Inhoudsopgave Rechters Volgende 5 hoofdstukken

Rechters > Hoofdstuk 1 - 5

Rechters 1

Vestiging in Kanaän

Meesters van Otto van Moerdrecht - Juda wordt als gezagvoerder aangewezen
Meesters van Otto van Moerdrecht - De Judeeërs zetten Jeruzalem in brand
Palestina ten tijde van koning David
Palestina ten tijde van koning David

1Na de dood van Jozua raadpleegden de Israëlieten de HEER: ‘Wie van ons moet als eerste de strijd aanbinden met de Kanaänieten?’ 2De HEER antwoordde: ‘Juda moet als eerste oprukken; hun geef ik het land in handen.’Meesters van Otto van Moerdrecht - Juda wordt als gezagvoerder aangewezen 3Toen zeiden de Judeeërs tegen de stam Simeon, hun broeders: ‘Trek met ons op naar het grondgebied dat ons door het lot is toegewezen en bind samen met ons de strijd aan tegen de Kanaänieten. Daarna zullen wij op onze beurt met u meegaan naar het grondgebied dat u door het lot is toegewezen.’ Hierop ging Simeon met hen mee.

4Juda rukte op, en de HEER leverde de Kanaänieten en Perizzieten aan hen uit; bij Bezek versloegen ze er tienduizend. 5Ze kwamen daar tegenover Adonibezek te staan, bonden de strijd met hem aan en versloegen de Kanaänieten en Perizzieten. 6Adonibezek sloeg op de vlucht, maar na een achtervolging kregen ze hem te pakken en hakten hem zijn duimen en zijn grote tenen af. 7Adonibezek verklaarde: ‘Ik heb aan mijn hof wel zeventig koningen van wie ik de duimen en grote tenen heb afgehakt en die zich in leven houden met de kruimels onder mijn tafel. God vergeldt mij nu wat ik hun heb aangedaan!’ Hij werd naar Jeruzalem gebracht, en daar is hij gestorven.

8De Judeeërs deden een aanval op Jeruzalem en veroverden de stad. Ze doodden alle inwoners en lieten de stad in vlammen opgaan.Meesters van Otto van Moerdrecht - De Judeeërs zetten Jeruzalem in brand 9Toen trokken ze verder om de strijd aan te binden tegen de Kanaänieten die in het bergland woonden, in de Negev en in het heuvelland. 10Eerst vielen ze de Kanaänieten in Hebron aan, dat toen nog Kirjat-Arba heette. Daar versloegen ze Sesai, Achiman en Talmai. 11Vervolgens trokken ze op tegen Debir, dat toen nog Kirjat-Sefer heette. 12Kaleb beloofde: ‘Wie Kirjat-Sefer verovert zal ik mijn dochter Achsa tot vrouw geven.’ 13Otniël, een zoon van Kalebs jongere broer Kenaz, veroverde de stad en kreeg Achsa tot vrouw. 14Bij haar aankomst spoorde Achsa hem aan om aan haar vader een stuk vruchtbaar land te vragen. Toen ze van haar ezel was afgestegen, vroeg Kaleb haar wat ze verlangde. 15‘Geef me toch een geschenk waar ik wat aan heb,’ antwoordde ze. ‘U hebt me dit dorre stuk land gegeven, geef me dan ook bronnen.’ Hierop gaf Kaleb haar zowel de hoog- als de laaggelegen bronnen.

16Vanuit de Palmstad waren met de Judeeërs ook de Kenieten, stamgenoten van de schoonvader van Mozes, naar de woestijn van Juda opgetrokken. Zij vestigden zich te midden van de bewoners van het gebied rond Arad. 17Samen met de stam Simeon versloegen de Judeeërs vervolgens de Kanaänieten in Sefat en vernietigden de stad. Sindsdien heet die stad Chorma. 18Ook veroverden de Judeeërs het hele gebied van Gaza, het hele gebied van Askelon en het hele gebied van Ekron.

