Overzicht bijbelboeken

Cultuur > Zegswijzen

Aanfluiting

Oorspronkelijk: bespotting; bij uitbreiding: dat wat iets te schande maakt.

We kunnen onderscheid maken tussen de daad van het aanfluiten - de bespotting - en het voorwerp van aanfluiten, d.i. het voorwerp van bespotting, het doelwit van schimp en smaad. Zie voor het eerste bijv. Sefanja 2:15 (Statenvertaling): 'Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.' Het tweede vinden we bijv. in Micha 6:16, waar over het volk van Israƫl dat de goddeloze Achab volgt, geprofeteerd wordt (Statenvert.): '... opdat Ik u stelle tot verwoesting, en haar inwoners tot aanfluiting; alzo zult gij de smaadheid Mijns volks dragen.'
In het moderne Nederlands zegt men bijv. 'Dit proces is een aanfluiting van het recht.'

"Gij zijt eene aanfluiting der stad geworden: ijlhoofdige studenten hebben met u omgesprongen als spelende kinderen met een kaatsbal." (J. Immerzeel jr, Lotgevallen van Balthazar Knoopius. Amsterdam, 1842 (2e dr.), p. 172)

Heeft betrekking op:

Micha 6:16, Jeremia 19:8, Jeremia 25:9, Jeremia 29:18, 2 Kronieken 29:8, Sefanja 2:15