Inhoudsopgave 1 Koningen Volgende 5 hoofdstukken

1 Koningen > Hoofdstuk 1 - 5

1 Koningen 1

Salomo tot koning gezalfd

Meester van de Vederwolken - Abisag aan het bed van de oude David
J.M. Nell - Hogepriester
Anoniem - Het blazen op de ramshoorn
Onbekend - Man met trompet
Onbekend - Altaar met horens

1Koning David was op hoge leeftijd gekomen. Hoewel men hem met dekens toedekte, kon hij het niet meer warm krijgen.DavidToen David oud werd, maakte hij psalmenDe Keulse bijbel van 1478Jos de Haes - Bloemlezing 2Zijn hovelingen zeiden tegen hem: ‘Laat ons een jong meisje voor u zoeken, mijn heer en koning, dat u gezelschap kan houden en verzorgen. Laat haar in uw schoot slapen, dan zult u weer warm worden.’Paul Claes - Dochters van Eva 3Ze gingen overal in Israël op zoek naar een mooi meisje, en de keus viel op Abisag uit de stad Sunem. Haar brachten ze bij de koning. 4Ze was werkelijk bijzonder mooi. Ze verzorgde de koning en bediende hem, maar de koning had geen gemeenschap met haar.Een davidsdekenMeester van de Vederwolken - Abisag aan het bed van de oude David

5Intussen liet Adonia, een zoon van David en Chaggit, zich erop voorstaan dat hij koning zou worden. Hij schafte zich wagens en paarden aan en nam een escorte van vijftig man in dienst.Davids kinderen 6Zijn vader viel hem toch nooit lastig met vragen over zijn doen en laten. Net als zijn oudere halfbroer Absalom was hij heel knap om te zien. 7Hij verzekerde zich van de steun van Joab, de zoon van Seruja, en de priester Abjatar,J.M. Nell - Hogepriester 8maar de priester Sadok, Benaja, de zoon van Jojada, en de profeet Natan steunden Adonia niet, evenmin als Simi, Reï en Davids helden. 9Adonia hield een offerfeest in de buurt van de Slangensteen, bij de Rogelbron, waar hij vetgemeste schapen, geiten en runderen slachtte. Daarbij had hij al zijn broers, de koningszonen, uitgenodigd, en alle Judese hovelingen. 10Maar de profeet Natan, Benaja en Davids helden had hij niet uitgenodigd, en zijn broer Salomo ook niet.Salomo

11Natan zei tegen Batseba, de moeder van Salomo: ‘Hebt u het gehoord? Adonia, de zoon van Chaggit, is buiten medeweten van onze heer David tot koning uitgeroepen. 12Laat mij u raadgeven: stel uw leven en dat van uw zoon Salomo in veiligheid! 13Ga naar koning David en zeg hem: “Hebt u, mijn heer en koning, mij niet zelf gezworen dat mijn zoon Salomo na u koning zou zijn, en dat hij op uw troon zou zitten? Waarom is Adonia dan koning geworden?” 14Terwijl u met de koning spreekt, zal ik binnenkomen en uw woorden aanvullen.’ 15Batseba ging het vertrek binnen waar de oude koning werd verzorgd door Abisag uit Sunem. 16Ze neeg en knielde voor de koning, en hij vroeg haar wat ze wenste. 17‘Mijn heer,’ antwoordde ze, ‘u hebt me bij de HEER, uw God gezworen: “Jouw zoon Salomo zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten.” 18Maar nu is buiten uw medeweten Adonia tot koning uitgeroepen. 19Hij heeft een offerfeest gehouden en een stier en een groot aantal vetgemeste schapen en geiten geslacht. Alle koningszonen heeft hij uitgenodigd, en ook de priester Abjatar en Joab, de zoon van Seruja, maar uw dienaar Salomo niet. 20Nu, mijn heer en koning, zijn de ogen van heel Israël op u gericht. Van u wil men horen wie er na u op uw troon zal zitten. 21Anders zullen mijn zoon Salomo en ik na uw dood van hoogverraad beschuldigd worden.’ 22Terwijl Batseba met de koning sprak, kwam de profeet Natan zijn opwachting maken. 23Men kondigde de koning aan: ‘Natan de profeet!’ Natan knielde voor de koning neer, boog diep voorover 24en vroeg: ‘Mijn heer en koning, hebt u niet gezegd: “Adonia zal koning zijn na mij, en hij zal op mijn troon zitten”? 25Adonia is vandaag namelijk naar de Rogelbron gegaan om een offerfeest te houden. Hij heeft een stier en een groot aantal vetgemeste schapen en geiten geslacht. Alle koningszonen heeft hij uitgenodigd, en ook de bevelhebbers en de priester Abjatar. Nu zijn zij allen met hem aan het eten en drinken, en ze roepen: “Leve koning Adonia!” 26Maar mij, uw dienaar, heeft hij niet uitgenodigd, evenmin als de priester Sadok, Benaja, de zoon van Jojada, en uw dienaar Salomo. 27Als dit van u is uitgegaan, mijn heer en koning, waarom hebt u mij dan niet laten weten wie er na u op uw troon zou zitten?’

