Inhoudsopgave 1 Makkabeeën Volgende 5 hoofdstukken

1 Makkabeeën > Hoofdstuk 1 - 5

1 Makkabeeën 1

Voorgeschiedenis

Herman Jansz. Muller naar Maarten van Heemskerck - De drie heidense helden: Hector, Alexander, Julius Caesar
Anoniem, Utrecht - Alexander de Grote op zijn sterfbed

1Alexander van Macedonië, de zoon van Filippus, was vanuit zijn land opgetrokken tegen Darius, de koning van de Perzen en de Meden. Hij versloeg hem en werd in zijn plaats koning; hij heerste toen al over Griekenland.Voorbeeldige vrouwenHerman Jansz. Muller naar Maarten van Heemskerck - De drie heidense helden: Hector, Alexander, Julius Caesar 2Hij voerde vele oorlogen, veroverde vestingen en liet koningen doden. 3Hij trok op tot aan de uiteinden van de aarde en nam van tal van volken oorlogsbuit mee; de hele wereld had hij in zijn macht. Dit maakte hem overmoedig en hooghartig. 4Hij bouwde een kolossale troepenmacht op, hij heerste over gebieden, volken en vorsten en maakte ze schatplichtig. 5Maar toen werd hij ziek en hij wist dat hij zou sterven. 6Hij riep zijn hoogste bevelhebbers, die van jongs af aan met hem waren opgegroeid, bij zich en verdeelde nog tijdens zijn leven zijn koninkrijk onder hen. 7Twaalf jaar had Alexander geregeerd toen hij stierf.Van den IX BestenAnoniem, Utrecht - Alexander de Grote op zijn sterfbed 8Na zijn dood namen de bevelhebbers het bestuur over, ieder in hun eigen gebied, 9waarna zij zichzelf tot koning kroonden. Hun bewind en dat van hun nakomelingen bracht nog lange tijd veel onheil op aarde. 10Een van hun afstammelingen was de schurk Antiochus Epifanes, de zoon van koning Antiochus, die gijzelaar geweest was in Rome. Hij werd koning in het jaar 137 van de Griekse overheersing.

Antiochus Epifanes aan de macht

Jheronimus Bosch - De zeven hoofdzonden en de vier uitersten
Jan van Noordt - Tegenstelling tussen Carnaval en Vasten
Onbekend - Antiochus Epifanes ontwijdt het altaar

11In die tijd begon zich in Israël een groep afvalligen te roeren die de wet niet meer wilde navolgen, en zij kregen veel aanhangers. Ze zeiden: ‘Kom, laten we een verdrag sluiten met de volken om ons heen, want vanaf het moment dat we ons van hen hebben afgescheiden is ons veel ellende overkomen.’ 12Hun woorden werden met instemming begroet, 13en enkelen uit het volk verklaarden zich bereid naar de koning te gaan. Deze gaf hun toestemming vreemde wetten en gebruiken in te voeren. 14Zo bouwden zij in Jeruzalem een sportschool zoals dat bij de heidense volken gebruikelijk was 15en lieten zij zich weer een voorhuid maken. Zij hielden zich verre van het heilige verbond, vermengden zich met de heidenen en gaven zich over aan kwalijke praktijken.Besnijdenis

16Toen Antiochus zijn heerschappij gevestigd zag, wilde hij ook nog koning van Egypte worden, zodat hij over twee koninkrijken zou heersen. 17Hij viel Egypte met een groot leger binnen, met strijdwagens en olifanten en met een grote vloot, 18en trok ten strijde tegen Ptolemeüs, de koning van dat land. Na zware verliezen werd Ptolemeüs verslagen en op de vlucht gejaagd. 19De versterkte steden van Egypte werden ingenomen en het land werd geplunderd. 20Na zijn overwinning op Egypte trok Antiochus in het jaar 143 met een groot leger naar Israël, naar Jeruzalem. 21In zijn hoogmoed drong hij de tempel binnen, roofde het gouden altaar, de lampenstandaard met alle toebehoren,Jheronimus Bosch - De zeven hoofdzonden en de vier uitersten 22de tafel van het toonbrood, de plengschalen, de offerschalen, de gouden wierookschalen, het voorhangsel en de kransen, en haalde de gouden versieringen van de voorgevel. 23Hij roofde het zilver, het goud, de kostbare voorwerpen en de verborgen schatten die hij er vond 24en liet alles naar zijn land voeren. Hij richtte een bloedbad aan en liet zich daar schaamteloos op voorstaan. 25Heel Israël was in rouw gedompeld.

26Vorsten en leiders zuchtten,
meisjes en jongens kwijnden,
vrouwen verloren hun schoonheid.
27De bruidegom hief een klaagzang aan,
de bruid zat treurend in haar kamer.
28Het land beefde om zijn bewoners,
het volk van Jakob was met schaamte overladen.

29Na twee jaar stuurde de koning het hoofd van de belastingen naar de steden van Judea. Met een grote legermacht trok hij naar Jeruzalem. 30Hij wendde voor vrede te willen sluiten, maar zodra hij het vertrouwen van de inwoners had gewonnen deed hij onverhoeds een aanval op de stad. Hij richtte grote vernielingen aan en doodde vele Israëlieten. 31De stad werd geplunderd en in brand gestoken, de huizen en stadsmuren werden neergehaald, 32de vrouwen en kinderen krijgsgevangen gemaakt, het vee werd in beslag genomen. 33De Davidsburcht werd versterkt met een hoge, dikke muur en stevige torens. 34Er werd een groep overlopers in garnizoen gelegd, mannen die de wet verachtten; zij verschansten zich in de citadel. 35Ze sloegen er wapens en voedsel op, bewaarden er de oorlogsbuit uit Jeruzalem en lagen voortdurend op de loer.

36Ze waren een bedreiging voor het heiligdom,
een voortdurende plaag voor Israël.
37Rondom de tempel vergoten ze onschuldig bloed,
ze ontwijdden de heilige plaats.
38Jeruzalems inwoners vluchtten voor hen,
de stad werd tot woonplaats van vreemdelingen,
tot een vreemdeling voor haar nageslacht,
ze werd door haar kinderen verlaten.
39Haar heiligdom was leeg als de woestijn,
haar feesten werden dagen van rouw,
haar sabbatten werden bespot,
haar eer werd door het slijk gehaald.Jan van Noordt - Tegenstelling tussen Carnaval en Vasten
40Zo groot als ooit haar eer was,
zo diep werd nu haar schande,
haar trots sloeg om in rouw.