19Met de hulp van de HEER maakte Juda zich meester van het bergland, maar het lukte niet om de bewoners van de laagvlakte te verdrijven, want die beschikten over ijzeren strijdwagens.Van bronstijd naar ijzertijd 20Hebron werd, overeenkomstig de woorden van Mozes, toegewezen aan Kaleb, die de drie zonen van Enak uit de stad verdreef. 21Maar de Jebusieten in Jeruzalem werden door de stam Benjamin niet verdreven; zij wonen er tot op de dag van vandaag samen met de Benjaminieten.Palestina ten tijde van koning David


22Ook de nakomelingen van Jozef rukten op, naar Betel, en de HEER stond hen bij. 23Ze stuurden verkenners naar Betel, dat vroeger Luz heette. 24Toen de verkenners een man uit de stad zagen komen, zeiden ze tegen hem: ‘Als u ons wijst hoe we in de stad kunnen komen, zullen wij u goed behandelen.’ 25De man wees hun hoe ze de stad konden binnenkomen. Ze doodden alle inwoners, maar lieten de man met heel zijn familie in leven. 26Hij trok naar het land van de Hethieten. Daar bouwde hij een stad die hij Luz noemde, en die zo heet tot op de dag van vandaag.

27De stam Manasse heeft zich niet meester gemaakt van Bet-San en Taänach en de omliggende dorpen. Ze verdreven ook de inwoners van Dor, Jibleam en Megiddo en de omliggende dorpen niet; in dit gebied handhaafden de Kanaänieten zich. 28Toen de Israëlieten sterker werden, legden ze de Kanaänieten herendienst op, maar ze verdreven hen niet. 29De stam Efraïm heeft de inwoners van Gezer niet verdreven; de Kanaänieten daar bleven in hun midden wonen. 30De stam Zebulon heeft de inwoners van Kitron en Nahalol niet verdreven; de Kanaänieten bleven in hun midden wonen en werden gedwongen tot herendienst. 31De stam Aser heeft de inwoners van Akko en Sidon niet verdreven en Achlab, Achzib, Chelba, Afek en Rechob niet veroverd; 32de Aserieten vestigden zich te midden van de Kanaänieten die er woonden en verdreven hen niet. 33De stam Naftali heeft de inwoners van Bet-Semes en Bet-Anat niet verdreven; ze vestigden zich te midden van de Kanaänieten die er woonden en dwongen hen tot herendienst. 34De stam Dan werd door de Amorieten teruggedrongen tot in het bergland en kreeg geen kans naar de laagvlakte af te dalen. 35De Amorieten handhaafden zich in Har-Cheres, Ajjalon en Saälbim, maar toen de nakomelingen van Jozef sterker werden, dwongen zij hen tot herendienst. 36Het gebied van de Amorieten reikte tot aan de Schorpioenenpas, tot aan Sela en verder.Palestina ten tijde van koning David

Rechters 2

1Er kwam een engel van de HEER uit Gilgal naar Bochim. Daar zei hij: ‘Ik heb jullie uit Egypte geleid naar het land dat ik jullie voorouders onder ede had beloofd. Ik heb gezegd dat ik mijn verbond met jullie nooit zou verbreken.De Engel des HERENHet exodusmotief in het Oude Testament 2Maar jullie mochten geen verdragen sluiten met de inwoners van dit land en hun altaren moesten jullie afbreken. Maar jullie hebben niet geluisterd naar wat ik heb gezegd. Hoe hebben jullie dat kunnen doen? 3Daarom heb ik besloten dat ik de inwoners van dit land niet voor jullie zal verdrijven. Zij zullen jullie in hun netten verstrikken en hun goden zullen jullie ondergang worden.’ 4Toen de engel van de HEER deze woorden tot de Israëlieten had gesproken, barstte het volk in gejammer uit. 5Ze noemden die plaats Bochim en brachten er offers aan de HEER.

