Inhoudsopgave Zacharia Volgende 5 hoofdstukken

Zacharia > Hoofdstuk 1 - 5

Zacharia 1

Oproep terug te keren naar de HEER

Jan van Eyck - Profeet Zacharia
Pieter Paul Rubens - De profeet Zacharia

1In de achtste maand van het tweede regeringsjaar van Darius richtte de HEER zich tot de profeet Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo:Jan van Eyck - Profeet Zacharia 2‘De toorn van de HEER heeft jullie voorouders getroffen. 3Zeg nu tegen het volk: “Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Keer terug naar mij, dan zal ik naar jullie terugkeren – zegt de HEER van de hemelse machten.HEERE der heirscharenRubens in ItaliëPieter Paul Rubens - De profeet Zacharia 4Wees niet als jullie voorouders. Toen de vroegere profeten hen in mijn naam opriepen om terug te keren van hun dwaalwegen en te breken met hun kwalijke praktijken, luisterden ze niet en gaven ze aan mijn woorden geen gehoor – spreekt de HEER. 5Waar zijn ze nu, jullie voorouders? En de profeten, leven zij eeuwig voort? 6Toch hebben mijn woorden en de wetten die ik mijn dienaren de profeten had opgedragen te verkondigen, jullie voorouders getroffen.”’ Toen kwam het volk tot inkeer en erkende: ‘De HEER van de hemelse machten heeft vanwege onze handel en wandel met ons gedaan wat hij zich had voorgenomen.’

Visioenen

Jacobus van der Sluys - Het eerste zegel
Onbekend - Zacharia's visioen van een man op een rood paard
Jan Provost - Zacharia

7Op de vierentwintigste dag van de elfde maand, de maand sebat, in het tweede regeringsjaar van Darius, richtte de HEER zich tot de profeet Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo. Dit is zijn relaas.


8Vannacht had ik een visioen. Ik zag een man op een voskleurig paard. Hij stond tussen de mirtestruiken aan de oever van het diepe water, en iets verderop stonden nog meer paarden: roodvossen, goudvossen en schimmels.De ruiter op het rode paardJacobus van der Sluys - Het eerste zegel 9‘Wat betekent dat, mijn heer?’ vroeg ik, en de engel die met mij sprak antwoordde: ‘Ik zal je laten zien wat dit betekent.’Onbekend - Zacharia's visioen van een man op een rood paard 10De man die tussen de mirtestruiken stond zei: ‘Dit zijn de ruiters die de HEER heeft gestuurd om de aarde te doorkruisen.’ 11De ruiters zeiden tegen de engel van de HEER, die tussen de mirtestruiken stond: ‘Wij hebben de hele aarde doorkruist. Overal is het vredig en stil.’ 12Toen riep de engel van de HEER uit: ‘HEER van de hemelse machten, hoe lang zal het nog duren voor u erbarmen toont met Jeruzalem en de steden van Juda, waarop u nu al zeventig jaar verbolgen bent?’HEER van de hemelse machten 13Daarop antwoordde de HEER de engel die met mij sprak met troostende en bemoedigende woorden, 14en de engel droeg mij op te verkondigen: ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Brandend van liefde neem ik het op voor Jeruzalem en Sion, 15en ziedend van woede ben ik op de zelfgenoegzame volken. Ik had mijn toorn immers al weer laten varen, maar zij hebben mijn volk steeds harder aangepakt. 16Daarom – zegt de HEER – keer ik vol erbarmen terug naar Jeruzalem. Mijn huis zal er worden herbouwd – spreekt de HEER van de hemelse machten – en met het meetlint in de hand zal een begin worden gemaakt met de wederopbouw van de stad.’Zacharias of Zacharia?Jan Provost - Zacharia 17Verder moest ik verkondigen: ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Opnieuw zullen mijn steden overvloeien van voorspoed, opnieuw zal de HEER Sion troosten, opnieuw zal hij Jeruzalem uitverkiezen.’

Zacharia 2

1Weer sloeg ik mijn ogen op, en daar zag ik vier horens. 2‘Wat betekent dat?’ vroeg ik de engel die met mij sprak, en hij antwoordde: ‘Dat zijn de horens die het volk van Juda, Israël en Jeruzalem uiteen hebben gedreven.’ 3Toen liet de HEER mij vier smeden zien. 4‘Wat komen die doen?’ vroeg ik, en hij antwoordde: ‘Met die horens hebben vreemde volken Juda uiteengedreven en zijn verzet gebroken, en nu zijn de smeden gekomen om die volken op te schrikken en de horens neer te slaan die ze hadden geheven om Juda mee uiteen te drijven.’


