Overzicht bijbelboeken

Over > Sleutelscènes

7. De geschiedenis rond Jozef

Jozef is Jakobs lievelingszoon, hij is namelijk de eerste zoon van Rachel. Maar hij ligt niet goed bij zijn broers, zeker niet als hij zijn dromen gaat vertellen die volgens hen duidelijk maken dat Jozef zich superieur voelt ten opzichte van zijn familie. Ze besluiten, als ze samen op herderstocht zijn, hem aan een slavendrijver te verkopen, maar tegen Jakob te zeggen dat hij door een wild dier is gedood.

Jozef komt uiteindelijk terecht aan het hof van de farao in Egypte, waar hij werkt bij Potifar. Diens vrouw probeert Jozef te verleiden, maar hij verzet zich daartegen en vlucht. Zij weet nog een stuk van zijn kleed te pakken te krijgen en beschuldigt hem er vervolgens van dat hij haar heeft geprobeerd te verleiden. Jozef komt in de gevangenis terecht. Daar legt hij de dromen uit van een schenker en een bakker die daar ook gevangen zitten. Wanneer de farao zijn dromen wil laten uitleggen, herinnert de schenker - die inmiddels weer vrij is - zich Jozef. Deze wordt gehaald en legt de dromen goed uit: ze betekenen dat er eerst zeven goede jaren en daarna zeven magere jaren zullen komen. Jozef adviseert de farao daarom om graanschuren te bouwen en zo een voorraad aan te leggen voor als de schaarste aanbreekt. De farao benoemt Jozef tot 'hoogste ambtenaar' om zijn eigen advies uit te voeren.

In Kanaän is inmiddels de door Jozef voorspelde hongersnood uitgebroken en Jozefs broers worden door Jakob naar Egypte gestuurd, omdat daar graan in overvloed is. Als zij oog in oog komen te staan met Jozef herkennen zij hem niet meer, en buigen diep voor hem, wat al eens voorspeld was in een van Jozefs vroegere dromen. Hij beschuldigt zijn broers van spionage en zet een van hen vast. Deze zal pas losgelaten worden als ze ook hun jongste broer, Benjamin, meenemen. Als ze de volgende keer ook Benjamin meenemen, test hij zijn broers nog een keer uit en beschuldigt Benjamin van diefstal en zegt hem te houden als slaaf. Maar broer Juda werpt zich voor hem op en biedt zichzelf in zijn plaats aan. Jozef kan het spel dan niet langer volhouden en vertelt wie hij eigenlijk is. Hij vertelt ze dat hij heel Egypte onder zich heeft en vraagt zijn broers en zijn vader in Egypte te komen wonen. Jakob verhuist dan met zijn hele gezin naar een streek in Egypte die Gosen heet. Daar woont hij dan nog zeventien jaar, voordat hij sterft. Zijn zoons begraven hem dan in de grot van Makpela in Kanaän waar ook Abraham en Isaak werden begraven. Jozef en zijn broers blijven daarna nog in Egypte wonen.

Heeft betrekking op:

Genesis 37:2-50:26