Inhoudsopgave Tobit Volgende 5 hoofdstukken

Tobit > Hoofdstuk 1 - 5

Tobit 1

1Dit is de geschiedenis van Tobit. Hij was een zoon van Tobiël, die een zoon was van Ananiël, de zoon van Aduël, de zoon van Gabaël, de zoon van Rafaël, de zoon van Raguël, en afkomstig uit het geslacht van Asiël, uit de stam Naftali. Tobit 2Tobit werd tijdens de regering van Salmanassar, de koning van Assyrië, vanuit Tisbe in ballingschap gevoerd. Tisbe ligt ten zuiden van Kedes in Naftali, in Boven-Galilea, ten noordwesten van Hasor en ten noorden van Fogor.

Tobits vroomheid

Claes Jansz. Visscher - Azië
Gelre - De zeven deugden
Christoffel van Sichem II en III - Moerentorf Bijbel: Pagina uit het boek Tobit met illustraties

3Ik, Tobit, ben mijn leven lang rechtvaardig en oprecht geweest. Ik heb altijd de nood gelenigd van mijn verwanten en volksgenoten die samen met mij in ballingschap waren gevoerd naar Nineve in Assyrië. 4In mijn jeugd, toen ik nog in mijn eigen land Israël woonde, brak de stam van mijn voorvader Naftali met het huis van David en met Jeruzalem, de stad die uit het hele gebied van de stammen van Israël gekozen was als de plaats waar elke stam moest offeren. Daar was de tempel gebouwd en gewijd tot de plaats waar God tot in eeuwigheid zou wonen.Claes Jansz. Visscher - Azië 5Maar al mijn verwanten en de hele stam Naftali brachten op alle offerhoogten van Galilea offers aan het stierkalf dat koning Jerobeam van Israël in de stad Dan had laten neerzetten. 6Ik was de enige die de feestdagen zoveel mogelijk in Jeruzalem doorbracht, zoals dat door een eeuwig gebod aan heel Israël is voorgeschreven. Ik ging er altijd tijdig naartoe met het eerste deel van de oogst, de eerstgeboren dieren van de kudde en het tiende deel daarvan, en met de eerste schapenwol. 7Dat alles gaf ik als offer aan de priesters, de nakomelingen van Aäron. Verder gaf ik de Levieten die dienstdeden in Jeruzalem een tiende deel van het graan, de wijn, de olijfolie, de granaatappels, de vijgen en allerlei andere vruchten. Ook maakte ik elk jaar, behalve in een sabbatsjaar, het tweede tiende deel te gelde en besteedde het geld in Jeruzalem. 8Het derde tiende deel gaf ik aan weduwen en wezen, en aan vreemdelingen die in Israël waren komen wonen. Dat deed ik elk derde jaar. We gebruikten dit deel voor een maaltijd, zoals de regel in de wet van Mozes voorschrijft en zoals me was geleerd door Debora, de moeder van mijn vader. Mijn vader had me toen hij stierf als wees achtergelaten. 9Toen ik volwassen was, trouwde ik met een vrouw uit mijn eigen familie. Ik kreeg bij haar een zoon, die ik Tobias noemde.

10Nadat ik door de Assyriërs gevangen was genomen, werd ik als balling naar Nineve gevoerd. Al mijn verwanten en volksgenoten aten onrein voedsel, 11maar ik hoedde me daarvoor. 12Met heel mijn hart bleef ik God trouw. 13Daarom zorgde de Allerhoogste ervoor dat koning Salmanassar mij opmerkte en dat ik bij hem in de gunst kwam. Salmanassar belastte mij met de inkoop van de hofvoorraden. 14Zolang hij leefde moest ik daarvoor geregeld naar Medië. Op een van die reizen gaf ik aan Gabaël, de broer van Gabri, een bedrag van tien talent zilver in bewaring. 15Toen Salmanassar stierf, volgde zijn zoon Sanherib hem op. De wegen naar Medië werden afgesloten, zodat ik er niet langer naartoe kon.