41Toen gelastte de koning per brief zijn hele rijk om één volk te vormen 42en de eigen gebruiken op te geven. En alle volken voegden zich naar het woord van de koning. 43Zelfs veel Israëlieten gingen over tot zijn godsdienst, offerden aan afgodsbeelden en ontwijdden de sabbat. 44Per bode stuurde de koning brieven naar Jeruzalem en de steden van Judea waarin hij de naleving gelastte van gebruiken die het land vreemd waren. 45In de tempel mochten geen brandoffers, graanoffers en wijnoffers meer worden gebracht en sabbat en feestdagen moesten worden afgeschaft. 46De tempel en de priesters werden ontwijd. 47Er werden altaren gebouwd en heiligdommen en tempeltjes ingericht voor afgodsbeelden, en er werd vlees van varkens en andere onreine dieren geofferd. 48Ze mochten hun zonen niet meer besnijden en moesten zich verlagen tot allerlei onreine en onheilige praktijken. 49Zo zouden de wetten vergeten worden en alle voorschriften in onbruik raken. 50Iedereen die het gebod van de koning negeerde, zou worden gedood. 51Dergelijke bepalingen kondigde hij in heel zijn rijk af. Ook stelde hij inspecteurs aan die erop moesten toezien dat het volk in elke stad van Judea offers bracht. 52Veel Israëlieten die de wet maar al te graag naast zich neer wilden leggen, voegden zich naar de voorschriften van de inspecteurs, en ze richtten zo veel verschrikkingen aan in het land 53dat de overige Israëlieten zich in alle mogelijke schuilplaatsen moesten verbergen.

54Op 15 kislew van het jaar 145 liet de koning een verwoestende gruwel op het altaar bouwen en in de andere steden van Judea liet hij altaren neerzetten.Verwoestende gruwel 55Voor de huisdeuren en op straat werd wierook gebrand. 56Werden er wetsrollen gevonden, dan werden deze verscheurd en verbrand. 57Wie in het bezit van zo’n verbondsrol bleek te zijn of volgens de wet leefde, werd op last van de koning ter dood gebracht. 58Maand na maand lieten de inspecteurs in Israël hun macht voelen door overtreders die ze in de steden aantroffen ter dood te brengen. 59En op de vijfentwintigste van de maand offerden ze op het afgodsaltaar dat boven op het oude altaar stond.Onbekend - Antiochus Epifanes ontwijdt het altaar 60De vrouwen die hun kinderen hadden laten besnijden, werden op grond van de verordening gedood, 61en zuigelingen werden opgehangen aan de hals van hun moeder. Ook hun huisgenoten en degenen die de besnijdenis hadden verricht werden gedood. 62Toch vonden velen in Israël de kracht zich te verzetten en geen onrein vlees te eten. 63Zij stierven nog liever dan dat zij zich door voedsel zouden verontreinigen en het heilige verbond zouden schenden, en ze werden dan ook ter dood gebracht. 64De toorn drukte zwaar op Israël.

1 Makkabeeën 2

Mattatias

Toegeschreven aan Justus van Gent - De inneming van Jeruzalem
Jan (I) Voerman - De Rouwdagen

1In die tijd deed Mattatias, de zoon van Johannes, de zoon van Simon, van zich spreken. Hij was een priester uit de familie van Jojarib uit Jeruzalem en woonde in Modeïn.Joost van den Vondel – De Helden Godes 2Hij had vijf zonen: Johannes bijgenaamd Gaddi, 3Simon bijgenaamd Tassi, 4Judas bijgenaamd Makkabeüs, 5Eleazar bijgenaamd Avaran en Jonatan bijgenaamd Affus.De Makkabeeën-familie 6Toen hij zag welke godslasterlijke taferelen zich in Judea en Jeruzalem afspeelden, 7zei hij:

‘Ach, ben ik geboren om te zien
hoe mijn volk wordt vernietigd,
hoe de heilige stad wordt verwoest?
Moet ik toezien
hoe de stad aan de vijand wordt uitgeleverd,
hoe het heiligdom in handen valt van vreemden?
8De tempel werd als een man zonder eer,
9het kostbare tempelgerei werd als buit weggevoerd.
Jeruzalems kinderen werden gedood in de straten,
haar jonge mannen vielen door het zwaard van de vijand.
10Welk volk bezit niet een deel van haar land,
heeft geen buit van haar bemachtigd?
11Beroofd is zij van al haar sieraden,
zij is een slavin, haar vrijheid is haar ontnomen.
12Onze heilige tempel is verwoest,
zijn pracht en praal zijn verdwenen,
vreemde volken hebben hem ontwijd.Toegeschreven aan Justus van Gent - De inneming van Jeruzalem
13Waarom nog zouden wij leven?’

14Mattatias en zijn zonen scheurden hun kleren, trokken rouwgewaden aan en gaven zich over aan diepe rouw.Jan (I) Voerman - De Rouwdagen

Begin van het verzet

Johan Saedeler naar Crispijn van den Broeck - Mattatias
Anoniem, Nederlands - Aron ha Kodesj
Claes Brouwer - Mattatias doodt een jood die een offer wil brengen
Claes Brouwer - Mattatias en zijn helpers doden de goddelozen

