Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Abel J. Herzberg - Drie rode rozen

In zijn novelle Drie rode rozen (1975) laat Abel Herzberg de hoofdpersoon zoeken naar een antwoord op de vraag naar het waarom van het schuldeloze lijden. Bij die zoektocht fungeert de bijbelse Job als gids en als klankbord.

Salomon Zeitscheck, een kleermaker in ruste, heeft de oorlog als onderduiker overleefd. Zijn drie kinderen zijn echter omgekomen en zijn vrouw, met wie hij samen ondergedoken zat, maar met wie de verhouding slecht was, heeft tijdens de onderduik zelfmoord gepleegd toen zij vernam dat ook hun jongste kind was opgepakt. Van zijn 82 familieleden is alleen nog zijn nichtje Clara over, die na de oorlog naar Israël geëmigreerd is, iets waarvoor hijzelf de moed niet had. Zeitschecks persoonlijke lot is wellicht minder zwaar dan dat van Job – hij leeft als erfgenaam van zijn vermoorde familieleden in relatieve welstand en wordt pas later in het verhaal met een hartinfarct in zijn gezondheid getroffen – maar daar staat tegenover dat hij als jood ook het lot van zijn volk meetorst.

Zeitscheck, die zich een gespleten persoon voelt en voortdurend met zichzelf in dialoog is als Salomon en Zeitscheck, herkent zich in de vragen van Job. Het is niet Job de Dulder, zoals de traditie hem noemt, maar Job de Rebel met wie hij zich verwant voelt. Hij begrijpt wat Job beweegt en wenst dat híj een van zijn vrienden was geweest in plaats van de onbegrijpende en inadequate Elifaz, Bildad en Sofar (Elihu wordt genegeerd, maar hij wordt in de bijbeltekst ook niet als vriend van Job benoemd). Zeitscheck begint brieven te schrijven aan Job. In de eerste bespreekt hij de overeenkomsten en verschillen tussen hem en Job. In de tweede brief gaat hij in op wat hij in het bijbelboek leest als oorzaak van Jobs onverdiende ellende. Hij neemt geen genoegen met de verklaring dat het een beproeving van Godswege was, omdat dat niet in overeenstemming is met Gods rechtvaardigheid. Zeitscheck vat het plan op de rechtszaak tegen God, die Job begonnen is maar na Gods 'antwoord uit een storm' niet heeft voortgezet, alsnog te doen plaatsvinden. Als rechters zoekt hij de kibboetsgenoten van zijn nichtje Clara aan. De volgende brief die hij schrijft is dan ook aan haar gericht. Hij stort zijn hart uit, om tot de conclusie te komen: 'Willekeur, redeloze wreedheid was het, die de mensheid beheerste (om van heel de natuur maar te zwijgen).' En van de vele remedies die aanbevolen werden heeft er niet één enig soelaas gebracht, noch liefde, noch rechtvaardigheid, noch geloof. Integendeel, de beoefening daarvan heeft in de geschiedenis alleen maar nieuwe strijd en nieuw lijden opgeleverd. 'Job had gelijk. Als God de wereld beheerste, wie anders dan hij moest worden aangeklaagd en tot rede geroepen?' In dezelfde brief bekent hij Clara ook twee liefdes die hij gekoesterd heeft, één in zijn jonge jaren, voor een hoertje, dat hem bij het vrijen toefluistert: 'Als God met ons is, wie zal tegen ons zijn?' [vgl. Rom. 8:31] en één voor een zigeunermeisje dat hem drie rode rozen geeft, en die benoemt als geloof, hoop en liefde [vgl. 1 Kor. 13:13].

Het duurt lang voordat Salomon antwoord krijgt uit Israël, maar als het komt, is het voor hem net zo teleurstellend als de redevoeringen van de vrienden voor Job. Clara’s man vat zijn vraag een beetje anders samen: 'Wordt de wereld beheerst door recht, of was zij een prooi van willekeur? En het leven, met alle bitterheden die het bracht, had het enige zin voor de mensen, was er een richting die zij gedwongen waren te volgen of fladderden zij alleen maar rond al naar de grillen van een onbegrijpelijk toeval (…).' De kibboetsbewoners, vanuit hun situatie van hard werken onder barre omstandigheden en onder een voortdurende dreiging, verklaren de één na de ander de vraagstelling verkeerd of irrelevant. 'Het kwam erop neer dat een mens moest vechten om te kunnen bestaan en moest leren hoe hij dat moest doen en met welke methoden. Maar als je dat nu niet kon, omdat je er te oud of te jong of te zwak voor was, in elk geval zwakker dan anderen, wat dan? Het visioen, de weg die de lijdende ziel moest gaan om vrede te vinden als God tegen hem was, waar was die? (…) En als anderen hadden uiteengezet dat er geen schuld bestaat, en dit met een reeks van voorbeelden hadden bewezen, had dit dan de straf verklaard? Omdat de mens bloeddorstig is? Is dit troost voor de lijdenden, antwoord voor de zoeker? Wat heb je eraan, te weten wat de feiten zijn, als je niet weet waarom? Zonder dit weten bestaat er geen weg voor de gefolterde mensheid.'

Salomon Zeitscheck schrijft dan zijn laatste brief aan Job, en in deze brief vindt hij zelf het antwoord op zijn vragen. Hij knoopt aan bij het antwoord van God, dat geen rechtstreeks antwoord is, maar een schildering van de grootse, onnavolgbare schepping. Vanuit de gedachte dat een schepping uit het niets niet mogelijk is, komt Zeitscheck tot de conclusie dat de schepping hieruit bestaat, dat God zichzelf zodanig verdicht, geconcentreerd heeft dat er materie ontstaan is. Al het geschapene bestaat dus uit goddelijke substantie, alles en iedereen is fragment van het ene geheel dat God is. 'Alles is God en God is niets anders dan alles.' Omdat God niet boven maar in de schepping is, zouden we niet 'Vader in de hemel' moeten roepen, maar 'Broeder op aarde'. Immers: 'Heeft God dan slaven uit zich zelf geschapen of deelgenoten ter voleindiging van zijn onvoleindigde en gebrekkige schepping? (…) Waarom bidden wij? Hij die weet dat hij bestaat, vraagt niet om hulp, maar helpt.'

Het schrijven van deze laatste nachtelijke brief is teveel voor de hartpatiënt Zeitscheck, en hij voelt dat hij gaat sterven. De erfenis die hij nalaat zijn de drie rode rozen, die hij in herinnering aan het zigeunermeisje voor zichzelf had gekocht. Als erfgenaam ziet hij zijn achterneefje Simon, die, zo schreef Clara in de slotzin van haar brief, huilend van school kwam omdat hij geen grootvader had. Behalve de rozen laat hij hem ook een kalenderblaadje na, waarop staat: 'Liefde heelt alles.' Hij leest dat 'heelt' in de zin van herstellen van het geheel, waardoor zijn 'erfenis' direct aansluit op zijn pas ontwikkelde wereldvisie.

Bibliografische referenties

Voor deze weergave van Herzbergs novelle is gebruik gemaakt van Drie rode rozen: Abel Herzberg en Job, geschreven door Bettine Siertsema. [Klik hier voor de volledige tekst.]

Henk van Ulsen heeft deze novelle gebruikt in zijn theatervoorstelling Job op Schokland (1991) Henk van Ulsen - Job op Schokland.

In februari-maart 2009 is een bewerking van de novelle tot 'muzikale vertelvoorstelling' te zien geweest in Alkmaar e.o.; regie Lettie Oosterhof.

Heeft betrekking op:

Job 38:1, Romeinen 8:31