Israël verbreekt het verbond

Willem Vis - Penning met kandelaar en Golda Meïr
Onbekend - Stele met de stormgod Baäl uit Ras Shamra

6Toen Jozua de volksvergadering had ontbonden, waren de Israëlieten erop uitgetrokken om het land in bezit te nemen, elke stam het gebied dat hun was toegewezen. 7Zolang Jozua leefde, had het volk de HEER gediend. Ook na zijn dood waren ze de HEER blijven dienen zolang de stammen werden aangevoerd door Jozua’s leeftijdsgenoten, die getuige waren geweest van de grootse daden die de HEER voor Israël had verricht. 8Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van de HEER, was gestorven toen hij honderdtien jaar oud was.Jozua 9Hij was begraven in het gebied dat hem was toegewezen: in Timnat-Cheres in het bergland van Efraïm, ten noorden van de Gaäs. 10Toen ook zijn leeftijdsgenoten met hun voorouders waren verenigd, kwam er een volgende generatie, die niet vertrouwd was met de HEER en wat hij voor Israël had gedaan.Willem Vis - Penning met kandelaar en Golda Meïr

11De Israëlieten begonnen te doen wat slecht is in de ogen van de HEER: ze gingen de Baäls dienen.Baäl 12Ze keerden de HEER de rug toe, de God van hun voorouders, die hen uit Egypte had geleid, en begonnen achter andere goden aan te lopen die werden vereerd door de volken waartussen ze woonden. Door voor die vreemde goden te buigen krenkten ze de HEER. 13Ze keerden hem de rug toe om Baäl en de Astartes te dienen.Onbekend - Stele met de stormgod Baäl uit Ras Shamra 14Toen ontstak de HEER in woede tegen de Israëlieten. Hij leverde hen uit aan roversbenden en aan de hen omringende vijanden, zodat ze daartegen geen stand meer hielden. 15Telkens als ze iets tegen hun vijanden ondernamen, werkte de HEER hen tegen, zoals hij hun gezegd en gezworen had. Steeds weer kregen de Israëlieten het zwaar te verduren. 16Dan liet de HEER een rechter optreden om het volk te leiden en het te bevrijden van de roversbenden. 17Maar ook naar hun rechters luisterden ze niet; ze gaven zich af met andere goden en bogen zich voor hen neer. Binnen de kortste keren dwaalden ze weer af van de weg die hun voorouders waren gegaan: die hadden de geboden van de HEER gehoorzaamd, maar zij niet. 18Steeds wanneer de HEER een rechter liet optreden, stond hij die bij. Want wanneer het volk zuchtte onder het juk van onderdrukkers, kreeg de HEER medelijden en verloste hij hen van hun vijanden zolang die rechter leefde. 19Maar wanneer de rechter dan stierf, verviel het volk van kwaad tot erger. Meer nog dan hun voorouders liepen ze achter andere goden aan om die te dienen en bogen ze zich voor hen neer. Ze weigerden hardnekkig hun kwalijke praktijken op te geven.Rechters

20De HEER ontstak in woede tegen Israël en zei: ‘Dit volk overtreedt de regels van het verbond die ik hun voorouders heb opgelegd en het luistert niet naar mij. 21Ik zal daarom geen enkel volk meer verdrijven dat nog in het land woonde toen Jozua stierf.’ 22-23De HEER had die volken namelijk in het land laten blijven en ze niet onmiddellijk verdreven omdat hij de Israëlieten op de proef wilde stellen. Hij had ze niet aan Jozua uitgeleverd, omdat hij wilde zien of de Israëlieten zich net als hun voorouders zouden houden aan de weg die hij hun had gewezen of niet.

