Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Albert Kuyle - Jonas

In 1925 verscheen het eerste nummer van De Gemeenschap, een kunsttijdschrift met de ondertitel 'maandschrift voor katholieke reconstructie'. In het blad werd een brug geslagen tussen het traditionele geloof en de allermodernste kunst (bijv. van Paul van Ostaijen en Gerrit Rietveld). Hierin volgde men het credo van de roomse kunstpaus Jacques Maritain: 'Alle kunst herstelt het paradijs, niet in de werkelijkheid, maar in het beeld.'
Een van de oprichters van De Gemeenschap was Albert Kuyle. In 1932 bood het tijdschrift een voorpublicatie van zijn roman Jonas, die twee jaar later zou verschijnen.

Kuyle volgt in zijn roman het bijbelverhaal over Jona op de voet, maar vult daarbij in en breidt uit. Zo beschrijft Kuyle in aanvulling op Jona 1:3a hoe de vluchtende Jona tot God bidt (p. 13-14):

'Machtige Heer God. Hier is Jonas, Uw dienaar die tot U spreekt. Luister naar hem, ook al durft hij niet stil te staan voor Uw gelaat, en al gaan zijn voeten den weg die hem van U voert. Ik heb Uw stem gehoord, maar Gij kunt niet willen dat ik naar Niniveh ga. (...) Blaas het vuur niet aan in Uw hand, want immer deed Gij het dooven als Gij gedreigd had het uit te werpen over de wolk van de zonde. Bespotten zouden zij mij, die hun predikte wat Gij gezegd hebt, en doen zij boetvaardigheid, dan hangt Gij den sikkel weder weg en maait niet hunne hoofden. Toorn tegen hen, maar laat niet mijn zwakke stem de donder van Uw geluid dempen. Ik vlucht, Heer, omdat ik weet dat Gij barmhartig zijt (...)'

Direct daarna (p. 15-16) wordt verteld hoe Gods ogen Jona op zijn vluchtweg volgen:

En Hij ziet hoe zijn Engel, dien Hij 'Ster der Profeten' noemde, wit en lichtend voortgaat naast Jonas' grijze figuur.
Zwevend en ongezien, spitsvoetig naar de aarde en vleugel-ruischend naar den hemel, wandelt daar Gods Stem mede. En ter linkerzij gaat het beest, dat geen naam heeft bij God, zwart en duister naast Jonas' grijze figuur. Kruipend en ongezien, de gespleten hoef drukkend in de aarde, de genagelde drakenvleugels mee-slepend als een onheilsvlag die zich dadelijk ontplooien kan. (...)
Zoo gaan de drie gestalten door de woestijn, wit, grijs en zwart. Nog gaat de Stem van God telkens weer luien in Jonas' hart, maar telkens ook gaat het beest recht staan tegen zijn gezicht en lekt de tong van satan zijn gloeiend aangezicht.

Fraai is de passage waarin Kuyle beschrijft hoe God de grote vis 'beschikt' om Jona te bergen (vgl. Jona 2:1); de poëtische beschrijving loopt over in een lofpsalm (p. 36-38):

Jahwe plonst met Zijn hand in de diepte, en, gespreid de vingers, vischt Hij Zijne visch. Zij liggen ademend, en trillend met hunne staarten in Zijn hand. Hij ziet de potvisch, en herinnert zich hoe Hij deze maakte. Maar terwijl de vingers uit elkander wijken, laat Hij hem terugvallen in de zee, en daverend schuimt de visch weg over het oppervlak. Dieper grijpt nu Jahwe's hand, en hij beurt de Groote, die Verscheurt. Als een geslepen eg ligt het tandveld achter de kaken. Kwijl loopt uit de bekspleet. Hij valt terug naar de diepte. Opnieuw vischt Gods hand in de wateren, strijkt over de toppen der wierboomen en langs het duizendvoudig koraal. En dan beurt Hij de visch die Hij beschikte. De schubben liggen hem op het lijf als een harnas. Rond gesneden zijn de platen en waar zij elkander raken, groeien mossels en anemonen. Zijn bek is als een hol in de bergen, zijn vinnen zijn zwaarden van een visschersschip. Purper is zijn lijf met een groene kam die uitfranjert tot op de staart. De oogen liggen diep onder de vleeschberg, maar als Jahwe's adem hem beroert, begint de staart te wentelen van ijver. Hoog, tot den hemel spat het schuim, en uit zijn kop blaast hij het water tot in de wolken. Dan wijst Jahwe's hand over de zeeën, en terwijl de deining de wieren droog legt en weer hoog overspoelt, is reeds de visch een stip op de horizon, een verre glinstering, een zilverige glans.