15Op zekere dag kwamen er afgezanten van de koning naar Modeïn. Ze moesten het volk dwingen zijn godsdienst af te zweren en erop toezien dat ook daar geofferd werd. 16Veel Israëlieten gingen naar hen toe, en ook Mattatias en zijn zonen maakten hun opwachting. 17De afgezanten van de koning richtten zich tot Mattatias: ‘U bent een leider en bezit macht en aanzien in deze stad, uw zonen en uw verwanten staan achter u.Johan Saedeler naar Crispijn van den Broeck - Mattatias 18Laat u de eerste zijn die het bevel van de koning opvolgt. Alle volken zijn u al voorgegaan, ook de inwoners van Judea en de mensen die nog in Jeruzalem wonen. Samen met uw zonen zult u tot de gunstelingen van de koning behoren, en u zult worden overladen met zilver, goud en vele andere geschenken.’ 19Maar Mattatias antwoordde met luide stem: ‘Zelfs al zijn alle volken in het rijk van de koning hem gehoorzaam, zelfs al wordt iedereen de godsdienst van zijn voorouders ontrouw door de bevelen van de koning op te volgen, 20dan nog zullen ik, mijn zonen en mijn verwanten trouw blijven aan het verbond van onze voorouders. 21God verhoede dat we de wet en de voorschriften verloochenen.Anoniem, Nederlands - Aron ha Kodesj 22Wij zullen het gebod van de koning niet gehoorzamen, noch zullen we ook maar een duimbreed afwijken van onze godsdienst.’ 23Hij was nog niet uitgesproken, of er trad voor het oog van de menigte een Jood naar voren die overeenkomstig het bevel van de koning een offer wilde brengen op het altaar in Modeïn. 24Mattatias zag het en werd woedend. Hij begon te trillen van verontwaardiging en liet, geruggensteund door de wet, zijn woede de vrije loop; hij rende op de man af en stak hem op het altaar neer.Ambrosius Zeebout – Tvoyage van Mher Joos van GhisteleB.W.A.E. Sloet tot Oldhuis – Antigonus, de Makkabeër 25Meteen doodde hij ook de afgezant van de koning die het volk tot offeren moest dwingen en haalde het altaar neer.Claes Brouwer - Mattatias doodt een jood die een offer wil brengen 26Zo toonde hij zijn toewijding aan de wet, zoals ook Pinechas eens had gedaan met Zimri, de zoon van Salu. 27Daarna trok Mattatias door de stad en riep met luide stem: ‘Laat ieder die de wet is toegedaan en pal staat voor het verbond zich bij mij aansluiten.’ 28Hij vluchtte met zijn zonen de bergen in, hun bezittingen lieten zij achter in de stad.

29In die tijd trokken velen die rechtvaardig wilden leven en wilden vasthouden aan de wet naar de woestijn. Daar vestigden ze zich 30samen met hun kinderen, hun vrouwen en hun vee, want de toestand was ondraaglijk geworden. 31Algauw vernamen de koninklijke afgezanten en de troepen die in de Davidsburcht in Jeruzalem waren gelegerd dat er Israëlieten waren die het gebod van de koning hadden genegeerd en naar afgelegen schuilplaatsen waren gevlucht. 32Met een grote legermacht gingen ze hen achterna en toen ze hen hadden opgespoord, sloegen ze in de buurt hun kamp op. Ze maakten zich op om hen op sabbat aan te vallen 33en riepen: ‘Dit is jullie laatste kans! Als jullie in leven willen blijven, kom dan naar buiten en gehoorzaam het gebod van de koning.’ 34Maar het antwoord van de Israëlieten luidde: ‘We komen niet naar buiten en zullen het gebod van de koning niet gehoorzamen; wij ontwijden de sabbat niet.’ 35Onmiddellijk ging het leger tot de aanval over. 36De Israëlieten verweerden zich niet, ze gooiden geen stenen en sloten hun schuilplaatsen niet af. 37Ze zeiden: ‘We gaan liever in onschuld de dood in; de hemel en de aarde zijn onze getuigen dat jullie ons ten onrechte ombrengen.’ 38En zo werden zij op sabbat aangevallen en afgeslacht, mannen, vrouwen en kinderen, ongeveer duizend in getal, samen met hun vee.

39Toen Mattatias en de zijnen dit te weten kwamen, gaven zij zich over aan diepe rouw. 40Ze zeiden tegen elkaar: ‘Als we allemaal zo handelen als onze broeders, als we ons leven en onze voorschriften niet verdedigen tegen vreemde volken, zullen we spoedig van de aarde worden weggevaagd.’ 41En zij besloten die dag aldus: ‘Als iemand ons op sabbat aanvalt, vechten wij terug, zodat we niet allemaal omkomen zoals onze broeders die in hun schuilplaatsen gedood werden.’

42In die tijd voegde zich een groep Chasideeën bij hen, strijdvaardige Israëlieten die bereid waren zich in te zetten voor de wet. 43Ook mensen die de onderdrukking waren ontvlucht, sloten zich bij hen aan om hun gelederen te versterken. 44Gezamenlijk brachten ze een leger op de been, en in woede en razernij doodden ze afvalligen en wetsverachters. Wie kon ontkomen vluchtte naar heidens gebied om zich in veiligheid te brengen. 45Mattatias en zijn vrienden trokken rond en haalden altaren neer.Claes Brouwer - Mattatias en zijn helpers doden de goddelozen 46Als ze onbesneden jongens in het gebied van Israël vonden, dan lieten ze die onder dwang besnijden. 47Ze achtervolgden hun hoogmoedige vijanden, en hun verzet was succesvol. 48Ze redden de wet uit de greep van de heidenen en hun vorsten, en gunden de afvalligen geen macht.

Mattatias’ afscheidsrede

Jacob Cornelisz. van Oostsanen - Scènes met David uit het Oude Testament
Jacob Cornelisz. van Oostsanen - Scènes uit het Oude Testament
Jacob Cornelisz. van Oostsanen - Scènes uit het Oude Testament

49Toen Mattatias voelde dat hij niet lang meer te leven had, zei hij tegen zijn zonen: ‘Nu breekt een tijd aan van hoogmoed en straf, van verschrikkingen en hevige toorn. 50Mijn zonen, toon jullie toewijding aan de wet en wees bereid je leven te geven voor het verbond van onze voorouders. 51Denk aan wat onze voorouders generaties lang hebben gedaan, dan zullen jullie eeuwige naam en faam verwerven. 52Bleek Abraham niet trouw te zijn toen hij op de proef werd gesteld, en is hem dat niet als een rechtvaardige daad toegerekend? 53Jozef hield zich aan het gebod, zelfs toen hij in het nauw werd gebracht, en hij werd koning van Egypte. 54Onze voorvader Pinechas ontving voor zijn grote toewijding de plechtige belofte van het eeuwige priesterschap. 55Jozua vervulde zijn opdracht en werd rechter over Israël. 56Kaleb getuigde voor het volk van zijn vertrouwen en kreeg daarom een deel van het land in zijn bezit. 57David verkreeg dankzij zijn vroomheid het eeuwige koningschap.Jacob Cornelisz. van Oostsanen - Scènes met David uit het Oude TestamentJacob Cornelisz. van Oostsanen - Scènes uit het Oude Testament 58Elia werd in de hemel opgenomen omdat hij zich met volle overgave voor de wet had ingezet. 59Chananja, Azarja en Misaël vertrouwden op God en werden zo uit het vuur gered. 60Daniël werd wegens zijn onschuld uit de muil van leeuwen bevrijd. 61Hieruit blijkt dat ieder die zijn hoop op God vestigt wordt gesterkt, elke generatie opnieuw. 62Wees niet bang voor de woorden van de zondaar, want zijn roem zal vergaan tot mest en wormen. 63Vandaag wordt hij geëerd, maar morgen is hij verdwenen; hij zal weer tot stof worden, zijn plannen zullen op niets uitlopen. 64Mijn zonen, wees moedig en sta sterk voor de wet, want door de wet zullen jullie roem verwerven.Jacob Cornelisz. van Oostsanen - Scènes uit het Oude Testament 65Simon hier, jullie broer, is een goed raadsman, dat weet ik. Luister steeds naar hem, hij zal een vader voor jullie zijn. 66Judas Makkabeüs is van jongs af aan de sterkste geweest. Hij zal jullie legeraanvoerder zijn en de oorlog tegen de vreemde volken leiden. 67Verzamel om jullie heen al diegenen die de wet navolgen en wreek jullie volk. 68Reken af met de heidenen en houd vast aan wat de wet voorschrijft.’ 69Daarna zegende hij hen en werd hij met zijn voorouders verenigd. 70Hij stierf in het jaar 146 en werd bijgezet in het graf van zijn voorouders in Modeïn. Heel Israël rouwde om zijn dood.1. Jeruzalem in verval. Mattatias