16In de jaren van Salmanassars koningschap was ik mijn volksgenoten vaak tot steun; 17ik deelde mijn voedsel met wie honger leed, mijn kleding met wie geen kleren had, en als ik zag dat het lichaam van een gestorven Israëliet buiten de muren van Nineve was gegooid, begroef ik het.Een geïllustreerde katholieke bijbelGelre - De zeven deugdenChristoffel van Sichem II en III - Moerentorf Bijbel: Pagina uit het boek Tobit met illustraties 18Ik begroef ook de slachtoffers die Sanherib na zijn terugtocht uit Judea had gemaakt. Als straf voor zijn godslasterlijk gedrag had de koning van de hemel hem namelijk uit Judea verjaagd, en in zijn woede daarover doodde Sanherib na zijn terugtocht talloze Israëlieten. Ik haalde hun lichamen heimelijk weg en begroef ze. Sanherib liet naar de lichamen zoeken, echter zonder resultaat. 19Maar iemand uit Nineve vertelde de koning dat ik het was die ze begraven had. Eerst hield ik me schuil, maar toen ik te weten kwam dat de koning naar me op zoek was omdat hij me ter dood wilde laten brengen, werd ik zo bang dat ik op de vlucht sloeg. 20Al mijn bezittingen werden in beslag genomen en vervielen aan het rijk, alles wat ik had. Het enige wat me nog restte waren mijn vrouw Anna en mijn zoon Tobias.

21Maar nog geen veertig dagen later werd Sanherib door twee van zijn zonen vermoord, die daarop naar het Araratgebergte vluchtten. Sanheribs zoon Esarhaddon werd nu koning. Hij stelde Achikar, de zoon van mijn broer Anaël, aan als beheerder van alle financiële zaken van het koninkrijk, waardoor Achikar zeggenschap kreeg over de hele rijksadministratie. 22Hij was onder koning Sanherib al hofschenker, administrateur, zegelbewaarder en schatbewaarder, maar Esarhaddon maakte hem zelfs tot de tweede man van Assyrië. En hij was ook familie van mij, een neef. Dus toen hij bij Esarhaddon voor mij pleitte, kon ik naar Nineve terugkeren.

Tobit 2

Tobits blindheid

Dirck Volckertsz. Coornhert naar Maarten van Heemskerck - De verblinding van de vader van Tobias
Toegeschreven aan Adam van Vianen (I) - Schaalbodem met de geschiedenis van Tobit
Onbekend - Tobit wordt blind
Meesters van Otto van Moerdrecht - Tobit begraaft in stilte een dode en wordt blind
Rembrandt - Anna en de blinde Tobit
Abraham de Pape - Tobit en Anna

1Tijdens de regering van koning Esarhaddon keerde ik terug naar huis en werd ik weer verenigd met Anna en Tobias. Tijdens ons Pinksterfeest, het Wekenfeest, werd er voor mij een feestmaal bereid. Toen ik aan tafel ging 2en de talrijke schotels zag die voor me waren klaargezet, zei ik tegen Tobias: ‘Jongen, kijk eens of je onder onze volksgenoten die hier in de stad als ballingen verblijven, iemand vindt die niets heeft en die de Heer met heel zijn hart dient. Neem hem mee om samen met mij deze maaltijd te gebruiken. Ik begin niet voordat je terug bent.’ 3Tobias vertrok om te doen wat ik hem gevraagd had, maar kwam alleen terug. ‘Vader!’ riep hij. ‘Wat is er?’ vroeg ik. ‘Vader, er ligt iemand van ons volk vermoord op het marktplein. Ze hebben hem gewurgd.’ 4Ik sprong onmiddellijk op, liet de maaltijd staan zonder er ook maar iets van te hebben gegeten en bracht de dode van het plein naar een van mijn bijgebouwen. Na zonsondergang zou ik hem begraven. 5Thuis waste ik me en at ik in een droevige stemming mijn maal. 6Ik moest denken aan wat de profeet Amos over Betel zei: ‘Jullie feesten zullen omslaan in rouw, jullie liederen in klaagzangen.’ 7En ik huilde.

Zodra het donker was geworden, dolf ik een graf en begroef mijn volksgenoot.Vondels helden: Tobias 8Mijn buren dreven de spot met mij. ‘Waar is die angst van hem ineens gebleven? Toen hij werd gezocht omdat ze hem voor dit vergrijp wilden doden, wist hij niet hoe snel hij de benen moest nemen. Maar moet je nu eens kijken: hij is waarachtig alweer doden aan het begraven.’

