Rode draad

Anoniem Zuid-Nederland/ Noord-Frankrijk?/ Rijnland? : Hoofd van Johannes de Doper
Noord-Nederland : Maria
Anoniem Maasgebied : Zittende Maria
Noord-Nederland : Geseling
Oost-Nederland : Christus op de koude steen
Vermoedelijk Zuid–Duitsland : Madonna van Essen

Middeleeuwse sculptuur

Reinier de Huy
Doopvont

Stilistische ontwikkeling

Van primitief tot verbazingwekkend treffend gesneden, van fabrieksmatige produkten tot gevoelvolle beeldjes, van statige, stenen profeten tot een beeldsnijwerkje in een walnootschil - dit alles tezamen vormt de middeleeuwse sculptuur uit de Lage Landen. Zoals met bijna alles, is er ook geen begin aan te wijzen van de middeleeuwse beeldsnijkunst. Dit doopvont van Reiner de Huy verraadt nog een Ottoonse invloed, een stijl die oorspronkelijk uit Byzantium afkomstig was. De kunstenaar heeft zich meer moeite getroost om de schematische figuren duidelijk te laten uitkomen, dan om ze er natuurlijk uit te laten zien. Het werk staat nog even ver af van de zwierige gotiek als van de bijna levensechte beelden die enkele eeuwen later gemaakt zouden worden. De elfde en twaalfde eeuw betekenden een bloeiperiode voor de kunst in het Maasgebied, waar ook Reiner de Huy werkzaam was. Deze uit het oosten afkomstige eenvoud werkt ook nog door in de romaanse kunst. De veelal soepele lijnen van de kleding zijn meer gegraveerd dan gemodelleerd.

Onbekend
Bergportaal

Aan het eind van de 12e en het begin van de 13e eeuw werd Maastricht een centrum van beeldhouwkunst. Het Bergportaal van de Sint Servatiuskerk is een mooi voorbeeld van 13e-eeuwse gotiek. De eenvoudige figuren lijken allemaal een beetje op elkaar. De meeste beeldsnijwerkjes uit deze periode zijn herkenbaar aan hun lieflijke en ronde glimlachende kopjes. De figuren staan in een elegante S-vorm, die ook terugkomt in de soepele plooival van de kleding. In de 14e eeuw komt vanuit Frankrijk en via het Rijnland een meer idealiserende en maniëristische stijl naar de Nederlanden. Deze elegante, zwierige vormentaal wordt vaak de internationale stijl genoemd, omdat er in een groot gebied ongeveer hetzelfde geproduceerd werd, met slechts kleine regionale verschillen. In de loop van de 14e eeuw werden de kunstenaars zo bedreven in het snijden van beelden met sierlijke vormen dat de beeldjes een beetje onpersoonlijker aandoen, alsof keer op keer hetzelfde kunstje werd herhaald.

Claus Sluter
Mozesput met de profeten Daniël en Jesaja

In de tweede helft van de 14e eeuw waart er een geest van verandering rond. Men krijgt meer belangstelling voor de werkelijkheid; in de kunst uit zich dat in meer realistische afbeeldingen. Er wordt meer aandacht besteed aan de gezichtsuitdrukking en figuren krijgen nu individuele trekken. Ook de ruimte rondom de figuren verandert, kunstenaars proberen een zeker perspectief te creëren of de indruk te wekken van een realistisch landschap of decor. Dit zorgt ervoor dat de kunstwerken meer karakter tonen dan de elegante standaard van de internationale stijl. Claus Sluter is een bekende vertegenwoordiger van deze vernieuwingen. De elegantie van de voorafgaande stijl is in Sluters statige, karakteristieke werk niet meer te vinden, maar wel een nieuwe en natuurlijkere levendigheid, die ook op de kunst in de Nederlanden een grote invloed gehad heeft.

Opper-Gelre, atelier Meester van Elsloo
3 apostelen en Christus Salvator

Na al dit realisme was men in de vijftiende eeuw weer toe aan een wat meer gestileerde kunst. Vanuit de realistische plooien in de gewaden ontwikkelden zich nu beelden met uitbundige kleding vol hoekige plooien die tegen elkaar aan lijken te stoten. Deze kostumering met drukke, onnatuurlijke plooival lijkt zich niets meer aan te trekken van het lichaam dat zich eronder zou moeten bevinden. Ook wat beweging en gezichtsuitdrukking betreft wordt de kunst in de 15e eeuw wat dramatischer. Kunstenaars gaan zich steeds meer losmaken van heersende tradities en ontwikkelen een eigen stijl, zoals ook te zien is bij de meester van Elsloo.