Rechters 3

Justus van Gent - Mozes
Onbekend - bidprent met De Tien Geboden

1-2Om de Israëlieten die de strijd tegen de Kanaänieten niet hadden meegemaakt te leren hoe het er in de oorlog aan toegaat (dus alleen om de nieuwe generaties die nog geen ervaring met de strijd hadden opgedaan daarmee vertrouwd te maken), had de HEER de volgende volken in het land laten blijven: 3de Filistijnen in hun vijf vorstendommen en verder de Kanaänieten, de Sidoniërs en de Chiwwieten die in het Libanongebergte leefden, vanaf de Baäl-Hermon tot aan Lebo-Hamat. 4Deze volken waren overgebleven om de Israëlieten op de proef te stellen, opdat de HEER te weten zou komen of zij de geboden zouden gehoorzamen die hij hun voorouders bij monde van Mozes had opgelegd.Justus van Gent - MozesOnbekend - bidprent met De Tien Geboden 5Maar toen de Israëlieten eenmaal tussen de volken van Kanaän woonden, te weten de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten, 6namen ze hun dochters tot vrouw en gaven ze hun eigen dochters aan de zonen van die volken, en dienden hun goden.1. Inleiding

De eerste rechters: Otniël, Ehud, Samgar

Meesters van Otto van Moerdrecht - Ehud doodt koning Eglon

7De Israëlieten deden wat slecht is in de ogen van de HEER: ze vergaten de HEER, hun God, en dienden de Baäls en de Asjera’s. 8De HEER werd woedend op de Israëlieten en leverde ze uit aan Kusan-Risataïm, de koning van Aram-Naharaïm; acht jaar moesten ze hem dienen. 9De Israëlieten riepen de HEER te hulp, en de HEER zond iemand om hen te bevrijden: Otniël, een zoon van Kalebs jongere broer Kenaz. 10Gedreven door de geest van de HEER trad hij op als rechter over Israël. Hij trok ten strijde, en de HEER leverde koning Kusan-Risataïm van Aram aan hem uit, zodat hij hem een zware nederlaag kon toebrengen. 11Veertig jaar had het land rust. Toen stierf Otniël.


12Weer deden de Israëlieten wat slecht is in de ogen van de HEER. Daarom zette de HEER koning Eglon van Moab aan om de wapens tegen Israël op te nemen. 13Eglon wist ook de Ammonieten en de Amalekieten op zijn hand te krijgen. In een gezamenlijke aanval versloegen ze Israël en maakten zich meester van de Palmstad. 14Achttien jaar moesten de Israëlieten koning Eglon van Moab dienen. 15Toen riepen ze de HEER te hulp, en de HEER zond iemand om hen te bevrijden: Ehud, de zoon van Gera uit de stam Benjamin, een linkshandige. Deze Ehud ging namens de Israëlieten schatting afdragen aan koning Eglon. 16Maar eerst liet hij zich een kort tweesnijdend zwaard maken dat hij onder zijn kleding verborg, op zijn rechterheup. 17Nadat hij de schatting aan de vadsig dikke koning Eglon had aangeboden, 18deed hij zijn dragers uitgeleide, 19maar zelf maakte hij bij de stenen beelden bij Gilgal rechtsomkeert. Hij liet zich bij de koning aandienen met de mededeling dat hij een geheime boodschap voor hem had. Op een wenk van de koning verlieten alle aanwezigen de zaal. 20Ehud ging naar de koning, die zich had teruggetrokken in de koelte van zijn bovenvertrek, en zei: ‘Ik heb voor u een boodschap van God.’ Toen de koning opstond van zijn troon, 21trok Ehud met zijn linkerhand het zwaard van zijn rechterheup en stak het in Eglons buik.Meesters van Otto van Moerdrecht - Ehud doodt koning Eglon 22De kling verdween tussen de vetkwabben, die zich daarna ook om het gevest sloten, want Ehud trok het zwaard niet terug maar liep snel de kamer uit, 23de galerij op, nadat hij de deuren van het vertrek van binnenuit vergrendeld had. 24Hij was nog niet weg of de dienaren van de koning kwamen de zaal weer binnen. Ze merkten dat de deuren van het bovenvertrek waren vergrendeld en zeiden tegen elkaar: ‘Hij heeft zich zeker weer afgezonderd om zijn behoefte te doen.’ 25Ze wachtten een hele tijd, maar de deuren van het vertrek werden niet geopend. Ten slotte haalden ze een sleutel en openden de deur van buitenaf – en daar lag hun heer, dood op de grond.