1 Makkabeeën 3

Judas Makkabeüs

Johan Saedeler naar Crispijn van den Broeck - Judas Makkabeüs
Herman Jansz. Muller naar Maarten van Heemskerck - De drie joodse helden: Jozua, David en Judas de Makkabeër

1Judas, bijgenaamd Makkabeüs, volgde zijn vader op.Joost van den Vondel – De Helden GodesJohan Saedeler naar Crispijn van den Broeck - Judas MakkabeüsHerman Jansz. Muller naar Maarten van Heemskerck - De drie joodse helden: Jozua, David en Judas de Makkabeër 2Hij had de steun van al zijn broers en van iedereen die zich bij zijn vader had aangesloten. Vol vuur streden zij voor Israël.

3Hij verbreidde de roem van zijn volk.
Als een reus trok hij ten strijde,
gehuld in een harnas,
omgord met wapentuig,
hij verdedigde zijn kamp met het zwaard.
4Hij vocht als een jonge leeuw,
brullend wierp hij zich op zijn prooi.
5Hij maakte jacht op wettelozen,
onderdrukkers van zijn volk dreef hij het vuur in.
6Wetsverachters deed hij beven van angst,
hij ontstelde de aanstichters van het kwaad.
Zo leidde hij zijn volk naar de bevrijding.
7Hij bracht vele koningen tot razernij,
maar Jakob verblijdde hij met zijn daden.
Zijn nagedachtenis zij eeuwig geprezen.
8Hij trok door Judea’s steden,
vernietigde de afvalligen.
Zo wendde hij de toorn af van Israël.
9Zijn roem bereikte de uiteinden van de aarde,
wie verloren leken bracht hij weer samen.Van den IX Besten

Eerste overwinningen van Judas

Pieter Hendriksz. Schut - Iudas Machabeus verslaet Apollonius den Hooftman, en een grooten hoop Vijanden met hem.
Rembrandt - Jan Uytenbogaert 'De goudweger'

10Apollonius bracht uit de omringende volken, maar hoofdzakelijk uit Samaria, een groot leger op de been om tegen Israël ten strijde te trekken. 11Toen Judas dit hoorde, trok hij hem tegemoet. Hij versloeg hem en doodde hem. Veel van Apollonius’ soldaten sneuvelden, de rest sloeg op de vlucht.Pieter Hendriksz. Schut - Iudas Machabeus verslaet Apollonius den Hooftman, en een grooten hoop Vijanden met hem. 12Judas’ mannen verzamelden de buit en hijzelf nam het zwaard van Apollonius, dat hij voortaan in de strijd gebruikte.

13Toen de Syrische legeraanvoerder Seron vernam dat Judas een groep wetsgetrouwe en strijdvaardige mannen om zich heen verzameld had, 14zei hij: ‘Ik wil naam maken en in het hele koninkrijk beroemd worden. Daarom zal ik ten strijde trekken tegen Judas en zijn aanhangers, die het bevel van de koning naast zich neerleggen.’ 15Met een enorm leger afvalligen trok hij tegen de Israëlieten op om wraak te nemen. 16Zodra Seron de berghelling van Bet-Choron had bereikt, ging Judas hem met een handjevol mannen tegemoet. 17Toen ze de legermacht zagen die tegen hen was uitgerukt, zeiden ze tegen Judas: ‘Wat kunnen wij met zo weinigen uitrichten tegen deze overmacht? We zijn moe en we hebben ook nog niets gegeten vandaag.’ 18Judas antwoordde hen: ‘Maar een kleine groep kan gemakkelijk een grote groep overmeesteren. Voor de hemel maakt het geen verschil of de redding door veel of door weinig mensen wordt gebracht. 19In oorlogen hangt de overwinning niet van aantallen soldaten af, maar van de kracht van de hemel. 20Onze vijand is vol overmoed en vol haat tegen de wet opgetrokken om ons en onze vrouwen en kinderen uit te roeien en onze bezittingen te roven, 21maar wij strijden voor ons leven en onze tradities. 22De hemel zal hen voor onze ogen verpletteren; jullie hebben niets van hen te vrezen.’ 23Meteen na deze woorden deed hij een verrassingsaanval, en Seron en zijn legermacht werden volkomen verpletterd. 24Ze achtervolgden hem van de berghelling van Bet-Choron tot aan de vlakte. Bijna achthonderd van Serons mannen sneuvelden, de rest vluchtte naar het land van de Filistijnen. 25Van toen af aan was men beducht voor Judas en zijn broers; de volken om hen heen leefden nu in angst. 26Ook de koning hoorde van Judas, en verhalen over zijn verzet deden bij elk volk de ronde.