Zuid-Nederland, Mechelen
Zittend Christuskind

Productie, materialen en technieken

De voornaamste opdrachtgever voor beeldhouwwerk in steen en gesneden beelden in ander materiaal, was de kerk. De meester-beeldsnijder werkte alleen of met enkele leerlingen in een klein atelier. Naarmate er met de opkomst van de steden aan het einde van de middeleeuwen meer burgeropdrachten kwamen, ontstonden er grotere ateliers met een wat fabrieksmatige aanpak. De middeleeuwse kunstenaar moest rekening houden met de beeldtraditie; van de meeste voorstellingen bestond een voorbeeld dat door de beeldsnijder meer of minder getrouw werd nagevolgd. Met name religieuze voorstellingen waren aan een strak schema gebonden; het was namelijk belangrijk dat het beeld herkenbaar was en gelezen kon worden door een leek. De opdrachtgever wist in de meeste gevallen van tevoren al hoe het door hem bestelde beeld eruit zou gaan zien. Naast de beeldtraditie drukten ook de regionale technieken en voorkeuren hun stempel op het werk van de middeleeuwse sculpteur. Zijn werk is niet los te zien van tijd en omgeving, ondanks de persoonlijke draai die de beeldsnijder aan zijn beelden kon geven. Een voorbeeld van regionale vormen is te vinden in beeldjes uit Mechelen, die herkenbaar zijn aan hun poppige hoofdjes, zoals dit zittende Christuskind.

Onbekend
Kandelaar in de vorm van Simson die een leeuw temt
Nederrijns
Anna-te-drieën

Niet alle materialen boden de kunstenaar evenveel artistieke vrijheid. Na het gieten van deze kandelaar met behulp van een mal heeft de bronsgieter deze nog versierd met inkervingen. De kunstenaar die verantwoordelijk geweest is voor de ivoren Anna-te-drieën, heeft meer mogelijkheden gehad om zijn eigen talent en creativiteit erin te leggen. Steensculptuur leent zich voornamelijk voor grotere beelden. Het materiaal is wat meer geschikt voor imposante, wat minder fijn uitgewerkte figuren, die vaak in een architecturale setting geplaatst worden.
Het is nu misschien nauwelijks voorstelbaar, maar veel van dit middeleeuwse beeldhouwwerk is net als de klassieke Griekse sculptuur ook beschilderd geweest.

Anoniem, Utrecht
De madonna als apocalyptische vrouw

In de latere middeleeuwen nam de productie van houtsnijwerk een hoge vlucht. Net zoals met ivoor zijn in hout meer fijne details aan te brengen. Uit hout gesneden beeldjes sloten op deze manier beter aan bij de schilderkunst, waarin men ook meer nadruk legde op de afwerking, zoals een realistische stofuitdrukking. Terwijl de beeldsnijder zich voornamelijk individueel moeite getroostte om de beeldjes zo fijn en treffend mogelijk te krijgen, vervaardigde men in andere werkplaatsen kleiplaatjes als deze in massaproductie.

Anoniem Maasgebied
Christus met apostelen

Het beschilderen van gesneden beeldjes werd door een meesterschilder gedaan. De schildering bestond vaak uit meerdere lagen; ook een laag textiel kon deel uitmaken van de bedekking. De stoffering, zoals men de beschildering noemt, werd beschouwd als iets dat wellicht nog belangrijker was dan het snijden van het beeld. Met name de gezichtsuitdrukking kon door een slechte stoffeerder verpest worden. Door de kostbare ingrediënten van sommige verfsoorten en het bladgoud dat gebruikt werd, lag de prijs van het schilderen van het beeld soms zelfs hoger dan de prijs van het snijden. Soms werd een beeld pas jaren na het snijden beschilderd, wanneer er genoeg geld bijeengebracht was.
Tegenwoordig is nog maar weinig terug te zien van de kleurenpracht van middeleeuwse beeldjes, zoals bij deze apostelgroep. In de negentiende eeuw hield men meer van de aanblik van kaal hout en heeft men veel beeldsnijwerkjes afgeloogd. Hierbij werd duidelijk dat sommige beelden erop berekend waren dat ze beschilderd zouden worden. In enkele gevallen heeft men deze dan opnieuw laten beschilderen, daarmee vaak geheel voorbijgaand aan hun oorspronkelijke verschijning.

  • Toon terzijde De restauratie van een middeleeuwse beeldengroep
  • Toon terzijde Adriaen van Wesel
  • Toon terzijde Claus Sluter