5Weer sloeg ik mijn ogen op, en daar zag ik een man met een meetlint in zijn hand. 6‘Waar gaat u heen?’ vroeg ik, en hij antwoordde: ‘Ik ga opmeten hoe groot Jeruzalem moet worden.’ 7Toen verscheen de engel die met mij sprak, en een andere engel kwam hem tegemoet 8en zei: ‘Vlug, zeg tegen die jongeman dat Jeruzalem een open stad zal blijven, niet ommuurd, vanwege het grote aantal mensen en dieren dat er zal wonen. 9Ik zal zelf rondom de stad een muur van vuur zijn – spreekt de HEER – en haar met mijn luister vullen.’


10‘Kom! Vlucht weg uit het land van het Noorden! – spreekt de HEER. Als de vier winden van de hemel heb ik jullie verspreid – spreekt de HEER. 11Kom nu, Sion; jullie die in Babel wonen, breng je in veiligheid.’ 12Want de HEER van de hemelse machten, die mij zijn grootheid heeft geopenbaard en die mij gezonden heeft, zegt over de volken door wie jullie geplunderd zijn: ‘Wie aan mijn volk komt, komt aan mijn oogappel! Iemand liefhebben als de appel van het oog 13Ik zal mijn hand dreigend naar hen uitstrekken, zodat zij op hun beurt geplunderd worden door degenen die zij hadden geknecht.’ Dan zullen jullie inzien dat de HEER van de hemelse machten mij gezonden heeft. 14‘Jubel, Sion, en verheug je, want ik kom in jouw midden wonen – spreekt de HEER. 15Er komt een tijd dat vele volken zich bij mij zullen aansluiten. Zij zullen mijn volk zijn, en bij jou, Sion, zal ik wonen.’ Dan zullen jullie inzien dat de HEER van de hemelse machten mij naar jullie gezonden heeft. 16Op heilige grond zal de HEER het volk van Juda voorgoed in bezit nemen en opnieuw zal hij Jeruzalem uitverkiezen. 17Wees stil voor de HEER, al wat leeft, want hij komt uit zijn heilige woning naar buiten.

Zacharia 3

Rob Birza - De engel van Tilburg
Johannes Vermeer - Allegorie op het geloof

1Vervolgens liet hij me de hogepriester Jozua zien. Deze stond voor de engel van de HEER, met aan zijn rechterhand Satan, die tegen hem pleitte.Satan 2De engel van de HEER zei tegen Satan: ‘De HEER zal je het zwijgen opleggen. De HEER, die Jeruzalem heeft uitverkozen, zal jou het zwijgen opleggen. Is deze Jozua niet een stuk zwartgeblakerd hout dat uit het vuur is weggerukt?’Rob Birza - De engel van Tilburg 3Nu was Jozua in vuile kleren voor de engel verschenen. 4Deze zei tegen degenen die voor hem stonden: ‘Trek hem die vuile kleren uit.’ En tegen Jozua zei hij: ‘Hierbij reinig ik je van alle schuld en kleed ik je in een feestelijk gewaad.’ 5Ik zei: ‘Ze zouden hem een nieuwe tulband moeten omdoen.’ Ze deden hem een nieuwe tulband om en kleedden hem aan in het bijzijn van de engel van de HEER.

6De engel verzekerde Jozua: 7‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Indien je mij gehoorzaamt en mijn voorschriften in acht neemt, indien je mijn tempel beheert en mijn voorhoven bewaakt, zal ik je opnemen in deze kring. 8Luister, hogepriester Jozua, jij en je priesters die voor je zitten en die in staat zijn om tekens uit te leggen. Ik zal mijn dienaar sturen, de telg aan de stam van David. 9Ik leg een steen voor je neer, Jozua, één enkele steen, waarop zeven ogen rusten. Ikzelf zal daarin een inscriptie graveren – spreekt de HEER van de hemelse machten – en in één enkele dag zal ik dit land reinigen van alle schuld.Vermeers Allegorie van het geloofJohannes Vermeer - Allegorie op het geloof 10Op die dag – spreekt de HEER van de hemelse machten – zullen jullie elkaar uitnodigen onder de wijnrank en onder de vijgenboom.’Onder zijn wijnstok en vijgenboom zitten

