Overzicht bijbelboeken

Over > Interpretatie

Aäron in de koran

De priester Aäron, Mozes’ broer, heet in de koran Haroen. Hij wordt in één adem genoemd met andere profeten (soera 4:163):

Wij hebben aan jou geopenbaard zoals Wij aan Noeh en de profeten na hem geopenbaard hebben. En Wij hebben geopenbaard aan Ibrahiem, Isma‘iel, Ishaak, Ja‘koeb en de stammen, ‘Isa, Ajjoeb, Joenoes, Haroen, Soelaimaan –

... en expliciet profeet genoemd in soera 19:53: 'En Wij schonken hem [= Mozes] uit Onze barmhartigheid zijn broeder Haroen als profeet.'

Soera 7:148-157 vertelt het verhaal van het gouden stierkalf en de rol van Aäron daarin ongeveer zoals dat gebeurde in Exodus 32. Wanneer Mozes na veertig dagen van afzondering terugkeert naar de Israëlieten en het gouden kalf in het oog krijgt, barst hij in woede uit (7:150):

En hij wierp de tafelen neer en greep zijn broer bij het hoofd en trok hem naar zich toe. Hij [= Aäron] zei: ‘Zoon van mijn moeder! Het volk heeft mij onder druk gezet en zij hadden mij bijna gedood. Maak niet dat de vijanden over mij leedvermaak hebben en zet mij niet bij de mensen die onrecht plegen.’

De twintigste soera bevat echter een iets andere versie van het verhaal. Daar is het niet Aäron die een gouden stierkalf maakt, maar een Samaritaan die het volk daartoe aanzet. Aäron waarschuwt de Israëlieten juist tegen het gouden kalf. Het verhaal vanaf vers 85:

85 Hij [= God] zei: “Wij hebben jouw [= Mozes’] volk in verzoeking gebracht nadat jij weggegaan was en de Samiriet heeft hen tot dwaling gebracht.” 86 Toen keerde Moesa toornig en vol spijt tot zijn volk terug. Hij zei: “Mijn volk! Heeft jullie Heer jullie niet een goede toezegging gedaan? Duurde de tijd jullie te lang of wensten jullie dat er toorn van jullie Heer over jullie los zou barsten, zodat jullie de afspraak met mij niet nakwamen?” 87 Zij zeiden: “Wij zijn niet uit eigen beweging de afspraak met jou niet nagekomen, maar wij werden overladen met hele ladingen sieraden van de mensen. Die hebben wij toen [in het vuur] gegooid en de Samiriet deed dat ook. 88 Hij bracht toen voor hen een kalf te voorschijn, als een lichaam met geloei.” En zij zeiden: “Dit is jullie god en de god van Moesa, maar hij was het vergeten.” (...) 90 En Haroen had al van tevoren tot hen gezegd: ‘O mijn volk! Jullie worden daarmee in verzoeking gebracht. Jullie Heer is toch de Erbarmer! Volgt mij dus en gehoorzaamt mijn bevel.” 91 Zij zeiden: “Wij zullen niet ophouden het eer te bewijzen zolang Moesa niet tot ons terugkomt.” 92 Hij zei: “O Haroen, wat weerhield jou toen jij zag dat zij dwaalden, 93 dat jij mij niet gevolgd bent? Was jij ongehoorzaam aan mijn bevel?” 94 Hij zei: “Zoon van mijn moeder, grijp mij niet bij mijn baard en bij mijn hoofd. Ik vreesde dat jij zou zeggen: ‘Jij hebt de Israëlieten opgesplitst en je niet gehouden aan wat ik zei.’” 95 Hij zei: “En hoe is het met jou, o Samiriet?” 96 Hij zei: “Ik had inzicht in iets waarin zij dat niet hadden en ik nam een handvol van het spoor van de gezant en heb het [over het kalf] geworpen. Dat had ik mijzelf zo wijsgemaakt.” 97 Hij zei: “Ga weg, jouw lot in het leven zal zijn dat je moet zeggen: ‘Niet aanraken!’ En voor jou is er een afspraak waaraan jij je niet kunt onttrekken. En kijk dan naar jouw god, die jij eer bleef bewijzen. Wij zullen hem zeker verbranden en dan in de zee verstrooien. 98 Jullie god is God alleen, buiten wie er geen andere god is. Hij omvat alles met Zijn kennis.”

Men verklaart het optreden van de Samaritaan in de koran wel als volgt:
De Samaritanen leven afgezonderd van de rest van de Israëlieten en anders-godsdienstigen door zich aan bepaalde reinheidsregels te houden. Zij mengen zich niet met de mensen in hun omgeving, want daardoor zouden ze onrein worden. Mohammed ziet dat eerder als een straf dan als een zelfgekozen afzondering. Hij zoekt een verklaring voor deze ‘straf’ en laat hiertoe een Samaritaan de zonde van het gouden kalf op zich nemen. De uitspraak van Mozes: “... jouw lot in het leven zal zijn dat je moet zeggen: ‘Niet aanraken!’” bepaalt het lot van de Samaritaan. Voortaan leeft hij afgescheiden van zijn omgeving omdat hij door aanraking van mensen buiten de eigen groep onrein wordt.

Zie ook

  • Toon Rode draad Bijbel en koran

Heeft betrekking op:

Exodus 32:4