28Koning David nam het woord en beval: ‘Laat Batseba hier komen.’ Batseba liep op de koning toe en ging voor hem staan, 29en de koning zwoer: ‘Zo waar de HEER leeft, die mij steeds uit de nood heeft gered, 30vandaag zal ik doen wat ik je bij de HEER, de God van Israël, gezworen heb: je zoon Salomo zal na mij koning zijn, en hij zal in mijn plaats op mijn troon zitten.’ 31Batseba neeg, boog diep voorover en zei: ‘Moge mijn heer, koning David, leven tot in eeuwigheid.’

32Toen beval koning David: ‘Laat de priester Sadok, de profeet Natan en Benaja, de zoon van Jojada, hier komen.’ Zij kwamen naar de koning toe 33en deze zei: ‘Roep mijn hovelingen bijeen, laat mijn zoon Salomo op mijn eigen muildier rijden en begeleid hem naar de Gichonbron. 34Daar moeten de priester Sadok en de profeet Natan hem zalven tot koning van Israël. Blaas vervolgens op de ramshoorn en roep: “Leve koning Salomo!”Anoniem - Het blazen op de ramshoorn 35Trek dan in zijn gevolg de stad weer binnen. Als hij hier aangekomen is, zal hij plaatsnemen op mijn troon en in mijn plaats koning zijn. Hem wijs ik aan als vorst over Israël en Juda.’ 36Benaja antwoordde de koning: ‘Zo zij het! Moge de HEER, de God van mijn heer en koning, uw woorden bekrachtigen.Amen, iets beamen, ja en amen zeggen 37Moge de HEER Salomo ter zijde staan zoals hij mijn heer en koning ter zijde heeft gestaan, en moge hij zijn troon nog machtiger maken dan de troon van mijn heer, koning David.’ 38De priester Sadok, de profeet Natan en Benaja met de Keretieten en Peletieten begeleidden Salomo, die op het muildier van koning David reed, naar de Gichonbron. 39De priester Sadok nam de hoorn met olie, die hij uit het heiligdom had meegenomen, en zalfde Salomo. Toen werd er op de ramshoorn geblazen en iedereen riep: ‘Leve koning Salomo!’Onbekend - Man met trompet 40De hele menigte volgde hem terug naar het paleis. Ze bliezen op schalmeien en juichten zo luid, dat de aarde ervan dreunde.

41Adonia en al zijn gasten waren juist aan het einde van de maaltijd gekomen toen dit rumoer tot hen doordrong. Toen Joab het geluid van de ramshoorn herkende, vroeg hij: ‘Waarom komt er zo’n lawaai uit de stad?’ 42Hij was nog niet uitgesproken, of daar kwam Jonatan aan, de zoon van de priester Abjatar. Adonia zei: ‘Kom eens hier, op jou kan ik vertrouwen, dus je zult wel goed nieuws brengen.’ 43Maar Jonatan antwoordde: ‘Integendeel! Onze heer, koning David, heeft Salomo tot koning uitgeroepen. 44Hij heeft de priester Sadok en de profeet Natan met hem meegestuurd, en ook Benaja met de Keretieten en Peletieten. Ze hebben hem op het muildier van de koning laten rijden, 45en bij de Gichonbron hebben Sadok en Natan hem tot koning gezalfd. Daarna gingen ze onder gejuich weer terug naar het paleis, en nu gonst heel de stad van vreugde; dat is het lawaai dat u hoort. 46Bovendien heeft Salomo plaatsgenomen op de koningstroon. 47Hovelingen kwamen onze heer, koning David, gelukwensen met de woorden: “Moge uw God de naam van Salomo nog groter maken dan uw naam en zijn troon nog machtiger dan de uwe.” Hierop boog de koning diep voorover op zijn bed. 48Ook zei hij: “Geprezen zij de HEER, de God van Israël, dat ik zelf nog heb mogen meemaken dat hij mij een troonopvolger heeft gegeven.”’ 49De schrik sloeg de gasten van Adonia om het hart. Allen stonden op en gingen snel naar huis.Zijns weegs gaan 50Ook Adonia was bang voor Salomo. Hij ging naar het heiligdom en greep de horens van het altaar vast.VrijplaatsenOnbekend - Altaar met horens 51Men vertelde Salomo dat Adonia zich uit angst voor de koning aan de horens van het altaar had vastgeklampt met de woorden: ‘Laat koning Salomo mij eerst zweren dat hij mij niet ter dood zal laten brengen.’ 52En Salomo zei: ‘Als hij zich behoorlijk gedraagt, zal hem geen haar worden gekrenkt, maar zodra hij een misstap begaat, zal hij sterven.’Geen haar op uw hoofd zal verloren gaan 53Koning Salomo liet hem van het altaar af halen. Adonia verscheen voor koning Salomo en knielde voor hem neer, en Salomo zei hem: ‘Je kunt gaan.’