Zacharia 4

Anoniem - Menora
Onbekend - De hoeksteen

1De engel die met mij sprak kwam terug en wekte mij zoals je iemand wekt uit een diepe slaap. 2‘Wat zie je?’ vroeg hij, en ik antwoordde: ‘Ik zie een lampenstandaard die helemaal van goud is, met een schaal erop, en op die schaal zijn zeven lampen bevestigd, zeven lampen met elk zeven tuitjes.Inwijdingsfeest (Chanoeka)Anoniem - Menora 3Daarnaast staan twee olijfbomen, één rechts en één links van de schaal. 4Wat betekent dat, mijn heer?’ 5‘Weet je niet wat dat betekent?’ vroeg de engel die met mij sprak, en ik antwoordde: ‘Nee, heer.’ 6Toen zei hij: ‘Luister, dit zegt de HEER over Zerubbabel: Niet door eigen kracht of macht zal hij slagen – zegt de HEER van de hemelse machten – maar met de hulp van mijn geest. 7Voor Zerubbabel verandert zelfs de hoogste berg in een vlakte; onder luid gejuich zal hij de gevelsteen aandragen.’De hoeksteenOnbekend - De hoeksteen 8Daarna richtte de HEER zich tot mij met de verzekering: 9Zerubbabel zal deze tempel eigenhandig voltooien, zoals hij hem eigenhandig heeft gegrondvest.’ Dan zullen jullie inzien dat de HEER van de hemelse machten mij naar jullie gezonden heeft. 10Ook al hadden jullie in het begin geen vertrouwen in het werk, de ogen van de HEER zullen met welgevallen rusten op de gegraveerde steen in de handen van Zerubbabel. Die zeven lampen zijn de ogen van de HEER, die over de hele aarde rondgaan.

11Vervolgens vroeg ik aan de engel: ‘En die twee olijfbomen links en rechts van de lampenstandaard, wat betekenen die?’ 12En ik voegde eraan toe: ‘Wat betekenen die twee olijftakken waaruit door twee gouden buisjes de gouden olie vloeit?’ 13‘Weet je dat niet?’ vroeg hij. ‘Nee, heer,’ antwoordde ik, 14en hij zei: ‘Dat zijn de twee gezalfden, die naast de Heer van de hele aarde staan.’

Zacharia 5

1Opnieuw sloeg ik mijn ogen op, en daar zag ik een vliegende boekrol. 2‘Wat zie je?’ vroeg hij me, en ik antwoordde: ‘Ik zie een vliegende boekrol van twintig el lang en tien el breed.’ 3Toen zei hij: ‘Dat is de vloek die rondwaart over het hele land. Aan de ene kant staat geschreven dat ieder die steelt zal worden gestraft, aan de andere kant dat ook ieder die meineed pleegt zijn straf niet zal ontlopen. 4Ik heb die vloek uitgevaardigd – spreekt de HEER van de hemelse machten. Hij zal het huis van de dief bezoeken en het huis van eenieder die bij mijn naam een valse eed zweert. Hij zal op hun huizen rusten en ze verwoesten, zodat er geen balk of steen van heel blijft.’


5Weer verscheen de engel die met mij sprak. Hij zei tegen me: ‘Sla je ogen op en kijk wat daar te voorschijn komt.’ 6‘Wat is dat?’ vroeg ik, en hij antwoordde: ‘Dat is een meelvat; daarop houdt heel het land zijn blik gericht.’ 7En kijk, daar ging het loden deksel open en in het vat zat een vrouw. 8‘Dit is de verdorvenheid,’ zei hij, en hij duwde haar terug op de bodem van het vat en sloot het loden deksel. 9Weer sloeg ik mijn ogen op, en daar zag ik twee vrouwen komen aanzweven met de wind in hun vleugels; ze hadden vleugels als van een ooievaar. Ze pakten het vat op en namen het met zich mee, hoog de lucht in. 10Ik vroeg aan de engel die met mij sprak: ‘Waar brengen ze het naartoe?’ 11Hij antwoordde: ‘Ze gaan er in Sinear een tempel voor bouwen, en wanneer die klaar is, wordt het daar op een voetstuk gezet.’