging naar andere goden,
onder elke bladerrijke boom,
dat je niet naar mij geluisterd hebt
– spreekt de HEER.

14Kom terug, ontrouwe kinderen – spreekt de HEER –, want jullie behoren mij toe. Ik zal één van jullie uit elke stad nemen en twee van jullie uit elke familie, en jullie naar Sion brengen. 15Ik zal jullie herders naar mijn hart geven, en die zullen jullie met wijsheid en inzicht weiden. 16En als jullie in die tijd in aantal toenemen en dit land weer zullen bevolken, zal niemand meer over de ark van het verbond met de HEER spreken. Die komt in niemands gedachten op, hij wordt niet meer genoemd of gemist, en wordt niet opnieuw gemaakt. 17In die tijd zal men Jeruzalem “Troon van de HEER” noemen. Alle volken zullen er samenstromen, ze zullen op de naam van de HEER afkomen en zich niet meer laten leiden door hun koppig en boosaardig hart. 18In die tijd zal Juda zich bij Israël voegen, en samen zullen ze uit het noorden naar dit land komen, dat ik hun voorouders in bezit heb gegeven.

19Ik dacht: Hoe kan ik je een plaats tussen mijn kinderen geven
en je een begeerlijk land schenken,
een sieraad voor de hele wereld?
En ik dacht: Jullie zullen “vader” tegen mij zeggen,
jullie keren je niet van mij af.Onbekend - Jeremia
20Maar nee, zoals een vrouw die haar man bedriegt,
zo heb jij mij bedrogen, volk van Israël!
– spreekt de HEER.
21Een stem klinkt over de kale heuvels:
Israël smeekt en weent.
Het is een verdorven weg gegaan,
is de HEER, zijn God, vergeten.
22Kom terug, afvallige kinderen,
ik zal jullie genezen van je ontrouw.
Dan zullen jullie zeggen:
“Hier zijn we, wij komen bij u terug,
want u bent de HEER, onze God.
23Het is waar, de heuvels zijn een leugen,
de bergen een holle klank.
Het is alleen de HEER, onze God,
die Israël de overwinning geeft.
24Zolang ons volk bestaat,
heeft de god van de schande
het bezit van onze voorouders verslonden,
hun schapen, geiten en runderen,
hun zonen en dochters.
25Laten we ons neerwerpen in schande,
laat schaamte ons bedekken.
Tegen de HEER, onze God,
hebben wij en onze voorouders gezondigd,
vanaf onze jeugd, tot op de dag van vandaag.
Wij hebben niet geluisterd naar de HEER, onze God.”Boetpsalmen

Jeremia 4

1Israël, wanneer je op je schreden terugkeert,
keer dan terug naar mij – spreekt de HEER.
Heb je die afgodsbeelden weggedaan,
zwerf dan niet langer rond,
2maar zweer waarachtig, eerlijk en oprecht:
“Zo waar de HEER leeft.”
ze zullen zich met Israël gelukkig prijzen.
3Want dit zegt de HEER tegen Juda en Jeruzalem:
Ontgin nieuw land,
en zaai niet tussen de dorens.Onder doornen en distelen zaaien
4Laat je besnijden voor de HEER,
ontdoe je van de voorhuid van je hart,
inwoners van Juda en Jeruzalem.
Anders slaat zijn toorn uit als een vuur,
een brand die niet te blussen is,
vanwege jullie kwalijke praktijken.Besnijdenis