1 Koningen 2

Davids laatste wilsbeschikking

Jacob Cornelisz. van Oostsanen - Scènes uit het Oude- en Nieuwe Testament 'Verraad'
Onbekend - Reconstructie van de tombe van David
Onbekend - Fragment van een cultusobject uit de 'Stad van David'
Meesters van Otto van Moerdrecht - Abisag, Batseba, Salomo en Natan aan het sterfbed van koning David
David
Anoniem Maasgebied - Zittende Maria
Anoniem, Holland - Biblia Pauperum, p. 36 (.q.)

1Toen David zijn einde voelde naderen, droeg hij zijn zoon Salomo op: 2‘Ik moet nu heengaan, net als iedereen. Wees sterk en laat zien dat je een man bent.De weg van alle vlees gaan 3Houd je aan je verplichtingen tegenover de HEER, je God: gehoorzaam hem en neem zijn bepalingen, geboden, rechtsregels en voorschriften in acht, zoals die zijn vastgelegd in de wetten van Mozes. Dan zul je slagen in alles wat je doet en onderneemt, 4en dan zal de HEER zijn woord aan mij gestand doen: Als je zonen het rechte pad houden en mij met hart en ziel toegewijd blijven, dan zal er altijd een van jouw nakomelingen op de troon van Israël zitten. 5En er is nog iets: je weet wat Joab, de zoon van Seruja, mij heeft aangedaan – wat hij de twee opperbevelhebbers van het leger van Israël heeft aangedaan, Abner, de zoon van Ner, en Amasa, de zoon van Jeter. Die heeft hij vermoord. Hij heeft nodeloos bloed vergoten in vredestijd en zo zijn soldateneer met bloed bevlekt.JoabJacob Cornelisz. van Oostsanen - Scènes uit het Oude- en Nieuwe Testament 'Verraad' 6Laat je door je wijsheid leiden en gun hem geen vredige dood op zijn oude dag. 7Maar de zonen van Barzillai uit Gilead moet je goed behandelen. Laat hen aan je hof te gast zijn, want zij hebben mij gastvrij onthaald toen ik op de vlucht was voor je broer Absalom. 8Dan is er nog de Benjaminiet Simi, de zoon van Gera, uit Bachurim. Hij heeft me de vreselijkste verwensingen naar het hoofd geslingerd toen ik op weg was naar Machanaïm. Later is hij me bij de Jordaan tegemoet gekomen, en toen heb ik hem bij de HEER gezworen dat ik hem niet ter dood zou brengen. 9Maar jij moet hem niet ongestraft laten. Je bent een verstandig man, dus je weet wat je te doen staat: laat hem op zijn oude dag een gewelddadige dood sterven.’