Prijs dan Jahwe, Israëls Heer! Want Hij gebiedt Jonas. En Jonas gehoorzaamt niet. Hij gebiedt den storm en de winden en de wateren en de zee. En de storm en de winden en de wateren en de zee gehoorzamen aan Zijn bevel. Hij gebiedt de zon, dat er duister zal zijn, en de nacht daalt neer op het midden van den dag. Hij gebiedt Zijn visch, en wijst hem zijn zwemsel, en Zijn hand trekt de voren waarin Zijn visch zwemt. Hij gebiedt aan Zijn schepsels en zij werpen Jonas uit. Hij beveelt het water en het omarmt Jonas. Hij beveelt de wieren en zij strengelen zich om Zijn profeet. Hij beveelt Zijn visch: 'Zwelgt dezen mensch', en de visch zwelgt hem. Hij gebiedt Zijn profeet: 'Ga in deze visch, en woon daar'. Prijs dan Jahwe, Israëls Heer! Zijn barmhartigheid is als de morgenwolk en als de morgendauw. Hij komt over ons als een voorjaarsregen in het voorjaar, en als een najaarswind als de vruchten rijpen. De bazuin aan Zijn mond is gelijk een arend over de wereld. Hij weidt den wind en Hij drijft den vuurstorm. Hij raakt de aarde en deze verdort. Hij draagt olie uit, en zalf is over de landen.
Prijs dan Jahwe, Israëls Heer! Bewandelt Zijne wegen in rechtvaardigheid, en gij zult wandelen. Bewandelt Zijne wegen, gij boozen, en gij zult struikelen.

Vanuit de buik van de vis begint Jona tot God te roepen (vgl. Jona 2:2-10). Kuyle legt dan een link die we ook in de evangeliën aantreffen - vgl. Matt. 12:39-40:

Drie dagen stormde Jonas' stem tot in Gods oorschelp, en in den derden nacht, helder en vol waaiende geuren, ging Gods blik tot diep in het verschiet. Hij zag in een verre aarde een smal graf, een spleet in de rots en vanuit deze scheede stond een wit licht op, en het sloeg uit, en werd een zingende vlam die den Hemel zengde. En duidelijk zag God hoe Zijn Zoon opzweefde als een leeuwerik, hoe de aarde losraakte van Zijn voeten, en hoe Hij Zich kroonde en zetelde aan Zijn rechterhand. Een engel riep: 'Drie dagen rustte Hij in de aarde, en nu is Hij opgestegen'. En God liet de blijdschap wederom toe op Zijn gelaat, en sprekende beval Hij Zijn visch. (p. 43)

Nadat de vis Jona uitgespuwd heeft, zet Kuyle het verhaal voort bij de koning van Nineve. Deze krijgt meer persoonlijkheid en een grotere rol dan in het bijbelverhaal. Ook Jona's optreden in Nineve wordt veel meer aangekleed: Jona vindt aanvankelijk alleen gehoor bij de kinderen van Nineve, daarna bij de armen, de blinden en de vertrapten. Jona's woorden lijken dan ook wel op die van Jezus. Pas in laatste instantie, op de tiende dag, komt de koning van Nineve zelf naar Jona luisteren - en bekeert zich (vgl. 3:6):

Dit is dan Niniveh's uur. Het uur waarin de stad Jahwe den Heer herkent en de zending van Jonas, den profeet dien Hij zond. De Koning neemt de asch van wat hij gisteren offerde aan geilheid's godin, en strooit de vette vlokken over zijn hoofd en over zijne kleederen dat wat glanzend en blinkend is, dof wordt en ootmoedig. (p. 132)

Kuyle beschrijft hoe Jona al tijdens het profeteren begint te twijfelen: stel je voor dat 'heel de Groote Stad tot een klaagmuur en tot een rouwplaats [wordt], waarop Jahwe neerziet, vervuld van barmhartigheid. Dan zal de tocht gegaan zijn om niet, en de woorden gesproken vruchteloos, en de profetie zal in zijn hand wederkeeren als een vogel aan wier krassen niemand geloof wil schenken.' God ziet hoe de duivel weer om zijn profeet heen draait; hij ziet

hoe rond Jonas de mist van den twijfel groeit.
Wie is hij dan, dat hij maar noode wachten kan op de dag des vuurs, en op het doodsgeschrei van die thans boete doen?
Wat hart en wat erbarmen heeft deze, dat hij om zijns zelfs wil en om zijn eigen eer den vloek wil bevestigd zien, en met een hart vol ongeduld verlangt naar het ongeluk van de duizend maal duizend die in de stad tezamen zijn? (p. 143)

Ook in de afloop wijkt Kuyles Jonas niet af van het bijbelverhaal.

Bibliografische referenties

Albert Kuyle, Jonas, Hilversum: Paul Brand, 1934.

Heeft betrekking op:

Jona 1:3, Jona 2:1, Jona 3:6, Matteüs 12:39-40