Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

A.J. Klei - Behaarde armen bij de halte

Ik kom graag op de Albert Cuyp. Zo ergens, dan wordt hier openbaar, hoe veelkleurig onze samenleving is. Je treft er net zulk een bont gezelschap aan als de apostel Petrus op het eerste pinksterfeest onder zijn gehoor had: Parthers en Meders en Elamieten...

Typisch een alinea uit een column van Bert Klei (1924-2008): zorgvuldig geformuleerd, met een klein scheutje tale Kanaäns, en met het grootste gemak het dagelijkse leven in Amsterdam vangend in een passend Schriftwoord (in dit geval uit Handelingen 2). Klei was zo'n columnist die met warmte en milde spot kon schrijven over de variëteiten en rariteiten binnen de protestantse zuil. Ook wist hij alles van de werelden van verschil tussen de protestanten en de 'roomsen'. Zo schijn je een nieuwe wc-rol op een protestantse en op een roomse manier te kunnen ophangen ... Een ander voorbeeld:

Roomsen gaan òp vakantie, protestanten mèt vakantie. Helaas wordt dit aardige onderscheid de laatste tijd in toenemende mate verdoezeld in deze zin, dat steeds meer protestanten ook òp vakantie gaan. Laten we toch oppassen, dat we het erfgoed der reformatie niet verkwanselen!

In de column 'Behaarde armen bij de halte' (verschenen in Trouw, 12 maart 1988) treffen we de verschillende karakteristieken samen aan.

Welgemoed daalde ik die zondagochtend de stoep van het door mij bewoonde pand af. Aangeland op het trottoir maakte ik mijn fiets los, die was geketend aan het ijzeren hekje dat de ramen van ons onderhuis beschermt. Ik moest naar een aan de rand van de stad gelegen verpleeghuis, waar ik de gewijde zang der bewoners met mijn harmoniumspel zou voortstuwen.
Nauwelijks echter had ik het zadel beklommen of ik merkte dat de achterband leeg, dus lek was. Ik liet me, om met psalm 141 vers 3 in de oude berijming te spreken, iets onbedachtzaams ontglippen en legde mijn fiets weer aan de ketting. Er zat niets anders op dan de tram te nemen.

Klei doelt hier op de berijming-1773 van Psalm 141:3, die luidt: 'Zet, HEER, een wacht voor mijne lippen, / behoed de deuren van mijn mond, / opdat ik mij tot gene stond / iets onbedachtzaams laat ontglippen.' Wachtend op de tram bekijkt hij de reclameplaat op het wachthokje met een 'meer dan levensgrote afbeelding van een blote jongeman'.

Wàt...? Of-t-ie helemaal bloot op dat reclamebiljet stond? Nee hoor! Dat wil zeggen: je kon niet zien of hij alles uit had, omdat je niet alles kon zien. Je zag alleen zijn blote schouders en zijn blote armen en die twee blote armen rustten op een blote knie. Hij, ik bedoel die jongeman, kon dus best helemaal bloot zijn, maar 't hoefde niet.
Aan de linkerhand van de geheel of gedeeltelijk ontblote man prijkte een smalle trouwring. Dit fotomodel is, overwoog ik onder 't wachten op de tram, òf een verloofde protestant òf een getrouwde roomse. Want roomsen dragen de trouwring links en de verlovingsring rechts, net andersom als bij de protestanten. Omdat verlovingen uit de mode zijn, zéker in kringen waar men zich niet of nauwelijks gekleed laat fotograferen, hield ik het erop dat de jongeman op de reclameplaat gehuwd en rooms was.
(...)
De gehuwde roomse jongeman had sterk behaarde onderarmen en deze beheersten de ganse afbeelding. Rechts boven zijn hoofd stond in fiere letters: Je bent wat je drinkt. Rechts onderin ontwaarde ik de naam van een bronwater. Om onze advertentie-afdeling niet voor de voeten te lopen, verzwijg ik het merk, maar 't is heel bekend.
Je bent wat je drinkt. Je bent dus, als je dat ongenoemde prikwater drinkt, iemand met behaarde armen? Nu bestaan er mannen zonder haar op de armen en ik vroeg me op de tramhalte af, of die beklagenswaardige schepsels nu niet in de waan zouden worden gebracht dat zij, wanneer zij maar voldoende van dit bronwater naar binnen werken, haar op hun kale armen zullen krijgen. Ik stem toe dat de tekst van de slagzin geen aanleiding gaf tot het vormen van dit denkbeeld, maar de reclameplaat als totaal wekte de suggestie dat er rechtstreeks verband bestaat tussen het hebben van behaarde armen en het drinken van een bepaald merk bronwater. Deze gedachte dient, om teleurstelling te voorkomen, met kracht te worden onderdrukt. (...)
Daar had je de tram. Alvorens in te stappen, keek ik nog even naar de reclame en plotseling werd me de boodschap ervan duidelijk: als je rein bronwater drinkt, ben je zelf ook rein. En de reinen is alles rein, ook in je blootje op een reclamefoto staan.

Bibliografische referenties

A.J. Klei, 'Behaarde armen bij de halte' in: Wanneer het op nadenken aankomt, weet ik van geen ophouden. Amsterdam: Balans, 2008, p. 45-47. (De andere citaten zijn afkomstig uit dezelfde bundel met 'het mooiste van Klei', van p. 36 en 54.)

Zie ook het digitale 'Bert Klei'-dossier van Trouw.

Heeft betrekking op:

Titus 1:15, Psalm 141:3, Handelingen 2:9