27Het nieuws van deze gebeurtenissen wekte de woede van Antiochus op. Hij gaf bevel alle strijdkrachten van zijn rijk samen te trekken tot één reusachtig leger. 28Vervolgens opende hij zijn schatkist, betaalde de strijdkrachten een jaar soldij uit en droeg hun op zich paraat te houden. 29Maar algauw merkte hij dat het geld in de schatkist opraakte; vanwege de rampzalige opstand die hij had uitgelokt met de afschaffing van de eeuwenoude tradities waren de belastinginkomsten van het land geslonken. 30Hij vreesde dat hij, zoals al meer dan eens was voorgekomen, niet genoeg zou hebben voor de dagelijkse kosten, laat staan voor de geschenken die hij, meer nog dan zijn voorgangers, tot dan toe met gulle hand had uitgedeeld. 31Ten einde raad besloot hij naar Perzië te gaan en daar belasting te innen om de schatkist weer te vullen.Rembrandt - Jan Uytenbogaert 'De goudweger' 32Lysias, een geëerd lid van de koninklijke familie, belastte hij tot zijn terugkeer met het bestuur over het rijk tussen de Eufraat en de Egyptische grens; 33ook de opvoeding van zijn zoon Antiochus vertrouwde hij aan hem toe. 34Hij gaf hem het bevel over de helft van de strijdkrachten en over de olifanten, en droeg hem op al zijn plannen uit te voeren: hij moest troepen op de inwoners van Judea en Jeruzalem afsturen 35om de legermacht van Israël uit te schakelen en het verzet van de mensen die nog in Jeruzalem woonden te breken. Hij moest iedere herinnering aan hen uitwissen, 36hun gebied met vreemdelingen bevolken en het land onder hen verdelen. 37Met de andere helft van de troepen vertrok de koning in het jaar 147 uit Antiochië, de hoofdstad van zijn rijk, stak de Eufraat over en trok door de oostelijke provincies.

38Ptolemeüs, de zoon van Dorymenes, en Nikanor en Gorgias, dappere mannen uit de kring van vertrouwelingen van de koning, werden door Lysias uitgekozen 39en met veertigduizend soldaten en zevenduizend ruiters naar Judea gestuurd om het land te verwoesten, zoals de koning had bevolen. 40Met heel dat leger rukten ze uit en ze sloegen in de vlakte bij Emmaüs hun kamp op. 41De kooplieden van die streek hoorden ervan en kwamen met grote hoeveelheden zilver en goud en met voetboeien naar het legerkamp om de Israëlieten als slaven op te kopen. Het Syrische leger werd versterkt door troepen uit Idumea en het land van de Filistijnen.

Judas overwint Gorgias

Jan (I) Voerman - De Rouwdagen
Anoniem, Nederlands - Toramantel met siertorens en jad
Ram Katzir - Tora

42Judas en zijn broers beseften dat de situatie nijpend werd nu in hun gebied vijandelijke troepen gelegerd waren, en toen zij hoorden dat de koning bevel had gegeven hun volk volledig uit te roeien, 43zeiden ze tegen elkaar: ‘We moeten ons volk uit zijn ellende bevrijden, we moeten strijden voor ons volk en het heiligdom.’ 44Ze verzamelden zich om zich op te maken voor de strijd, en ze baden en smeekten om ontferming en mededogen.

45Jeruzalem was verlaten als een woestijn,
geen bewoner ging zijn poorten nog in of uit.
De tempel was vertrapt,
vreemdelingen verschansten zich in de citadel,
vreemde volken bewoonden de stad.
Jakob kende geen vreugde meer,
fluit en citer zwegen.

46Ze kwamen bijeen in Mispa, in de buurt van Jeruzalem, omdat Mispa vroeger een plaats van gebed voor Israël was geweest. 47Ze vastten die dag, trokken een boetekleed aan, wierpen stof over hun hoofd en scheurden hun kleren.Jan (I) Voerman - De Rouwdagen 48Zoals andere volken voor een aanwijzing hun godenbeelden raadplegen, zo openden zij de wetsrol.Anoniem, Nederlands - Toramantel met siertorens en jadRam Katzir - Tora 49Ze hadden de priesterlijke gewaden, de eerste opbrengst van de nieuwe oogst en de tienden meegenomen en riepen de nazireeërs bijeen die hun gelofte volbracht hadden.Nazireeërs 50Ze riepen luid naar de hemel: ‘Waar moeten wij deze mensen en deze dingen in veiligheid brengen? 51Uw tempel is onder de voet gelopen en ontwijd, uw priesters zijn vernederd en in rouw gedompeld. 52En nu hebben vreemde volken zich aaneengesloten om ons te vernietigen. U weet wat ze met ons van plan zijn. 53Hoe kunnen wij ons tegen hen teweerstellen als u ons niet helpt?’ 54Daarna bliezen ze op de trompetten en schreeuwden luid. 55Vervolgens stelde Judas leiders aan over het volk, bevelhebbers over duizend, honderd, vijftig en tien man. 56En zoals de wet voorschrijft liet hij iedereen naar huis gaan die een huis aan het bouwen was, zou gaan trouwen, een wijngaard had geplant of die het aan moed ontbrak. 57Het leger vertrok en sloeg zijn kamp op ten zuiden van Emmaüs. 58Judas zei: ‘Bereid je voor en vat moed! Zorg ervoor dat je morgenochtend gereed bent om de strijd aan te gaan met de vijand die zich verzameld heeft en ons en onze tempel wil vernietigen. 59We kunnen beter sterven in de strijd dan te moeten aanzien welk onheil ons volk en het heiligdom treft. 60Zoals de hemel het wil, zo zal het gebeuren.’