10David stierf en werd begraven in de Davidsburcht.Onbekend - Reconstructie van de tombe van DavidOnbekend - Fragment van een cultusobject uit de 'Stad van David'Meesters van Otto van Moerdrecht - Abisag, Batseba, Salomo en Natan aan het sterfbed van koning David 11Veertig jaar lang was hij koning van Israël geweest: zeven jaar in Hebron en drieëndertig jaar in Jeruzalem.David 12Salomo besteeg de troon van zijn vader David en regeerde met vaste hand.Anoniem Maasgebied - Zittende Maria

13Op zekere dag wendde Adonia, de zoon van Chaggit, zich tot Batseba, de moeder van Salomo. ‘Kan ik u met een gerust hart ontvangen?’ vroeg ze. ‘Wees gerust,’ antwoordde hij, 14‘ik wil u alleen maar iets vragen.’ ‘Ga uw gang,’ zei Batseba. 15Toen zei Adonia: ‘U weet dat het koningschap mij toekwam; heel Israël verwachtte dat ik koning zou worden. Maar de HEER besliste anders en het koningschap ging over op mijn broer. 16Nu heb ik een verzoek aan u, alstublieft, weiger het me niet.’ ‘Ga verder,’ zei Batseba. 17‘Wilt u aan Salomo, de koning, vragen of hij me de hand schenkt van Abisag uit Sunem? U zal hij het immers niet weigeren.’ 18‘Goed,’ zei Batseba, ‘ik zal bij de koning voor u pleiten.’ 19Batseba ging naar de koning om met hem over Adonia te spreken. De koning stond op, kwam haar tegemoet en knielde voor haar. Toen ging hij weer zitten en liet voor de koningin-moeder een tweede troon aandragen. Ze nam plaats aan zijn rechterhandAnoniem, Holland - Biblia Pauperum, p. 36 (.q.) 20en zei: ‘Ik heb een klein verzoekje aan u, alstublieft, weiger het me niet.’ De koning antwoordde: ‘Vraagt u maar, moeder, ik zal het u niet weigeren.’ 21Batseba vroeg: ‘Kan uw broer Adonia de hand krijgen van Abisag uit Sunem?’ 22Koning Salomo antwoordde zijn moeder: ‘Waarom vraagt u voor Adonia de hand van Abisag? Dan kunt u net zo goed het koningschap voor hem opeisen! Hij is immers ouder dan ik. Als u voor hem pleit, pleit u ook voor Abjatar en Joab!’ 23Toen zwoer de koning bij de HEER: ‘God mag met mij doen wat hij wil als Adonia dit verzoek niet met zijn leven zal bekopen! 24Zo waar de HEER leeft, die mij heeft aangesteld en me op de troon van mijn vader David heeft geplaatst en die mijn koningshuis gevestigd heeft zoals hij had beloofd, zo waar zal Adonia vandaag nog sterven!’ 25Benaja, de zoon van Jojada, werd door koning Salomo belast met de opdracht Adonia ter dood te brengen.Willem de Mérode - Klacht om Abisag

26Tegen de priester Abjatar zei de koning: ‘Ga terug naar Anatot, naar uw landerijen. Eigenlijk verdient u de doodstraf, maar voor deze keer zal ik u niet terechtstellen, omdat u de ark van God, de HEER, voor mijn vader David uit hebt gedragen en alle ellende met hem hebt gedeeld.’ 27Salomo ontzette Abjatar uit het priesterambt en liet zo in vervulling gaan wat de HEER in Silo over Eli en zijn familie had verkondigd.

28Toen Joab hiervan hoorde, vluchtte hij naar het heiligdom van de HEER en greep de horens van het altaar vast. Hij had immers de zijde van Adonia gekozen, hoewel hij Absalom niet had gesteund. 29Men vertelde Salomo dat Joab zijn toevlucht had gezocht in het heiligdom van de HEER en zich daar aan het altaar had vastgeklampt. Salomo gaf Benaja opdracht om hem ter dood te brengen. 30Benaja ging naar het heiligdom van de HEER en zei tegen Joab: ‘De koning zegt: “Kom naar buiten!”’ ‘Nee!’ antwoordde Joab. ‘Hier zal ik sterven.’ Benaja bracht deze weigering aan de koning over: ‘Joab zegt: “Hier zal ik sterven.”’ 31Toen zei de koning: ‘Doe zoals hij zegt: dood hem, maar zorg wel dat hij begraven wordt. Door hem te doden zuivert u mij en mijn koningshuis van het onschuldig bloed dat hij vergoten heeft. 32De HEER zal het hem met de dood laten bekopen dat hij twee mannen heeft vermoord die allebei beter en rechtvaardiger waren dan hij. Buiten medeweten van mijn vader David heeft hij hen gedood: Abner, de zoon van Ner, de opperbevelhebber van het leger van Israël, en Amasa, de zoon van Jeter, de opperbevelhebber van het leger van Juda.Uw bloed zal op uw hoofd zijn 33Moge hun bloed gewroken worden aan Joab en al zijn nakomelingen; de HEER geve dat de nakomelingen en het koningshuis van David in vrede voortbestaan.’J. B. Charles – Prins Absalom en de generaal 34Benaja ging terug naar Joab en bracht hem ter dood. Hij werd bijgezet in zijn familiegraf in de woestijn.Hellema – Joab 35In Joabs plaats werd Benaja, de zoon van Jojada, door de koning benoemd tot opperbevelhebber van het leger; de priester Sadok was benoemd in de functie van Abjatar.Vrijplaatsen