9Ik kwam midden in de nacht thuis, waste me en legde me tegen de muur van de binnenplaats te slapen. Omdat het zo warm was, liet ik mijn gezicht onbedekt.Dirck Volckertsz. Coornhert naar Maarten van Heemskerck - De verblinding van de vader van TobiasToegeschreven aan Adam van Vianen (I) - Schaalbodem met de geschiedenis van Tobit 10Maar ik had niet gezien dat er boven mij mussen op de muur zaten. Hun nog warme uitwerpselen vielen in mijn ogen en vormden witte vliezen. Ik bezocht allerlei artsen om dat te laten verhelpen, maar hoe vaker ze mijn ogen behandelden, des te minder kon ik door die vliezen zien. Ten slotte werd ik helemaal blind, en dat ben ik vier jaar lang gebleven.

Mijn hele familie beklaagde me om mijn lot. Voor zijn vertrek naar Elymaïs heeft Achikar nog twee jaar in mijn levensonderhoud voorzien.Onbekend - Tobit wordt blindMeesters van Otto van Moerdrecht - Tobit begraaft in stilte een dode en wordt blind 11Anna verdiende in die tijd geld met spinnen en weven.Rembrandt - Anna en de blinde TobitAbraham de Pape - Tobit en Anna 12Als ze haar werk af had bracht ze het naar haar opdrachtgevers, die haar dan betaalden. Toen ze eens, op de zevende dag van de maand dystros, iets afleverde, betaalden ze niet alleen haar volledige loon, maar gaven ze haar bovendien een jong geitje uit hun kudde mee naar huis. 13Toen ze ermee thuiskwam begon het te mekkeren. ‘Hoe kom je aan dat geitje?’ vroeg ik haar. ‘Je hebt het toch niet gestolen? Dan moet je het terugbrengen naar de eigenaar; we mogen niets eten dat gestolen is.’ 14Ze antwoordde: ‘Ik heb het als geschenk gekregen, naast mijn loon.’ Maar ik geloofde haar niet en werd boos, en zei haar nogmaals dat ze het geitje moest terugbrengen naar de eigenaar. Toen beet ze me toe: ‘En wat waren al die goede en rechtschapen daden van jou dan waard? Moet je zien wat die ons hebben opgeleverd!’

Tobit 3

1Overmand door verdriet barstte ik in tranen uit, en snikkend bad ik: 2‘Heer, u bent rechtvaardig, alles wat u doet is rechtvaardig. Al uw daden getuigen van uw barmhartigheid en trouw. U bent rechter van de wereld. 3Vergeet mij toch niet en vestig uw blik op mij, Heer, en straf mij niet voor mijn zonden en mijn onbezonnen daden, noch voor die van mijn voorouders. Ze hebben tegen u gezondigd 4en uw geboden niet in acht genomen. Daarom hebt u ons prijsgegeven aan plundering, ballingschap en dood, en worden we bespot, belasterd en beledigd door alle volken waaronder we zijn verstrooid. 5Ja, uw oordeel over mij is rechtvaardig, want ik heb gezondigd. We hebben uw geboden niet in acht genomen en zijn u niet trouw gebleven. 6Doe daarom met mij wat u wilt, gebied toch dat mijn levensadem wordt teruggenomen. Dan word ik tenminste verlost van dit aardse bestaan en verga ik tot stof. Ik kan maar beter sterven dan dat ik nog langer moet leven, want de leugenachtige verwijten die ik heb moeten aanhoren, hebben me diep gegriefd. Ach Heer, gebied toch dat ik van deze ellende word bevrijd en laat me naar mijn eeuwige rustplaats gaan. Wend uw blik niet van me af, Heer, want het is beter dat ik sterf dan dat ik in ellende moet leven en me vals moet laten beschuldigen.’1. Tobit, de lijdende rechtvaardige

Sara beledigd

7Diezelfde dag werd Sara, de dochter van Raguël uit Ekbatana in Medië, door een van de slavinnen van haar vader beledigd.Sara 8Sara was al aan zeven mannen ten huwelijk gegeven, maar de boze geest Asmodeüs had ze allemaal in de huwelijksnacht gedood, nog voordat ze – zoals gebruikelijk is in de huwelijksnacht – gemeenschap met haar hadden gehad. De slavin wierp haar voor de voeten: ‘U vermoordt al uw echtgenoten. Aan maar liefst zeven mannen bent u al uitgehuwelijkt, maar van niet één draagt u de naam.DemonenAsmodeeAsmodaüs 9Moet u óns mishandelen omdat uw echtgenoten zijn gestorven? Ga ze liever achterna, dan wordt ons tenminste voor altijd een kind van u bespaard.’