1 Makkabeeën 4

1Die nacht verliet Gorgias met vijfduizend soldaten en duizend voortreffelijke ruiters zijn legerkamp 2om het kamp van de Joden bij verrassing aan te vallen; mannen uit de citadel waren zijn gids. 3Maar Judas kwam het te weten en trok er met zijn strijdkrachten op uit om het leger van de koning in Emmaüs aan te vallen 4terwijl Gorgias’ troepen nog verspreid waren buiten het legerkamp. 5Toen Gorgias ’s nachts bij het legerkamp van Judas kwam, trof hij er niemand aan. In de veronderstelling dat ze voor hem waren gevlucht, ging hij naar hen op zoek in de bergen. 6Tegen de ochtend verscheen Judas met drieduizend man in de vlakte. Terwijl ze het zelf zonder goede harnassen en zwaarden moesten stellen, 7zagen ze dat het legerkamp van de vijand zwaar versterkt was, met daaromheen een kordon van ruiters, geoefend in oorlogsvoering. 8Judas zei tegen zijn mannen: ‘Laat je niet ontmoedigen door hun overmacht en wees niet bang als zij oprukken. 9Bedenk hoe onze voorouders zijn gered bij de Rode Zee, toen ze door de farao en zijn leger werden achtervolgd. 10Laten we de hemel aanroepen en vragen of hij ons goedgezind wil zijn en het verbond met onze voorouders gestand wil doen door dit leger vandaag nog voor onze ogen te verpletteren. 11Dan zullen alle volken weten dat er iemand is die Israël bevrijdt en redt.’ 12De vreemdelingen zagen de Joden op zich afkomen 13en verlieten hun legerkamp om de aanval te openen. Aan de kant van Judas werd op de trompet geblazen, 14en de strijd begon. De vijand werd verslagen: wie kon vluchtte de vlakte in, 15de anderen vielen tot de laatste man. Judas’ soldaten achtervolgden hen tot aan Gezer en de vlakten van Idumea, Azotus en Jamnia; er sneuvelden bijna drieduizend mannen. 16Nadat Judas en zijn leger van de achtervolging waren teruggekeerd, 17zei hij tegen het volk: ‘Stel het plunderen nog even uit, want er staat ons nog een veldslag te wachten. 18Gorgias en zijn mannen zijn niet ver van ons gelegerd, in de bergen. Eerst moeten jullie je tegenover de vijand opstellen en met hem de strijd aangaan, daarna zijn jullie vrij om de buit binnen te halen.’ 19Judas was nog niet uitgesproken, of er verscheen een legereenheid vanuit de bergen. 20Er was rook zichtbaar die de eenheid deed vermoeden wat er was gebeurd. Ze zagen dat de andere eenheden waren gevlucht, en uit de opstijgende rook konden ze opmaken dat hun kamp in brand gestoken was. 21Deze ontdekking bracht hen in verwarring, temeer omdat ze begrepen dat Judas’ leger zich in de vlakte had opgesteld. 22De hele eenheid sloeg op de vlucht naar het land van de Filistijnen. 23Judas ging terug, plunderde hun kamp en maakte veel buit: goud en zilver, zeeblauwe en purperrode stoffen, en andere kostbaarheden. 24Zingend aanvaardden ze de terugtocht en loofden de hemel: ‘Hij is goed, en eeuwig duurt zijn barmhartigheid.’ 25En zo werd Israël die dag op grootse wijze gered.

Judas verslaat Lysias en reinigt de tempel

Claes Brouwer - De strijd tussen Judas en Lysias
Elias Smalhout - De dood
De Heilige berg
Jan Everts Cloppenborch - Jeruzalem met een krans van attributen
Onbekend - Den Tabernakel van binnen te sien/de welcke in de woestijne van de Leviten opgestelt
Anoniem, Nederlands - Neer tanied, eeuwige lamp
Anoniem Middelburg - Parochet

26De vreemdelingen die zich hadden weten te redden, meldden zich bij Lysias om hem te vertellen wat er was gebeurd. 27Hun nieuws bracht hem in verwarring en ontmoedigde hem, want met Israël was niet gebeurd wat hij had gewild, en de opdracht die de koning hem had gegeven was niet uitgevoerd. 28Het jaar daarop bracht hij zestigduizend voortreffelijke krijgslieden en vijfduizend ruiters samen voor de strijd. 29Ze kwamen tot in Idumea en sloegen hun kamp op in Bet-Sur, waar Judas hun tegemoet kwam met tienduizend man. 30Judas zag hoe sterk hun leger was en bad: ‘Geprezen bent u, redder van Israël, die de vijand hebt verpletterd door uw dienaar David en die het leger van de Filistijnen in handen hebt gegeven van Jonatan, de zoon van Saul, en zijn wapendrager. 31Laat ook dit leger in handen vallen van uw volk Israël en laat het met voetvolk, ruiters en al verslagen worden. 32Maak hen bang, maak een einde aan hun overmoed, bezorg hun een nederlaag die hun nog lang zal heugen. 33Haal hen neer met het zwaard van degenen die u liefhebben, dan zal iedereen die uw naam kent u met lofliederen loven.’ 34De strijd begon en van het leger van Lysias sneuvelden bijna vijfduizend krijgslieden in gevechten van man tot man. 35Toen Lysias zag dat de kansen van zijn leger waren gekeerd en dat Judas’ mannen moed hadden gevat en bereid waren zich dood te vechten, trok hij zich terug naar Antiochië. Daar rekruteerde hij huurlingen om met een veel groter leger naar Judea terug te keren.Claes Brouwer - De strijd tussen Judas en LysiasElias Smalhout - De dood