36Vervolgens ontbood de koning Simi, de zoon van Gera, en zei tegen hem: ‘U kunt in Jeruzalem voor uzelf een huis bouwen en er gaan wonen, maar u mag de stad niet verlaten om ergens anders heen te gaan. 37Zodra u de stad verlaat en de Kidron oversteekt, bent u ten dode opgeschreven, wees daarvan verzekerd. U hebt uw dood dan aan uzelf te wijten.’ 38Simi antwoordde: ‘Het is goed, mijn heer en koning, ik zal doen wat u zegt,’ en hij bleef in Jeruzalem wonen. 39Maar na verloop van drie jaar liepen twee van zijn slaven weg naar Achis, de zoon van Maächa, de koning van Gat. Toen Simi vernam waar zijn slaven waren, 40zadelde hij zijn ezel en vertrok hij naar Gat, om ze bij Achis op te halen en terug te brengen naar Jeruzalem. 41Toen koning Salomo vernam dat Simi van Jeruzalem naar Gat was gegaan en weer was teruggekomen, 42ontbood hij hem en zei: ‘Heb ik u niet bij de HEER gezworen en gewaarschuwd dat u ten dode opgeschreven zou zijn wanneer u de stad zou verlaten om ergens anders heen te gaan? En hebt u toen niet geantwoord: “Ik heb het gehoord, het is goed”? 43Waarom hebt u zich niet gehouden aan de eed die ik de HEER gezworen heb, en mijn bevel niet opgevolgd?’ 44En de koning vervolgde: ‘U weet maar al te goed wat u mijn vader David hebt aangedaan. De HEER zal u uw wandaad vergelden; 45maar ik, koning Salomo, ben gezegend, en Davids troon zal nooit wankelen voor de HEER.’ 46De koning gaf Benaja opdracht om Simi ter dood te brengen.

Zo kreeg Salomo de macht stevig in handen.

1 Koningen 3

Salomo’s wijsheid

1Door de dochter van de farao tot vrouw te nemen, werd Salomo de schoonzoon van de koning van Egypte. Hij liet haar in de Davidsburcht wonen, totdat hij gereed was met de bouw van zijn paleis, de tempel van de HEER en de muur rondom Jeruzalem.

2Omdat er in die tijd nog geen tempel was gebouwd voor de naam van de HEER, bleef het volk zijn offers brengen op de offerplaatsen.Offers 3Salomo zelf toonde zijn liefde voor de HEER door te handelen naar wat zijn vader David hem had voorgehouden, maar ook hij bracht zijn offers en brandde wierook op de offerplaatsen. 4Zo ging de koning op een keer naar Gibeon, de belangrijkste offerhoogte van het land, om er te offeren. Wel duizend dieren droeg hij daar op het altaar als brandoffer op.Leendert Schouten - Brandofferaltaar 5Die nacht verscheen de HEER hem daar in een droom. ‘Vraag wat je wilt,’ zei God, ‘ik zal het je geven.’Salomon ende Marcolphus 6Salomo antwoordde: ‘U bent uw dienaar, mijn vader David, altijd goedgezind geweest, omdat hij u trouw toegewijd was en steeds eerlijk en oprecht was tegenover u. U hebt hem een grote gunst bewezen door hem een zoon te geven die nu op zijn troon zit. 7U, HEER, mijn God, hebt mij als opvolger van mijn vader David als koning aangesteld. Maar ik ben nog zo jong en ik heb geen ervaring. 8Ik sta nu voor de taak uw uitverkoren volk te leiden, een volk zo talrijk dat het niet te tellen is. 9Schenk uw dienaar een opmerkzame geest, zodat ik uw volk kan besturen en onderscheid kan maken tussen goed en kwaad. Want hoe zou ik anders recht kunnen spreken over dit immense volk van u?’ 10Het beviel de Heer dat Salomo juist hierom vroeg, 11en hij zei tegen hem: ‘Omdat je hierom vraagt – niet om een lang leven of grote rijkdom of de dood van je vijanden, maar om het vermogen om te luisteren en te onderscheiden tussen recht en onrecht – 12zal ik je wens vervullen. Ik zal je zo veel wijsheid en onderscheidingsvermogen schenken dat je iedereen vóór jou en na jou overtreft. 13Ook waar je niet om gevraagd hebt zal ik je geven: zo veel rijkdom en roem dat geen enkele andere koning je tijdens je leven zal evenaren. 14En als je mij gehoorzaamt en je houdt aan mijn bepalingen en geboden, zoals je vader David dat deed, zal ik je een lang leven schenken.’ 15Toen Salomo wakker werd, besefte hij dat hij een droom had gehad. Bij zijn terugkomst in Jeruzalem ging hij naar de ark van het verbond met de Heer, waar hij brandoffers en vredeoffers bracht. Hij nodigde al zijn hovelingen voor het feestmaal uit.