10Huilend van verdriet vluchtte Sara naar de bovenverdieping van haar vaders huis. Ze wilde zich daar verhangen, maar kwam tot bezinning en dacht: Ze zullen tegen mijn vader zeggen: ‘Je enige kind, je dochter van wie je zoveel hield, heeft zich van ellende verhangen.’ Wat een schande zal dat voor hem zijn op zijn oude dag. Hij zal nog van verdriet sterven. Nee, dat kan ik hem niet aandoen. Ik mag me niet verhangen. Het is beter dat ik de Heer vraag of hij me wil laten sterven; dan hoef ik nooit meer van die valse beschuldigingen aan te horen. 11Ze ging naar het raam, hief haar handen omhoog en bad: ‘Geprezen bent u, barmhartige God, uw naam zij voor eeuwig en altijd geprezen. Laat heel uw schepping u tot in eeuwigheid prijzen. 12Ik wend mij tot u, ik sla mijn ogen naar u op. 13Bevrijd me toch van deze wereld, laat me nooit meer zo worden beledigd. 14U weet, Heer, dat nog geen enkele man mijn zuiverheid bezoedeld heeft 15en dat ik in dit land waar ik als balling leef, mijn naam nooit te schande heb gemaakt, en ook niet die van mijn vader. Ik ben zijn enige kind, hij heeft geen andere erfgenaam dan ik. En er is in onze hele familie niemand meer wiens vrouw ik zou kunnen worden. Er zijn al zeven mannen van me omgekomen. Waarom zou ik nog moeten leven? Maar als u mij niet wilt laten sterven, Heer, sla dan tenminste acht op de schande die me is aangedaan.’

De gebeden van Tobit en Sara verhoord

16De gebeden van Tobit en Sara vonden op hetzelfde moment gehoor voor de troon van God. 17Hij stuurde de engel Rafaël om hen te bevrijden: Tobit van zijn blindheid, zodat hij weer het licht zou zien dat door God geschapen is, en Sara, de dochter van Raguël, van de boze geest Asmodeüs, zodat ze aan Tobias, de zoon van Tobit, tot vrouw kon worden gegeven. Want van alle mannen die Sara als vrouw wilden hebben, kwam het Tobias het meest toe met haar te trouwen. Op het moment dat Tobit van de binnenplaats zijn huis binnenging, ging Sara, de dochter van Raguël, van de bovenverdieping naar beneden.2. De belediging van SaraRafaël

Tobit 4

Tobits afscheidswoorden

Anoniem naar Jan de Bray - Brooduitdeling bij de Onze Lieve Vrouwekerk
Anoniem naar Jan de Bray - Brooduitdeling bij de Onze Lieve Vrouwekerk

