Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Alexander Cohen - In opstand

De anarchist Alexander Cohen (1864-1961) reageert in onderstaand fragment uit zijn In opstand (1932, herdruk 1960) zoals hij ook in de rest van zijn leven zou doen: geen gezag erkennend, zeker niet dat van een voor hem onbegrijpelijke God. Hij kiest partij voor de zwakke, de achtergestelde: de schuldeloze Hagar en Ismaël, de bedrogen Ezau, de voor een kleinigheid zo zwaar gestrafte Mozes.

Mijn geloof, als het geloof genoemd mag worden, is van zuiver zinnelijke aard. Het kristalliseert zich in het gezang van de 'chazan', en het beperkt zich, eigenlijk gezegd, daartoe. De verhalen van de Bijbel — wij krijgen, twee maal in de week, een uur godsdienst-onderwijs van meester Koster, een hartverscheurende hongerlijder, met een rossige hoge hoed, een glimmende lange jas, en een Christusgelaat ... geen Christus à la Munkaczy, gekapt, gefriseerd, en met een zó uit de was gekomen, onberispelijk gestreken, wit opperkleed aan, maar met het gefolterde aangezicht van de Gekruisigde in een oude, bretonse kerk — de verhalen van de Bijbel wekken heel andere gevoelens, en heel andere sympathieën in mij op dan beoogd wordt.
Zo heb ik, bij voorbeeld, met Kaïn te doen. Nu ja! het zou misschien beter zijn geweest als hij zijn broeder Abel nièt had doodgeslagen. Maar waarom had de Heer zijn offer, 'van de vrucht des lands', versmaad, het niet eens aangezien, terwijl hij het geschenk van Abel, een ooilam, wèl aanvaardde? Hield God meer van geroosterd lamsvlees dan van radijsjes of ramenas? Dan was het een kleine moeite voor hem geweest dit aan Kaïn te zeggen, in plaats van die arme jongen zo sneu te behandelen, en Abel zo in het oog lopend vóór te trekken. Die Abel lijkt mij een vleier, een pluimstrijker, die, om bij de Eeuwige in de pas te komen, eerst de kat uit de boom kijkt, afwacht wat Kaïn offert, en dan gauw met iets lekkerders komt aanzetten. Arme Kaïn! In zijn plaats, waarin ik mij o! zo gemakkelijk kan denken, zou ik waarschijnlijk nèt zo gedaan hebben als hij.
Van de aartsvader Abraham — voor heen Abram — die Hagar en haar en zijn zoon Ismaël de deur uit, en de woestijn van Berseba Injaagt; van de aartsvader Jakob, die van list en verraad aaneen hangt, heb ik een hartgrondige afkeer. Als Esau — ik houd van de achteruitgezette, bedrogen Esau, die het thuis óók al niet prettig had — als Esau, zeg ik, zijn schobbejak van een broer Jakob te pakken gekregen, en hem armen en benen stuk geslagen had, dan zou mijn rechtvaardigheidsgevoel volkomen bevredigd zijn geweest. Maar neen! De Heer beschermt Abraham, beschermt Jakob, zegent grootvader en kleinzoon met overvloed van schapen, runderen, kamelen, dienstmaagden, vrouwen en kinderen. Ik kan er niet bij, en het ontbreekt mij geheel en al aan geestdrift voor de Eeuwige Sebaoth, voor wie ik alleen nog maar een beetje bang ben op Grote Verzoendag.
Twee vooraanstaande persoonlijkheden, zoals dat tegenwoordig heet, vallen bizonder in mijn smaak: Mozes, die, na al wat hij gedaan had om het de Heer naar de zin te maken, door God óók al niet aardig wordt behandeld — hij mocht, na veertig jaar lang in de woestijn te hebben omgezworven met de rumoerige, ongezeggelijke kinderen Israëls, het Beloofde Land, overvloeiende van melk en honing, alleen zien, 'van de berg Nebo af, op de hoogte van Pisga', maar het niét betreden! — en Simson, die de tempel van Dagon boven zijn eigen hoofd en boven de hoofden van zijn vijanden, de Filistijnen, ineen deed storten. Nèt van Speyck! vond ik, behalve dan het: 'Jongen! berg je lijf,' waarvan het bijbelse verhaal niet gewaagt. De Oud-Testamentische helden waren niet sentimenteel!
Wat mijn klein-aziatische voorvaderen aangaat, moet mij van het hart dat zij mij helemaal niet bevallen. Zij zijn twistziek en trouweloos, voeren, zonder ophouden, frische, fröhliche en agressieve oorlogen, verdrijven andere volken uit hun land, en verslaan, 'met de scherpte des zwaards', ontwapende overwonnelingen. Mijn afkeer bereikt zijn toppunt bij het relaas der uitmoording van ik weet niet meer welke familie, toen de pas tot het Ware Geloof bekeerde, kersvers besneden mannen en jongelingen, met zóveel graden koorts, gevolg van de ongewone, pijnlijke operatie, weerloos te-bed lagen. Dat was een verdomd gemene streek! vond ik.
Zó, of zo ongevéér, reageer ik, tien of elf jaar oud, op het onderricht in de bijbelse Geschiedenis.

Bibliografische referenties

Alexander Cohen, In opstand. Amsterdam, 1960 (2e dr. ), p. 14-16.

Heeft betrekking op:

Genesis 4:1-16, Genesis 21:14-15, Genesis 27:18-29, Genesis 34:25-26, Numeri 20:12, Deuteronomium 34:4