26Ehud had van hun getalm gebruik gemaakt om te ontsnappen. Hij passeerde de stenen beelden en ontkwam naar Seïra.Met het mes in de buik blijven zitten 27Bij zijn aankomst in het bergland van Efraïm blies hij op de ramshoorn. Onder zijn aanvoering kwamen de Israëlieten uit de bergen. 28Hij zei tegen hen: ‘Volg mij, want de HEER heeft uw vijanden, de Moabieten, aan u uitgeleverd.’ Ze volgden hem en bezetten de oversteekplaatsen in de Jordaan, zodat er geen Moabiet meer langs kon. 29De Israëlieten versloegen ongeveer tienduizend Moabieten. Hoewel het stuk voor stuk stevige, strijdbare mannen waren, ontkwam er niet een. 30Moab moest die dag buigen voor Israël, en het land had tachtig jaar rust.Schatting


31Na Ehud kwam Samgar, de zoon van Anat. Hij doodde zeshonderd Filistijnen met een ossenprik. Zo bevrijdde ook hij Israël.

Rechters 4

Debora en Barak

Jean Kamps - Debora spreekt recht
De berg Tabor
Meesters van Otto van Moerdrecht - Sisera springt van zijn wagen en vlucht
Johannes Baptista Collaert I naar ontwerp van Maerten de Vos - Jaël
Nicolaes Braue - Jaël
Meesters van Otto van Moerdrecht - Jaël doodt Sisera met een tentpin
Salomon de Bray - Jaël, Debora en Barak

1Na de dood van Ehud deden de Israëlieten weer wat slecht is in de ogen van de HEER. 2Daarom leverde de HEER hen uit aan koning Jabin van Kanaän, die regeerde in Hasor. Diens legeraanvoerder heette Sisera; hij had zijn legerkamp in Charoset-Haggojim. 3Jabin beschikte over negenhonderd ijzeren strijdwagens en heerste met harde hand over Israël, wel twintig jaar lang. Daarom riepen de Israëlieten de HEER te hulp.

4In die tijd was een zekere Debora rechter over Israël. Deze Debora, de vrouw van Lappidot, was profetes. 5Ze hield zitting onder de Deborapalm tussen Rama en Betel, in het bergland van Efraïm, en daar kwamen de Israëlieten haar hun rechtsgeschillen voorleggen.Jean Kamps - Debora spreekt recht 6Debora liet Barak, de zoon van Abinoam, afkomstig uit Kedes in Naftali, bij zich komen en zei tegen hem: ‘De HEER, de God van Israël, gebiedt u: “Trek met tienduizend man uit de stammen Naftali en Zebulon op naar de Tabor. 7Dan zal ik Jabins legeraanvoerder Sisera met al zijn strijdwagens en soldaten laten optrekken tot in het dal van de Kison en hem aan je uitleveren.”’ 8‘Als u meegaat, zal ik gaan,’ antwoordde Barak, ‘maar als u niet meegaat, ga ik niet.’ 9‘Goed,’ zei Debora, ‘ik zal met u meegaan. Maar let wel, u zult geen eer behalen aan deze veldtocht, want de HEER zal Sisera uitleveren aan een vrouw.’ Zo besloot Debora met Barak mee te gaan op zijn veldtocht naar Kedes. 10Barak riep de mannen van Zebulon en Naftali onder de wapenen en trok aan het hoofd van tienduizend man naar Kedes op. Debora ging met hem mee.