16Kort daarna vroegen twee hoeren bij de koning gehoor.Jan van Rillaer (I) - Het oordeel van Salomo 17De eerste vrouw vertelde: ‘Staat u mij toe, heer, deze vrouw en ik wonen in hetzelfde huis. In dat huis heb ik in haar bijzijn een kind ter wereld gebracht. 18Drie dagen later kreeg ook zij een kind. Wij waren daar samen; er was niemand anders in huis, alleen wij tweeën. 19Maar haar kind is ’s nachts doodgegaan, want zij was erop gaan liggen. 20Toen is ze midden in de nacht opgestaan en heeft ze mijn kind bij me weggenomen, terwijl ik sliep. Ze nam mijn kind in haar armen en legde mij haar dode kind in de armen. 21Toen ik de volgende ochtend mijn kind wilde voeden, merkte ik dat het dood was. Maar toen ik het nog eens goed bekeek, zag ik dat het niet het kind was dat ik gebaard had.’Boëtius Adamsz. Bolswert - Het oordeel van Salomo 22‘Dat is niet waar!’ zei de andere vrouw. ‘Het levende kind is van mij en het dode van jou.’ ‘Niet waar!’ zei de eerste. ‘Het dode is van jou en het levende van mij.’ Zo bepleitten ze ieder hun zaak bij de koning. 23De koning nam het woord en zei: ‘De een zegt: “Mijn kind leeft en het jouwe is dood,” en de ander zegt: “Nee! Het dode kind is van jou en het levende van mij.”’ 24En hij beval: ‘Breng mij een zwaard.’ Er werd hem een zwaard gebracht, 25en toen zei hij: ‘Hak het levende kind in tweeën en geef hun ieder de helft.’Anoniem naar Peter Paul Rubens - Het oordeel van SalomoMattheus Terwesten - Het oordeel van SalomoVier scènes uit het leven van Salomo 26De echte moeder van het levende kind kon de gedachte dat haar kind iets zou overkomen niet verdragen en riep uit: ‘Nee, heer, ik smeek u, geef het kind aan haar, maar dood het alstublieft niet!’ De ander zei: ‘Als ik het niet krijg, krijg jij het ook niet. Hak het maar doormidden!’ 27Maar de koning deed de volgende uitspraak: ‘Het zal niet gedood worden. Geef het levende kind aan háár, want zij is de moeder.’Rubens eindeloos gekopieerdAnoniem, Holland - Biblia Pauperum, p. 37 (.r.)Anoniem, Hindeloopen - Deurpaneel bedschot: Salomo's oordeelAtelier Pieter Paul Rubens - De rechtspraak van SalomoAtelier Pieter Paul Rubens - Schilderij: Salomo's oordeelPieter Hendriksz. Schut - Salomon vint uyt een rechtvaerdich vonnis door afectie des moeders.Onbekend - Hakkebord: Salomo's oordeel

28Toen de Israëlieten hoorden welk vonnis de koning had geveld, kregen ze groot ontzag voor hem, want ze begrepen dat hij het recht handhaafde met goddelijke wijsheid.De populariteit van SalomoSalomon ende MarcolphusEen salomonsoordeel (Salomo's oordeel)Pieter Paul Rubens - Het oordeel van SalomoNicolaes Jacobsz van der Heck - Het oordeel van SalomoW. Rave - Het oordeel van Salomo

1 Koningen 4

Salomo’s ambtenaren

Salomo

1Salomo regeerde over heel Israël. 2Dit waren zijn raadsheren: Azarja, de zoon van Sadok, was priester; 3Elichoref en Achia, de zonen van Sisa, waren hofschrijver; Josafat, de zoon van Achilud, was kanselier; 4Benaja, de zoon van Jojada, was opperbevelhebber van het leger; Sadok en Abjatar waren priester; 5Azarja, de zoon van Natan, stond aan het hoofd van de stadhouders; de priester Zabud, de zoon van Natan, was de vertrouwensman van de koning; 6Achisar was hofmeester; Adoniram, de zoon van Abda, was opzichter van de herendienst.