De vijand uit het noorden in aantocht

Hendrik van Wieringen - Des vijands wapenen zijn als de wervelwinden
Toneelgroep Amsterdam - Joop Admiraal als Jeremia
5Maak bekend in Juda,
laat horen in Jeruzalem, beveel:
“Blaas de ramshoorn in het land!”
Roep luid: “Verzamelen!
Verschans je in je vestingsteden.
6Wijs met de strijdvaan naar Sion!
Vlucht, blijf niet staan!”
Want ik breng onheil uit het noorden,
een grote ramp!
7Zoals een leeuw uit het struikgewas springt,
zo doemt een vernietiger van volken op,
rukt de vijand op uit zijn gebied.
Hij maakt je land tot een woestenij.
Je steden vallen in puin, worden ontvolkt.
8Hul je daarom in het zwart,
weeklaag, barst uit in jammerklachten.
Onstuitbaar is de brandende toorn van de HEER.Rouwen
9Op die dag – spreekt de HEER –
ontzinkt de koning en de leiders alle moed.
De priesters zijn ontzet,
de profeten verbijsterd.’
10Ik zei: ‘HEER, mijn God,
u hebt Jeruzalem en dit volk misleid:
wij zouden in vrede leven,
toch staat het zwaard ons op de keel!’
11‘Dan zeg ik Juda en Jeruzalem:
Vanuit de kale heuvels in de woestijn
waait een verzengende wind naar mijn volk.
Geen wind om het koren te wannen,
12ik stuur een woeste wind.
Nu, ja nú vel ik mijn oordeel over hen.
13Daar doemt de vijand op,
als een jagende wolk,
zijn wagens razen als een wervelwind,
zijn paarden gaan sneller dan adelaars.
“Wee ons! Het is met ons gedaan.”Hendrik van Wieringen - Des vijands wapenen zijn als de wervelwinden
14Jeruzalem, zuiver je hart van het kwaad,
dan alleen word je gered.
Hoe lang blijf je broeden op je kwalijke plannen!
15Een bode uit Dan brengt slechte tijding,
uit het bergland van Efraïm komt een onheilsbericht.
16Meld het de volken, maak Jeruzalem bekend:
Uit verre landen naderen belegeraars,
schreeuwend slaan ze het beleg voor Juda’s steden.
17Ze omsingelen Jeruzalem
als wachters een akker,
omdat het tegen mij in opstand kwam
– spreekt de HEER.
18Je wangedrag heeft dit teweeggebracht.
Het bittere kwaad dat je deed,
zette zich vast in je hart.’

19O bonzend hart! O razend hart!
Ik krimp ineen van pijn!
Ik kan niet zwijgen,
tot in mijn ziel voel ik het hoorngeschal,
hoor ik het krijgsgeschreeuw.Toneelgroep Amsterdam - Joop Admiraal als Jeremia
20Ramp op ramp wordt gemeld,
heel het land gaat te gronde.
Plotseling zijn mijn tenten vernield,
onverwacht mijn tentdoeken gescheurd.
21Hoe lang nog moet ik de strijdvaan zien,
de ramshoorn horen schallen?
22De HEER zegt: ‘Dwaas is mijn volk,
het is met mij niet vertrouwd.
Het zijn kinderen zonder verstand,
inzicht hebben ze niet.
Zij zijn wel wijs, maar in het kwaad;
tot het goede zijn ze niet in staat.’

ze was woest en doods.
Ik keek op naar de hemel,
er was geen licht.Jeremia in Drenthe
24Ik zag de bergen, ze beefden,
de heuvels, ze huiverden.
25Ik keek, er waren geen mensen,
alle vogels waren uit de lucht verdwenen.
26Ik keek, elke boomgaard was een woestijn,
alle steden waren verwoest –
door toedoen van de HEER,
door zijn brandende toorn.
27Want dit zegt de HEER:
‘Heel het land wordt een woestenij,
maar vernietigen zal ik het niet.
28Hierom zal de aarde rouwen,
de hemel boven zal in zwart gedompeld zijn,
omdat ik gesproken heb en dit besloten heb.
Ik volhard in mijn besluit, ik kom er niet op terug.’
29Voor de kreten van schutters en menners
slaat heel de stad op de vlucht.
Ze rennen de bossen in,
beklimmen de rotsen.
Heel de stad is verlaten,
niemand woont er nog.
30Jij, Juda, bent tot ondergang gedoemd,
wat wil je nu nog doen?
Al ga je gekleed in scharlaken,
al ben je met goud getooid,
al maak je je ogen op,
tevergeefs maak je je mooi.
Je wordt door je minnaars verworpen,
ze staan je naar het leven.
31Ik hoor een kreet van pijn,
als van een vrouw die de eerste keer baart.
Vrouwe Sion kreunt,
zij heft haar handen ten hemel:
‘Wee mij! Ik bezwijk in handen van moordenaars.’

