Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Ambrosius Zeebout – Tvoyage van Mher Joos van Ghistele

Joos van Ghistele (1446-1516), zoon van de groot-baljuw van Gent, gaat op 15 november 1481 in gezelschap van zijn vrienden op pelgrimstocht naar het Heilige Land. Hij blijft drie jaar lang weg, en houdt nauwkeurig zijn reisroute bij. Hij tekent de namen van plaatsen, bergen, rivieren en kastelen op en vermeldt wat hij onderweg van gidsen te horen krijgt. Na thuiskomst gaat hij met Ambrosius Zeebout de overeenkomst aan dat deze zijn aantekeningen tot een reisverslag zal bewerken.

Zeebout gaat aan de slag met de aantekeningen en een dikke stapel boeken ernaast, waaronder het Oude en het Nieuwe Testament, de Deuterocanonieken en teksten van kerkvaders als Augustinus en Eusebius. Ook slaat hij regelmatig verzamelingen van heiligenlevens op, put uit reisverslagen van onder anderen Marco Polo en Jan van Mandeville, en nog veel meer. Hij heeft zeker zeventig boeken binnen handbereik. Zeebout gebruikt de aantekeningen van Van Ghistele als kapstok om er zo veel mogelijk wetenswaardigheden uit deze bronnen aan op te hangen. Hij citeert zijn bronnen niet, maar zet ze om in zijn eigen woorden. Daarna past hij zijn parafrasen op een natuurlijke manier in het reisverslag in - het betere knip en plakwerk dus. Tvoyage is zo een lusttuin geworden voor de lezer die in de bijbel en de weidse literatuur daaromheen geïnteresseerd is. Het is in 1557 uitgegeven.

Zeebout gaat in het omvangrijke verslag slechts éénmaal in op een gebeurtenis uit 1 Makkabeeën (hoofdstuk 2). Uit het tweede boek van het reisverslag, in hoofdstuk 14 waar Van Ghistele op weg is van Jaffa naar Jeruzalem:

Noch altoes voort rijdende, zo sietmen in een ghebeerchtkin, zuut zuutoost van Cariatiarim, eene plecke daer als noch een doorpkin staet up tghebeerchte, ter welker plecken ooc eene stede plach te stane, ghenaemt Modin, bij welker plecken zijn drie oft vier alte goede water putten, daer de lieden van dien lande dicwilt commen met houderen van vellen om water, met dadt daer vele betere es dan tanderen plaetsen. Men toocht daer al te vele ouder graven ende sepultueren, diemen daer naemt Sepulcrij Macabiorum. Woonde oec ter voornoemder plecken Matatias ende zijne kinderen, te wetene Judas, Simeon, Johannes ende Eleasaer, de welke verlosten tvolc van Israel uuten handen vanden heydenen coninghen, als Antiocus, Gorgias ende Nicanor, zomen dat al claerder bevint inden bijbel ten boucke der Macabeen. Ter voorseyder plecke zo ghebuerdet oec dat Matatias eenen jode doot stac, die bijden bevele vanden coninc Antiocus wilde gaen anbeden den afgod, jeghens der jootscher wet, die de voorseyde coninc bevolen hadde an te biddene den volcke van Israel, daer uute dat groote oorloghen spruutten, dwelke men al int langhe breeder vindt ten voornoemden boucke.

Voor de pelgrims is het wel een beetje jammer dat zij zich nergens op deze route van hun zonden kunnen ontdoen:

Ghij zult ooc weten dat tusschen Jaffa ende Jherusalem gheene plaetsen staen daer eeneghe misterie ghebuert es, daer en es te halene aflaet van zeven jaren pardoens ende zeven carrijnen.

Maar dat komt in Jeruzalem wel goed, mits de pelgrim voor die tijd niet bezwijkt.

Als het gaat over de tempelberg herinnert Zeebout onder andere aan 2 Makkabeeën 3, het verhaal van de rijkskanselier en belastinginner Heliodorus. Heliodorus gaat in opdracht van koning Seleukus van Asia naar Jeruzalem om daar persoonlijk de schatkist van de tempel te plunderen. Eenmaal in de tempel wordt Heliodorus bedreigd door een hemels paard en geslagen door een paar schitterend geklede jongemannen. Hij valt onmachtig neer (p. 145):

Item ooc zo heeft men altoos bevonden dat alle de ghone die onweerdichede den tempel boden oft daden, dat zij alle gheplaecht worden, ghelijcmen daer af leest ten tweesten boucke vanden Macabeen int derde capittele van Eliodorus die inden tempel doorsleghen ende duer gheeselt wart vanden inghel Gods, ende int zelve bouc inde ve vie ende ixe capittelen zo leest men vanden coninc Antiochus, die den tempel gherooft hadde ende doen onteeren, dat hij zo glieplaecht wart, dat den stanc van zijnen lichame niement verdraghen en conste. