Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Albericus Stichelbaut – Jerusalems herstelling

In 1811 verschijnt Jerusalems herstelling, geschreven door de Vlaamse dorpspastoor Alberik Stichelbaut. Dit onderhoudende en soms vermakelijke gedicht van ruim tweehonderd pagina’s vertelt het bijbelboek Ezra na, en doet er nog flink wat bovenop. In terugblikken en in een visioen, in de mond gelegd van de personen Josuë, Baäna en Zorobabel, komt de hele bijbelse geschiedenis langs. Die vindt haar bekroning in de komst van Jezus de Messias en de verspreiding van het Christendom. Het gedicht bestaat uit twee delen, boek 1-6 en 7-12.

In het eerste boek bidt Josuë de zoon van Josedech (= Jesua, de zoon van Josadak; Ezra 3:2) tot God om verlossing uit de ballingschap. Gods engel verschijnt aan hem en belooft:

De Godheyd is verzoend door uw boetvaardigheden,
En laat u naar uw wensch geschieden en gebeden;
Gy, en het volk, zult haast uw heilig erfdeel zien,
Vorst Cyrus zal hier aan het gunstig hand toebien,
En zyn bevel door heel ’t bestrek zyns Ryken geven,
Dat al d’Hebreeuwen, waar of gins verspreid zy leven,
In ’t een of ’t ander oord van zyne heerschappy,
ontslaagen moeten zyn van ’t juk der slaaverny.

Maar in het tweede boek komt Satan roet in het eten gooien. Stichelbaut tekent de hel en de Satan uitvoerig en op zo'n manier dat de verteller er zelf van schrikt:

En nu bezwykt my ook d’inbeeldings kracht: myn veder
Valt my van schroom uit d’hand, en nauwelyks kan ik weder
Haar nemen op: ik staa in volle ontsteltenis,
Wyl ik door al die naare en sombre duisternis,
Onmachtig schyne een schets of enkele vertooning
Te maalen af van deze grouwelyke woning, ...

Wanneer Satan gaapt, steekt een vulkaanuitbarsting van de Etna daar maar flauwtjes bij af:

’T vuurspouwende gebergt van Aethna, dat vertoond
Zoo een verdward toneel, en brakt uit zynen mond
De brandende asch, en grold en gronst zoo wreed van onder,
Dat Zuid-Europa schrikt en inkrimpt door het wonder,
En Noord-Afriken mé met dood-schrik word bestouwt,
Is maar een flouw vertoog van ’t gon’ men hier beschouwd.

In de boeken drie tot en met zes is Baäna (Ezra 2:1-2) aan het woord. Hij vertelt Cyrus in een breed uitgesponnen terugblik van de verovering van Jeruzalem en de verwoesting van de tempel door Nebukadnessar. Cyrus laat een banket aanrichten voor Baäna, waar het Lied van de Zee wordt gezongen, het danklied dat Mozes zong na de uittocht uit Egypte (Ex. 15). Hier eindigt de eerste helft van het gedicht.

De tweede helft (boek 7-12) opent met een gebed van Josuë de zoon van Josedech, dat doorloopt tot in boek 9. In zijn gebed vat hij de geschiedenis samen uit Genesis, Exodus, Numeri, Deuteronomium, Jozua, Rechters, 1 en 2 Samuël en nog een stukje 1 Koningen. Deze terugblik is qua omvang een waardige tegenhanger van die van Baäna. Eindelijk, aan het eind van boek 9, trekt het volk onder Zorobabel (= Zerubbabel; Ezra 2:1-2) naar Jeruzalem op:

Een bly geschal ryst op van cythers en schalmeien,
Harp, trommel, schuif-trompet met fluit en bom verspreien
Den weerklank door de locht: straks komt van agter aan
Een uitgestrekte rei van kemels zwaar gelaan:
Naar hun volgd eenen sleep van runders, koeien, schaapen,
Door knechten opgevolgd, die ’t vee op hunne stappen
By d’oogen gade slaan: elk houd by zig bewaard
Den schat door arebeid te Babylon vergaard.

Boek tien verhaalt van de moeilijkheden die de teruggekeerde ballingen ondervinden bij de bouw van de tempel (daar zit Satan natuurlijk achter!), maar ook van de vrolijke ijver waarmee zij de puinhopen van de stad opruimen en de tempelbouw beginnen. De verteller laat zijn blik dwalen over de wemelende bouwplaats, en zoomt in op een deel van het werkvolk:

Gins, en waar ’t oog zig draaid, daar ziet men uit de kraanen
De koorden slingeren, waar mée die sterke mannen,
Met uitgestrekten arm, ophaalen ’t wigtig lood,
Of yzre baaren, of muurankers lang en groot,
Al noodig om ’t gebouw der huizen op te trekken,
En met een wandel-dak van boven t’overdekken,
Opdat het geen orkaan of wind ter neder ruk:
Elk werkman, oud of jong is meester in zyn stuk.

In het begin van boek 11 is de bouw van de tempel opeens vrij snel klaar om plaats te maken voor het visioen van Zorobabel. Dit visioen vat eerst de geschiedenis vanaf de tweede tempel tot aan de komst van Jezus samen. De schrijver steunt hier voornamelijk op de boeken der Makkabeeën en op het werk van Flavius Josephus. Daarna ziet Zorobabel hoe de kerk gevestigd wordt en het Christendom verspreid. De vroege kerkvaders komen aan bod en de eerste zendelingen worden herdacht:

Een man, die Thomas word en Didimus genoemd,
En in het Christendom is waardig hoog geroemd,
(Wat hy niet anders tracht als JESUS Naam en Wetten,
In ’t onbeschaafd gemoed der heidnen voort te zetten,)
Draagd ’t waar Geloove voort tot aan den Indus-stroom
En Ganges, die het goud met hem sleept, en rondom
Den woesten Taurus-berg en ’t land der Sogdianen,
Tot aan het machtig Ryk van China en Javanen,
Men ziet de straalen zelf van ’t Evangeli slaan,
Schier tot aan Malabar, Indostan en Japan.

Pas als het Christendom zo 'tot aan de einden der aarde' verspreid is, legt Stichelbaut de pen neer.

Bibliografische referenties

Albericus Stichelbaut, Jerusalems herstelling, Gedicht in twaalf Boeken. Brugge: P. de Vliegher, 1811. (Exemplaar ter inzage beschikbaar in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag.)

Heeft betrekking op:

Ezra 1:1