Jeremia 5

Onrecht en dwaasheid in Juda

Dirck van Delen - Gerechtigheid verhoogt een volk
Pieter Bruegel de Oudere - Dulle Griet
1‘Zwerf door de straten van Jeruzalem,
vraag na, kijk om je heen,
zoek op de pleinen of er iemand is
die rechtvaardig handelt,
die naar eerlijkheid streeft,
dan zal ik Jeruzalem vergeven.Gerardjan Rijnders - Klaagliederen
2Als zij zweren: “Zo waar de HEER leeft,”
plegen zij niets dan meineed.’
3‘HEER, u wilt toch dat ze eerlijk zijn?
U sloeg hen, maar het raakte hen niet.
U bracht hen aan de rand van de afgrond,
zij weigerden van die straf te leren.
Zij gingen onverdroten voort
en weigerden terug te keren.
4Ik dacht: Het zijn maar eenvoudige mensen,
veel kennis hebben ze niet.
Zij weten niet wat de HEER van hen vraagt,
zijn niet bekend met het recht van hun God.
5Ik zal me tot hun leiders richten,
zij weten beslist wat de HEER van hen vraagt,
zij zijn bekend met het recht van hun God.
Maar ook zij hebben het juk gebroken,
hoog en laag heeft zijn riemen losgerukt.Dirck van Delen - Gerechtigheid verhoogt een volk
6Daarom werden ze gedood door leeuwen uit het bos,
verscheurd door wolven uit de steppe,
daarom loerden panters op hun steden.
Ieder die zich buiten waagde, werd verscheurd.
Niet te tellen zijn hun misdaden,
hun ontrouw bleek talloze malen.’
7‘Waarom zou ik jullie vergeven?
Jullie kinderen hebben mij verlaten,
zij zwoeren bij wat geen goden zijn.
Ik schonk hun overvloed,
maar zij pleegden overspel,
8Het zijn bronstige, hitsige hengsten,
ze hinniken allen naar andermans vrouw.
9Zou ik zo’n volk niet straffen?
– spreekt de HEER.
Zou ik mij niet wreken
op een volk dat zoiets doet?Jacobus Koelman - De Vruchteloose Bid-dagen van Nederlandt
10Bestorm de wijnterrassen, vertrap ze,
maar vernietig ze niet helemaal.
Ruk de ranken af,
ze behoren de HEER niet toe.
11Want Israël en Juda hebben mij bedrogen
– spreekt de HEER.

12Ze hebben de HEER niet ernstig genomen,
ze zeiden: “Zo doet hij niet, ons zal geen onheil treffen,
zwaard en honger blijven ons bespaard.
13De profeten? Wind zijn ze,
ze spreken niet de woorden van de HEER.
Laat dat onheil hén maar treffen.”
14Daarom – dit zegt de HEER, de God van de hemelse machten:
Omdat zij dit durven te zeggen,
maak ik dit volk tot brandhout,
maak ik mijn woorden in jouw mond
tot een vlam die hen verslindt.HEER van de hemelse machten
15Israël, ik stuur een volk uit verre streken op je af
– spreekt de HEER.
Dat volk is taai, dat volk is eeuwenoud,
het spreekt een taal die je niet kent,
je kunt hun woorden niet verstaan.
16De pijlkokers van de soldaten,
allen onverschrokken strijders,
zijn een open graf.
17Dat volk verslindt je oogst en je voedsel,
je zonen en je dochters,
je geiten, schapen, koeien,
je wijnstokken en vijgenbomen.
Het verwoest je vestingsteden,
de burchten waarop je vertrouwt.

18Maar als het zover is, zal ik ze toch niet vernietigen – spreekt de HEER. 19En als ze vragen: “Waarom heeft de HEER, onze God, ons dit alles aangedaan?” antwoord hun dan: “Jullie hebben mij toch verlaten en zijn vreemde goden gaan dienen in je eigen land? Jullie zullen vreemden dienen in een land dat niet van jullie is.”


20Zeg het volk van Jakob
en roep Juda toe:
21Luister toch, dwaas en onverstandig volk,
dat ogen heeft, maar niet ziet,
en oren heeft, maar niet hoort.Pieter Bruegel de Oudere - Dulle Griet
22Hebben jullie geen ontzag voor mij?
– spreekt de HEER.
Beven jullie niet voor mij?
Ik heb met zand de zee aan banden gelegd,
haar een vaste grens gesteld.
Haar golven donderen, maar tevergeefs,
ze bruisen onstuimig, maar worden gestuit.
23Maar dit volk is koppig en opstandig,
het is zijn eigen weg gegaan.
24Zij zeiden niet:
“Wij moeten ontzag hebben voor de HEER, onze God,
die ons tijdig regen geeft,
in het najaar en het voorjaar,
die een vaste oogsttijd geeft.”
25Jullie zonden hebben deze orde verstoord,
welvaart bleef door jullie wandaden uit.

26Ik trof schurken aan onder mijn volk,
ineengedoken als vogelvangers loeren ze rond.
Ze zetten een val, ze jagen op mensen.
27Zoals een korf vol vogels is,
zo zijn hun huizen vol gestolen goed.
Daardoor zijn ze machtig en rijk.
28Ze zijn vadsig en vet
en slechter dan slecht.
Ze staan het recht in de weg,
wat wezen toekomt laat hun koud,
de belangen van de armen dienen ze niet.Een gladde vent
29Zou ik zo’n volk niet straffen?
– spreekt de HEER.
Zou ik mij niet wreken
op een volk dat zoiets doet?

30Verschrikkelijke dingen, ongehoord,
gebeuren in dit land:
31de profeten profeteren leugens,
de priesters treden eigenmachtig op.
En dat bevalt mijn volk!
Wat zullen jullie doen als je einde nadert?