1Diezelfde dag dacht Tobit aan het geld dat hij Gabaël uit Rages, in Medië, in bewaring had gegeven. 2Hij zei bij zichzelf: Ik heb om de dood gevraagd, dus zou het niet verstandig zijn om voordat ik sterf Tobias over dat geld in te lichten? 3Hij riep hem bij zich en zei: ‘Begraaf me op gepaste wijze. Toon eerbied voor je moeder, laat haar zolang ze leeft niet in de steek, doe wat haar vreugde geeft en bezorg haar nooit verdriet. 4Houd altijd voor ogen dat ze veel voor jou heeft moeten doorstaan toen ze je in haar schoot droeg. Wanneer ze sterft, moet je haar naast mij in hetzelfde graf begraven. 5En, jongen, denk altijd aan de Heer, je leven lang. Pas op dat je niet zondigt en zijn geboden niet overtreedt. Handel elke dag van je leven rechtvaardig, ga nooit de weg van het onrecht, 6-7want wie eerlijk leeft zal slagen in alles wat hij doet. Ondersteun met je bezittingen iedereen die een rechtvaardig leven leidt; en wanneer je iemand helpt, doe het dan niet met tegenzin. Wend je blik niet af van iemand die in nood zit, dan zal God zijn blik niet van jou afwenden. 8Wanneer je veel bezit, geef dan ook ruimhartig. Wanneer je zelf maar weinig bezit, aarzel dan niet om van dat beetje toch te geven. 9De hulp die je geeft is de beste investering voor moeilijke tijden 10en behoedt je voor het duister van de dood. 11Wie de armen helpt, brengt een offer dat de Allerhoogste welgevallig is. 12Onthoud je van een onrein huwelijk, trouw alleen met een vrouw uit de stam van je vader en voorouders. Kies beslist geen andere vrouw, want wij stammen van profeten af. Denk aan Noach, Abraham, Isaak en Jakob, onze allereerste voorouders; ze trouwden alle vier met een vrouw uit hun eigen familie, ze werden gezegend met kinderen, en hun nageslacht zal het land bezitten. 13Heb je eigen volk lief, jongen, voel je niet te goed om een vrouw te kiezen uit hun midden, uit de vrouwen van je eigen volk. Hoogmoed leidt alleen maar tot ellende en ontreddering, en luiheid tot verval en bittere armoede, want luiheid is de moeder van de honger. 14Iemand die voor je gewerkt heeft, moet je nog op dezelfde dag zijn loon uitbetalen. Stel het niet uit. Wanneer je God zo dient, word ook jij beloond. Neem jezelf in acht bij alles wat je doet en gedraag je altijd zoals wij je hebben opgevoed. 15Doe een ander niets aan dat je zelf verafschuwt. Bedrink je niet aan wijn, ga niet als een dronkaard door het leven.Wat gij niet wilt dat u geschiedt, ... 16Laat wie honger heeft delen in je brood en wie geen kleren heeft in je kleding. Alles wat je kunt missen moet je weggeven, zonder dat je het betreurt.Anoniem naar Jan de Bray - Brooduitdeling bij de Onze Lieve VrouwekerkAnoniem naar Jan de Bray - Brooduitdeling bij de Onze Lieve Vrouwekerk 17Wanneer een rechtschapen mens sterft, houd dan een maaltijd voor zijn nabestaanden, maar doe dat niet bij de dood van een zondaar. 18Win de raad in van ieder wijs mens en sla geen enkel bruikbaar advies in de wind. 19Prijs God, de Heer, altijd en vraag hem om je over rechte wegen te leiden en je te laten slagen in alles wat je doet. Er is geen enkel volk dat wijsheid bezit, alleen de Heer geeft wijsheid. Hij verstoot wie hij maar wil tot in het diepst van het dodenrijk. Jongen, denk altijd aan deze raadgevingen, neem ze altijd ter harte.

20Welnu, je moet weten dat ik in Rages in Medië bij Gabaël, de broer van Gabri, een bedrag van tien talent zilver in bewaring heb gegeven. 21Maak je dus geen zorgen over onze armoede, want wanneer je ontzag hebt voor God wacht je een groot vermogen. Ga elke zonde uit de weg en doe wat de Heer, je God, welgevallig is.’

Tobit 5

Tobias op reis met Rafaël

Nederlands - Welkom in 't leven

1Tobias antwoordde: ‘Vader, ik zal alles doen wat u me opgedragen hebt, 2maar hoe kan ik het geld bij Gabaël ophalen? We kennen elkaar niet. Hoe moet ik hem laten weten wie ik ben, zodat hij me vertrouwt en mij het geld geeft? Bovendien weet ik niet hoe ik in Medië moet komen.’ 3‘Gabaël en ik hebben een ontvangstbewijs getekend,’ zei Tobit, ‘en dat heb ik in tweeën gedeeld. We hebben allebei een stuk; het zijne heb ik bij het geld gelegd. Het is nu twintig jaar geleden dat ik hem het geld in bewaring heb gegeven. Zoek een betrouwbare reisgenoot. We zullen hem voor de hele reis betalen. Kom, ga het geld bij Gabaël ophalen.’Symbolon

4Hierop ging Tobias op zoek naar iemand die met hem naar Medië kon reizen, iemand die wist hoe je daar moest komen. Hij liep naar buiten – en daar stond Rafaël voor hem (een engel van God, maar dat wist hij niet). 5‘Waar kom je vandaan?’ vroeg hij hem. ‘Ik ben net als jij een Israëliet,’ antwoordde Rafaël. ‘Ik ben hierheen gekomen om werk te zoeken.’ Tobias vroeg: ‘Ken je de weg naar Medië?’ 6‘Zeker,’ zei Rafaël, ‘ik ben daar vaak geweest en ken er alle wegen. Als ik ernaartoe ging, overnachtte ik altijd bij Gabaël, een volksgenoot van ons die in Rages woont. Rages ligt in de bergen, twee dagreizen van Ekbatana, dat in de vlakte ligt.’ 7Toen Tobias dat hoorde, vroeg hij Rafaël op hem te wachten. ‘Ik moet dit aan mijn vader vertellen,’ zei hij, ‘want ik heb je nodig als reisgenoot. Je zult ervoor worden betaald.’ 8‘Goed,’ antwoordde Rafaël, ‘ik wacht, maar blijf niet te lang weg.’