11In de buurt van Kedes had een zekere Cheber zijn tenten opgeslagen bij de eik in Saänannim. Deze Cheber was een Keniet die zich had afgescheiden van zijn stamgenoten, nakomelingen van Mozes’ schoonvader Chobab.Ergens zijn tenten opslaan

12Sisera kreeg bericht dat Barak de Tabor was opgegaan. 13Daarom riep hij zijn soldaten onder de wapenen en trok met al zijn negenhonderd ijzeren strijdwagens en zijn hele leger vanuit Charoset-Haggojim op naar het dal van de Kison. 14Debora spoorde Barak aan: ‘Vooruit! Vandaag levert de HEER Sisera aan u uit. Hij zal voor u uit gaan.’ Toen kwam Barak de Tabor af met tienduizend man achter zich aan.De berg Tabor 15Op het moment dat de manschappen van Sisera Barak zagen verschijnen, zaaide de HEER paniek onder hen en ontstond er grote verwarring. Sisera sprong van zijn wagen en maakte zich uit de voeten.Meesters van Otto van Moerdrecht - Sisera springt van zijn wagen en vlucht 16Barak achtervolgde de strijdwagens en de soldaten tot in Charoset-Haggojim. Alle soldaten van Sisera sneuvelden; niet een bleef er in leven.

17Sisera vluchtte te voet naar de tent van Jaël, de vrouw van de Keniet Cheber, want hij wist dat er een bondgenootschap bestond tussen de familie van Cheber en koning Jabin van Hasor.Johannes Baptista Collaert I naar ontwerp van Maerten de Vos - JaëlNicolaes Braue - Jaël 18Jaël kwam hem tegemoet en zei: ‘Kom binnen, heer, kom binnen. Wees niet bevreesd.’ Hij ging bij haar de tent binnen en zij verborg hem onder een deken.Listige vrouwenJaëlVoorbeeldige vrouwen 19‘Geef me wat water te drinken,’ vroeg hij, ‘ik heb zo’n dorst.’ Jaël opende een melkzak, gaf hem te drinken en dekte hem weer toe. 20Toen zei hij: ‘Ga in de tentopening staan. Als er dan iemand komt vragen of er een man bij u is, moet u zeggen: “Nee, er is hier niemand.”’ 21Jaël nam een tentpin en een hamer en sloop de tent binnen. Ze sloeg, terwijl hij daar uitgeput in slaap lag, de tentpin dwars door zijn hoofd de grond in, zodat hij stierf.Meesters van Otto van Moerdrecht - Jaël doodt Sisera met een tentpin 22Op dat moment kwam Barak eraan, op jacht naar Sisera. Jaël ging hem tegemoet en zei: ‘Kom, ik zal u de man laten zien die u zoekt.’ Barak ging met haar naar binnen – en daar lag Sisera, dood, met de tentpin door zijn hoofd.Kees van der Zwaard - DoodgoedSalomon de Bray - Jaël, Debora en Barak

23Zo bracht God koning Jabin van Kanaän in zijn strijd met de Israëlieten een zware nederlaag toe. 24Daarna wist Israël koning Jabin steeds verder terug te dringen, totdat ze hem hadden vernietigd.

Rechters 5

Hans Speckaert - Jaël en Sisera

1Die dag zongen Debora en Barak, de zoon van Abinoam, dit lied:


2‘Loof de HEER, omdat Israël zijn haren dreigend loswierp,
loof de HEER, omdat Israël zich meldde voor de strijd.
3Koningen en vorsten, luister en hoor toe hoe ik de HEER bezing,
een lied zing voor de HEER, de God van Israël.

4 HEER, de aarde beefde toen u voortschreed vanuit Seïr;
toen u optrok vanuit Edom stortte water uit de hemel en de wolken neer.
5Voor de heerser van de Sinai wankelden de bergen,
voor u, HEER, u, de God van Israël.

6Onder Samgar, de zoon van Anat, in de tijd van Jaël,
begaf geen karavaan zich nog op weg.
Wie toch op reis moest, nam de kronkelpaden.
7Aanvoerders ontbraken, het land kende geen leiding
totdat jij, Debora, kwam en Israël tot leidsvrouw werd.
8Verkoos men andere goden, dan stond de vijand voor de poorten;
ons leger telde veertigduizend man, maar van schild of speer geen spoor.