7Salomo had in Israël twaalf stadhouders aangesteld. Zij moesten om beurten één maand per jaar in het levensonderhoud van de koning en zijn hofhouding voorzien. 8Dit zijn hun namen: Ben-Chur was stadhouder in het bergland van Efraïm. 9Ben-Deker was stadhouder in Makas, Saälbim, Bet-Semes en Elon-Bet-Chanan. 10Ben-Chesed was stadhouder in Arubbot; ook Socho en het gebied rond Chefer vielen onder zijn gezag. 11Ben-Abinadab was stadhouder in het kustgebied van Dor; hij was getrouwd met Salomo’s dochter Tafat. 12Baäna, de zoon van Achilud, was stadhouder in Taänach en Megiddo en het hele gebied van Bet-San; dat gebied grenst aan Saretan, het ligt ten zuiden van Jizreël en loopt door tot Abel-Mechola en tot voorbij Jokmeam. 13Ben-Geber was stadhouder in Ramot in Gilead; onder zijn gezag vielen ook de dorpen van Jaïr, een nakomeling van Manasse, eveneens in Gilead, en het gebied van Argob in Basan; in deze streek lagen zestig grote, ommuurde steden met poorten met bronzen grendels. 14Achinadab, de zoon van Iddo, was stadhouder in Machanaïm. 15Achimaäs was stadhouder in Naftali; hij trouwde met Salomo’s dochter Basemat. 16Baäna, de zoon van Chusai, was stadhouder in Aser en Alot; 17Josafat, de zoon van Paruach, in Issachar; 18Simi, de zoon van Ela, in Benjamin,Salomo 19en Geber, de zoon van Uri, was stadhouder in Gilead, het land dat aan koning Sichon van de Amorieten en koning Og van Basan had toebehoord; hij was daar de enige stadhouder.

Salomo’s grootheid

20De bevolking van Juda en Israël was zo talrijk als zandkorrels aan de zee. De mensen hadden volop te eten en te drinken en waren gelukkig.

1 Koningen 5

Onbekend - Egyptische gerst (Hordeum trifurcatum e.a.)
Toegeschreven aan Andries Jacob Nobel - Doopsgezind kerkboek

1Salomo had de heerschappij over alle koninkrijken tussen de Eufraat en het land van de Filistijnen, en tot aan de grens met Egypte. Zolang Salomo leefde, waren ze aan hem onderworpen en droegen ze hem schatting af. Schatting

2Aan Salomo’s hof werd dagelijks de volgende hoeveelheid voedsel gebruikt: dertig ezelslasten tarwebloem en zestig ezelslasten meel, 3tien gemeste runderen, nog twintig runderen, honderd schapen en geiten, en dan nog herten, gazellen, reebokken en gemeste hoenders.

4Salomo heerste over het hele gebied ten westen van de Eufraat, van Tifsach tot aan Gaza, over alle koninkrijken ten westen van de rivier, en hij leefde in vrede met alle omringende landen. 5Zolang Salomo leefde, konden de inwoners van Juda en Israël, van Dan tot Berseba, onbezorgd onder hun wijnrank en hun vijgenboom zitten.Van Dan tot BersebaOnder zijn wijnstok en vijgenboom zitten

6Voor zijn wagens beschikte Salomo over veertigduizend paarden in zijn stallen en twaalfduizend wagenmenners. 7De stadhouders moesten niet alleen om beurten een maand in het levensonderhoud van koning Salomo en zijn hofhouding voorzien, waarbij ze het hun aan niets mochten laten ontbreken; 8ieder van hen was bovendien verplicht gerst en stro voor de paarden en lastdieren bijeen te brengen in die plaats waarvoor hij verantwoordelijk was.Onbekend - Egyptische gerst (Hordeum trifurcatum e.a.)