9Tobias ging het huis in en vertelde Tobit dat hij iemand gevonden had, een Israëliet. ‘Vraag of hij bij me komt,’ zei Tobit. ‘Ik moet weten uit welke familie en stam hij komt en of hij als reisgenoot betrouwbaar is.’ 10Tobias ging weer naar buiten en zei tegen Rafaël: ‘Mijn vader vraagt of je bij hem komt.’ Rafaël ging mee naar binnen, Tobit groette hem, en Rafaël groette terug: ‘Moge u veel goeds ten deel vallen.’ ‘Ach,’ zei Tobit, ‘wat voor goeds zou er voor mij nog kunnen zijn? Ik ben een blinde man, ik kan niets meer zien. Ik verkeer in de duisternis, net als de doden, die ook het licht niet meer zien. Ik leef, maar ben eigenlijk al gestorven. Ik hoor de mensen praten, maar zien kan ik ze niet.’ ‘Houd moed,’ zei Rafaël, ‘God zal u spoedig genezen, dus houd moed.’ Tobit vertelde dat Tobias van plan was naar Medië te reizen. ‘Wil jij hem als gids vergezellen?’ vroeg hij. ‘Ik zal je uiteraard betalen.’ ‘Dat wil ik zeker,’ zei Rafaël. ‘Ik ben vaak in Medië geweest en weet er goed de weg. Ik ben over elke vlakte en door alle bergen getrokken en ken er ieder weggetje.’ 11Hierop vroeg Tobit of Rafaël wilde vertellen wat zijn afkomst was en uit welke stam hij kwam. 12Rafaël zei echter: ‘Waarom wilt u dat weten?’ ‘Omdat ik nu eenmaal precies wil weten wie je bent,’ herhaalde Tobit. ‘Vertel me je naam.’ 13Rafaël antwoordde toen: ‘Ik heet Azarias en ben een zoon van de vermaarde Ananias, die uit uw eigen stam komt.’ 14‘Welkom, vriend,’ zei Tobit. ‘Moge het je goed gaan. Neem me niet kwalijk dat ik zekerheid over je afkomst wilde hebben. Nu weet ik dat je inderdaad een stamgenoot bent en uit een goede en eerbiedwaardige familie komt. Ik heb Ananias en Natan, de zonen van de vermaarde Semelias, goed gekend. Ze gingen altijd met me mee op bedevaart naar Jeruzalem en zijn de Heer altijd trouw gebleven. Je behoort tot een goede familie, op je afstamming is niets aan te merken. Wees welkom.’Nederlands - Welkom in 't leven 15En Tobit voegde hieraan toe: ‘Ik betaal je een drachme per dag en voor je onkosten krijg je evenveel als mijn zoon. En als je de hele reis bij hem blijft, 16krijg je ook nog een extra bedrag.’ Rafaël zei: ‘Ik zal een goede reisgenoot zijn. U hoeft u nergens zorgen over te maken. Er zal ons niets overkomen, niet op de heenreis en niet op de terugreis, want we nemen een veilige weg.’ 17‘Moge Gods zegen met je zijn, vriend,’ antwoordde Tobit.

Hij riep zijn zoon en droeg hem op zich klaar te maken om met zijn reisgenoot te vertrekken. Hij wenste hem toe: ‘Moge God in de hemel jullie beschermen en gezond bij mij terugbrengen. Moge een engel jullie onderweg beschermen.’ Bij zijn vertrek kuste Tobias zijn vader en moeder. Tobit wenste hem een goede reis, 18maar Anna moest huilen. ‘Waarom stuur je mijn kind op reis?’ verweet ze Tobit. ‘Is hij niet in alles onze steun en toeverlaat? 19Wat moeten we met dat geld. Ik heb liever ons kind. 20Laten we toch tevreden zijn met het leven dat de Heer ons gegeven heeft.’ 21Maar Tobit stelde haar gerust: ‘Wees niet bang. Ons kind zal op zijn reis niets overkomen, hij komt weer gezond bij ons terug. Beslist, je zult hem weer veilig en wel terugzien. Dus je hoeft niet bang te zijn, lieve vrouw, maak je geen zorgen om hem, 22want hij wordt vast en zeker beschermd door een goede engel. Hij zal een voorspoedige reis hebben en weer gezond terugkomen.’