9Loof de HEER!
Ik dank hen die niet aarzelden de strijders aan te voeren.
10Reizigers, gezeten op gezadelde ezelinnen,
en ook jullie die te voet moeten gaan,
11overstem met je verhalen het geklets bij de bronnen
en laat ieder bij het drenken zingen van de HEER die overwon,
van de overwinning door zijn aanvoerders voor Israël behaald.

Daar trok het volk van de HEER ten strijde, voorwaarts vanuit de steden.
12Ga voorop, Debora, vuur ons aan en zing een lied!
Barak, val aan! Grijp de vijand, jij zoon van Abinoam!
het volk van de HEER trok met zijn helden op.
14Uit Efraïm kwamen zij die in Amalek wonen
en voegden zich bij jou en je verwanten, Benjamin.
Uit Machir kwamen aanvoerders, uit Zebulon de leiders van het leger.
15Uit Issachar sloten de vorsten zich bij Debora aan.
Na Issachar kwam Barak; hij ging het volk voor in de vlakte.
Maar de stam Ruben bleef steeds maar overleggen.
16Wat hield je bij je schaapskooi en het fluitspel van je herders?
Ruben bleef maar overleggen,
17Gilead kwam de Jordaan niet over, Dan bleef bij zijn schepen,
Aser bleef aan zee en verliet zijn havens niet,
18maar Zebulon en Naftali waagden hun leven op de heuvels.

19Daar kwamen de koningen, de stadsvorsten van Kanaän.
Zij streden bij Taänach, bij Megiddo, aan de oever van de stroom,
maar er viel voor hen geen zilver buit te maken.
20De sterren aan de hemel streden mee tegen de vijand,
zij hadden in hun baan zich tegen Sisera gekeerd.
21Vorsten werden meegesleurd door het water van de Kison,
de Kison, die aloude en snelstromende rivier.
Ga voort, mijn ziel, ga voort!
22Dreunend klonk de hoefslag van zijn wegstormende paarden,
van zijn schitterende paarden, in onstuimige galop.

23Vervloekt zij Meroz, dat de HEER geen hulp bood,
vervloekt! – zo spreekt de engel van de HEER –,
vervloekt zijn inwoners, zij sloten zich niet bij de helden aan.

24Geloofd zij Jaël, de beste aller vrouwen,
Jaël, de vrouw van Cheber, de Keniet.
Was ooit een tent gezegend met een vrouw als zij?
25Sisera vroeg om water en zij gaf hem melk te drinken,
room bracht ze hem te drinken, in een rijk versierde schaal.
26Met één hand vatte ze een tentpin, met de andere een hamer.
Ze dreef de tentpin door zijn slaap, spleet met een hamerslag zijn hoofd.
27Aan haar voeten viel hij neer, bezweek hij en bleef liggen.
Aan haar voeten bezweek hij, daar viel hij neer.
Waar hij bezweek, daar bleef hij liggen, verpletterend verslagen.Hans Speckaert - Jaël en Sisera

28Aan haar venster stond zijn moeder, ze tuurde en ze klaagde:
“Waar blijft zijn wagen toch? Klinkt het geratel van de wielen al?”
29De wijste van haar vrouwen gaf haar antwoord
en zei haar wat zij zelf reeds had bedacht:
30“Wellicht zijn ze nog bezig om hun schatten te verdelen:
elke man een meisje, of misschien wel twee.
En voor Sisera gekleurde stoffen met borduursel,
stoffen met borduursel waarmee hij zijn schatjes tooit.”

31 HEER, laat zo al uw vijanden ten onder gaan,
en maak wie u liefhebben onstuitbaar als de opgaande zon.’

Veertig jaar had het land rust.2. De eerste rechtersDeboraDebora