36Judas en zijn broers zeiden: ‘Onze vijanden zijn verslagen. Laten we het heiligdom reinigen en het opnieuw inwijden.’De Heilige berg 37Het hele leger verzamelde zich en ging op weg naar de Sion. 38Daar zagen ze hoe verlaten het heiligdom er bij lag. Het altaar was ontwijd, de poorten waren verbrand en de voorhoven waren met onkruid overwoekerd, als in een bos of in de bergen. De vertrekken van de priesters waren vervallen. 39Judas en zijn mannen scheurden hun kleren en begonnen luid te jammeren. Ze gooiden stof over hun hoofd 40en wierpen zich op de grond. Ze bliezen op de trompetten en riepen de hemel aan. 41Vervolgens wees Judas een groep mannen aan die het garnizoen in de citadel op een afstand moest houden totdat het heiligdom gereinigd was. 42Hij koos wetsgetrouwe priesters uit van onbesproken gedrag, 43die het heiligdom reinigden en de stenen die het altaar ontwijd hadden afvoerden naar een onreine plaats. 44Ze overlegden wat ze met het ontwijde brandofferaltaar moesten doen 45en besloten – terecht – het neer te halen, zodat het hun niet tot schande zou strekken nu het door vreemde volken verontreinigd was. Ze haalden het altaar dus neer 46en legden de stenen op een geschikte plaats op de tempelberg tot er een profeet zou komen die wist wat ermee moest gebeuren. 47Daarna namen ze ongehouwen stenen, zoals de wet voorschrijft, en bouwden een nieuw altaar, precies als het vorige. 48Ze brachten het heiligdom en de ruimten in de tempel in de oude staat terug en heiligden de voorhoven.Jan Everts Cloppenborch - Jeruzalem met een krans van attributenOnbekend - Den Tabernakel van binnen te sien/de welcke in de woestijne van de Leviten opgestelt 49Ze maakten nieuw tempelgerei en zetten de lampenstandaard, het reukofferaltaar en de tafel van de toonbroden in de tempel. 50Ze brandden reukwerk op het altaar en staken de lampen aan, die voortaan weer in de tempel brandden.Anoniem, Nederlands - Neer tanied, eeuwige lamp 51Ze legden toonbroden op de tafel en hingen de voorhangsels op. Daarmee was het werk dat ze ondernomen hadden voltooid.Anoniem Middelburg - Parochet 52Op de vijfentwintigste van de negende maand, te weten de maand kislew, van het jaar 148 53stonden ze in alle vroegte op en brachten volgens voorschrift een offer op het nieuwe brandofferaltaar. 54Op dezelfde dag en op hetzelfde uur dat vreemde volken het altaar hadden ontwijd, werd het nieuwe altaar ingewijd, terwijl er liederen en muziek van citers, harpen en cimbalen ten gehore werden gebracht. 55Het hele volk knielde neer en boog diep voorover om de hemel, die hen geholpen had, te loven. 56Acht dagen lang vierden ze de inwijding van het altaar en brachten ze vol vreugde brandoffers, vredeoffers en dankoffers. 57Ze versierden de voorkant van de tempel met gouden kransen en met schildjes. Ze vernieuwden de poorten en de priestervertrekken en voorzagen ze van deuren. 58Er heerste grote vreugde onder het volk omdat de smaad die ze van de vreemde volken ondervonden hadden, was afgewend. 59Judas bepaalde samen met zijn broers en de hele volksvergadering dat het feest van de altaarinwijding jaarlijks acht dagen met blijdschap en vreugde gevierd zou worden, te beginnen op 25 kislew. 60In die tijd bouwden ze ook een hoge muur om de Sion, met versterkte torens, zodat andere volken het heiligdom niet nog eens binnen zouden kunnen vallen. 61Judas legerde er een garnizoen om de berg te bewaken en hij versterkte Bet-Sur, zodat het volk een vesting had aan de grens met Idumea.Inwijdingsfeest (Chanoeka)

1 Makkabeeën 5

Judas verslaat omringende volken

Onbekend - Tweede Tempel te Jeruzalem
Claes Brouwer - Judas verovert de vesting van Datema

1Toen de omringende volken hoorden dat het altaar herbouwd was en het heiligdom in de oude staat was teruggebracht, werden ze woedend. 2Ze besloten om de nakomelingen van Jakob die in hun midden woonden uit te roeien, en begonnen dood en verderf te zaaien onder het volk. 3Judas trok op tegen de nakomelingen van Esau in Idumea, omdat ze een blokkade tegen de Israëlieten hadden opgeworpen, en viel Akrabattene aan. Hij bracht hun een zware nederlaag toe, dwong hen op de knieën en plunderde de stad. 4Hij rekende af met de Beonieten, die met hun valkuilen en versperringen de Israëlieten voortdurend in hinderlagen lokten. 5Hij sloot hen in hun torens op, waarna hij een beleg rond hen sloeg, een vloek over hen uitriep en de torens met iedereen erin in brand stak. 6Daarna trok hij nog op tegen de Ammonieten. Hij vond een sterke en grote strijdmacht tegenover zich, aangevoerd door Timoteüs. 7Na vele gevechten wist hij hun macht uiteindelijk te breken en kon hij hen verslaan. 8Nadat hij Jazer met de omliggende dorpen veroverd had, keerde hij terug naar Judea.

9De volken in Gilead bundelden hun krachten om de Israëlieten die in hun gebied woonden te vernietigen. Die namen de wijk naar de vesting van Datema 10en stuurden van daaruit de volgende brief naar Judas en zijn broers:

‘De volken om ons heen hebben hun krachten gebundeld om ons te vernietigen. 11Ze staan op het punt om de vesting waar wij onze toevlucht hebben gezocht te veroveren; Timoteüs is de aanvoerder van hun troepen. 12Kom daarom meteen en red ons, want velen van ons zijn al gesneuveld. 13In het gebied van Tobia zijn al onze broeders, ongeveer duizend man, gedood, hun vrouwen en kinderen zijn gevangengenomen en hun bezittingen buitgemaakt.’

14Judas en zijn mannen hadden de brief nog niet gelezen, of er kwamen boden uit Galilea. Zij hadden hun kleren gescheurd en berichtten hun 15dat Ptolemaïs, Tyrus, Sidon en heel het heidense Galilea hun krachten hadden gebundeld om de Joden volledig uit te roeien. 16Toen ze dit bericht hoorden, riepen ze een grote vergadering bijeen om te beraadslagen wat ze voor hun verdrukte en belaagde broeders konden doen. 17Judas zei tegen zijn broer Simon: ‘Neem zoveel mannen mee als je nodig hebt en bevrijd je broeders in Galilea. Ik zal met onze broer Jonatan naar Gilead gaan.’Onbekend - Tweede Tempel te Jeruzalem 18Josefus, de zoon van Zacharias, en Azarias liet hij achter als leiders van het volk, samen met de rest van het leger, dat Judea moest beschermen. 19Hij droeg hun op: ‘Het volk staat onder jullie bevel. Maar begin geen oorlog met de vijand voordat wij zijn teruggekeerd.’ 20Simon kreeg drieduizend man toegewezen voor zijn tocht naar Galilea, en Judas kreeg achtduizend man voor de veldtocht naar Gilead.