9God schonk Salomo zeer veel wijsheid en onderscheidingsvermogen en een veelomvattende kennis van zaken, zo overvloedig als zandkorrels op het strand langs de zee. 10In wijsheid overtrof Salomo alle oosterlingen en alle Egyptenaren. 11Hij was wijzer dan alle andere mensen, wijzer dan de Ezrachiet Etan en wijzer dan Machols zonen Heman, Kalkol en Darda; zijn roem drong door tot alle omringende volken. 12Hij dichtte drieduizend spreuken en duizendenvijf liederen,SalomoToegeschreven aan Andries Jacob Nobel - Doopsgezind kerkboek 13over allerlei soorten planten, van de ceder op de Libanon tot de majoraan die uit de muur groeit, en over de lopende dieren, de vogels, de kruipende dieren en de vissen. 14Uit alle omringende landen kwamen mensen om naar Salomo’s wijsheid te luisteren, afgezanten van de koningen die over zijn wijsheid hadden gehoord.Zo wijs als Salomo

Voorbereidingen voor de tempelbouw

C.B. van der Zeijde - Zes verschillende soorten tarwe

15Toen koning Chiram van Tyrus hoorde dat Salomo als opvolger van zijn vader tot koning was gezalfd, stuurde ook hij afgezanten naar hem toe, want hij had met David altijd op vriendschappelijke voet gestaan. 16Salomo liet hem de volgende boodschap overbrengen: 17‘Zoals u weet, heeft mijn vader David geen tempel kunnen bouwen voor de naam van de HEER, zijn God, omdat hij van alle kanten door vijanden werd belaagd, totdat de HEER ervoor zorgde dat koning David zijn voet in hun nek kon planten. 18Maar mij gunt de HEER, mijn God, rust aan al mijn grenzen. Er zijn geen tegenstanders meer en er dreigt geen gevaar. 19Daarom heb ik besloten om voor de naam van de HEER, mijn God, een tempel te bouwen, zoals de HEER mijn vader David heeft toegezegd: “Je zoon, die ik als je opvolger op je troon zal zetten, die zal een huis bouwen voor mijn naam.” 20Wilt u dus uw knechten opdracht geven om voor mij ceders te kappen op de Libanon. Mijn knechten zullen de uwe daarbij helpen. Ik zal uw knechten het loon betalen dat u mij vraagt, want zoals u weet beschikken wij niet over zulke goede houthakkers als de Sidoniërs.’

21Toen Chiram Salomo’s verzoek ontving, was hij zeer verheugd. ‘Geprezen zij de HEER,’ zei hij, ‘die aan David een verstandige zoon heeft gegeven om dit grote volk te besturen.’ 22Hij liet Salomo de volgende boodschap overbrengen: ‘Ik heb uw verzoek ontvangen en ik zal u ceders en cipressen leveren zoveel u maar wilt. 23Mijn knechten zullen ze van de Libanon naar de kust brengen. Ik zal er vlotten van laten maken om ze over zee te vervoeren naar de plaats die u me opgeeft. Daar zal ik ze weer uit elkaar laten halen, zodat u de stammen kunt meenemen. In ruil daarvoor verzoek ik u mijn hof van levensmiddelen te voorzien.’

24Chiram leverde Salomo zoveel ceders en cipressen als hij maar wilde, 25en Salomo leverde Chiram elk jaar twintigduizend ezelslasten tarwe en twintig ezelslasten zuivere olijfolie voor het levensonderhoud van zijn hof.C.B. van der Zeijde - Zes verschillende soorten tarwe 26De HEER schonk Salomo wijsheid, zoals hij hem had beloofd. Er heerste vrede tussen Chiram en Salomo en ze sloten een verdrag met elkaar.

27Uit heel Israël liet Salomo mensen komen om herendienst te verrichten, wel dertigduizend man. 28Die stuurde hij in ploegen naar de Libanon, tienduizend man per maand: één maand werkten ze in de Libanon en twee maanden thuis. Adoniram was opzichter van de herendienst. 29Verder had Salomo zeventigduizend sjouwers en tachtigduizend steenhouwers aan het werk in de bergen, 30nog afgezien van de drieëndertighonderd opzichters die met de leiding over het werk waren belast en toezicht hielden op het werkvolk. 31In opdracht van de koning hakten ze grote brokken hardsteen uit, die op maat werden gehouwen voor de fundering van de tempel. 32Bijgestaan door vaklui uit Gebal maakten bouwlieden van Salomo en Chiram de balken en stenen pasklaar voor de bouw van de tempel.