21Simon trok dus op naar Galilea. Na vele gevechten wist hij de macht van de vreemde volken te breken. 22Hij achtervolgde ze tot aan de poort van Ptolemaïs. Aan de kant van de vijand sneuvelden ongeveer drieduizend mannen; hun wapenrusting maakte hij buit. 23Hij bevrijdde de Joden uit Galilea en Arbatta met hun vrouwen en kinderen en bracht hen met al hun bezittingen onder luid gejuich naar Judea. 24Intussen waren Judas Makkabeüs en zijn broer Jonatan de Jordaan overgestoken en drie dagen door de woestijn getrokken. 25Daar stuitten ze op een groep Nabateeërs die hen vriendelijk tegemoet traden en vertelden in welke omstandigheden de Joden in Gilead verkeerden: 26‘Velen van hen zijn ingesloten in de grote vestingsteden Bosorra, Bozor, Alema, Chasfo, Maked en Karnaïn, 27en ook in andere steden in Gilead zitten Joden ingesloten. Er worden voorbereidingen getroffen om deze vestingen morgen aan te vallen en in te nemen en de Joden allemaal diezelfde dag nog te vernietigen.’ 28Hierop keerde Judas met zijn leger door de woestijn terug naar Bosra. Hij veroverde de stad, doodde alle mannen, plunderde de huizen en stak de stad in brand. 29’s Nachts vertrok hij van daar en reisde naar de vesting van Datema. 30Vroeg in de ochtend zagen ze een enorme menigte die de aanval opende en met ladders en stormtorens de vesting probeerde te veroveren.Claes Brouwer - Judas verovert de vesting van Datema 31Judas begreep dat de strijd begonnen was. Uit de stad steeg luid geschreeuw en geroep ten hemel en er klonk trompetgeschal. 32Hij riep zijn mannen toe: ‘Strijd vandaag voor ons volk!’ 33En in drie afdelingen vielen zij, onder trompetgeschal en het uitroepen van gebeden, de vijand in de rug aan. 34Zodra de strijders van Timoteüs in de gaten kregen dat ze met de Makkabeeër van doen hadden, sloegen ze op de vlucht. Judas bracht hun een zware nederlaag toe; er sneuvelden die dag bijna achtduizend man. 35Daarna boog Judas af naar Maäfa. Hij deed een aanval op de stad, nam haar in en doodde alle mannelijke inwoners. Hij plunderde de stad en stak haar in brand. 36Van daar trok hij verder en veroverde Chasfo, Maked, Bozor en de overige steden van Gilead. 37Na deze gebeurtenissen bracht Timoteüs een ander leger op de been en sloeg hij zijn kamp op tegenover Rafon, aan de overzijde van de wadi. 38Judas zond verkenners uit om het kamp te bespieden. Zij meldden hem het volgende: ‘Hij beschikt over een reusachtige legermacht, want alle volken uit de omtrek hebben zich bij hem aangesloten, 39en hij heeft ook nog Arabische troepen gehuurd. Zij hebben hun kamp opgeslagen aan de overkant en staan klaar om u aan te vallen.’ Judas trok op, de strijd tegemoet, 40en naderde de wadi, die vol water stond. Timoteüs zei tegen zijn legeraanvoerders: ‘Wanneer hij als eerste oversteekt kunnen we niets tegen hem beginnen, dan zal hij zeker sterker zijn dan wij. 41Maar als hij laf is en aan de overkant blijft, dan steken wij over en zijn wij sterker dan hij.’ 42Bij de wadi aangekomen stelde Judas soldaat-schrijvers aan de oever op en gaf hun dit bevel: ‘Zorg ervoor dat niemand in het kamp achterblijft en dat iedereen zich in de strijd werpt.’ 43Zelf stak hij als eerste over, en alle manschappen volgden hem. De heidenen werden vernietigend verslagen, ze gooiden hun wapens weg en vluchtten naar het heiligdom van Karnaïn. 44Maar de Joden veroverden de stad en staken het heiligdom met iedereen erin in brand. Zo werd Karnaïn verslagen, en er was niemand die Judas nog weerstand kon bieden.

45Judas bracht alle Israëlieten bijeen die in Gilead woonden, van jong tot oud, met hun vrouwen, kinderen en hun bezittingen, een enorme mensenmenigte, om op weg te gaan naar Judea. 46Ze trokken tot aan Efron, een grote, zwaar versterkte stad die op hun weg lag. Het was niet mogelijk links of rechts om de stad heen te trekken, ze moesten er dwars doorheen. 47De inwoners van de stad sloten de weg voor hen af en blokkeerden de poorten met stenen. 48Judas zond boden naar hen toe met een vreedzame boodschap: ‘Laat ons door jullie gebied trekken om naar ons land te gaan. Niemand zal jullie kwaad doen, we willen alleen te voet door de stad trekken.’ Maar ze openden de poorten niet. 49Toen liet Judas in het legerkamp omroepen dat iedereen op de plaats waar hij was zijn stelling moest innemen. 50De mannen stelden zich op en bestookten de stad de hele dag en de hele nacht, totdat ze haar in handen hadden. 51Judas doodde alle mannen, maakte de stad met de grond gelijk en trok met de buit over de lijken heen door de stad. 52Hij stak de Jordaan over naar de grote vlakte bij Bet-San. 53Hij zorgde ervoor dat de achterblijvers niet verder achterop raakten en sprak het volk gedurende de hele weg moed in, totdat ze Judea bereikten. 54Daar bestegen ze vol blijdschap en vreugde de Sion en brachten er brandoffers, omdat ze niemand hadden verloren en iedereen veilig was teruggekeerd.

55In de tijd dat Judas en Jonatan in Gilead waren en hun broer Simon in Galilea, in de buurt van Ptolemaïs, 56hoorden de legeraanvoerders Josefus, de zoon van Zacharias, en Azarias van hun heldendaden en de veldslagen die ze hadden geleverd. 57Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten wij ook proberen beroemd te worden en optrekken tegen de volken om ons heen.’ 58En ze gaven hun leger bevel op te trekken naar Jamnia. 59Maar Gorgias en zijn mannen kwamen hun vanuit de stad tegemoet om strijd te leveren. 60Josefus en Azarias werden op de vlucht gejaagd en tot aan de grens van Judea achtervolgd. Er vielen die dag bijna tweeduizend Israëlieten. 61Deze zware tegenslag trof het volk, doordat de legerleiders niet naar Judas en zijn broers geluisterd hadden maar gemeend hadden heldendaden te moeten verrichten. 62Bovendien behoorden ze niet tot het geslacht mannen aan wie het gegeven was Israël te redden.

63De heldhaftige Judas en zijn broers werden geëerd in heel Israël en door alle volken bij wie hun naam bekend werd. 64Van alle kanten kwam men hun eer bewijzen. 65Judas en zijn broers trokken opnieuw naar het zuiden om slag te leveren met de nakomelingen van Esau. Hij veroverde Hebron en de omliggende dorpen, haalde de vestingmuren neer en stak de torens rond de stad in brand. 66Hij brak op om naar het land van de Filistijnen te gaan en trok door Maresa. 67Die dag sneuvelden er priesters die heldendaden wilden verrichten en ondoordacht ten strijde waren getrokken. 68Vervolgens boog Judas af naar Azotus in het land van de Filistijnen. Hij haalde hun altaren neer, stak hun godenbeelden in brand, plunderde steden en keerde terug naar Judea.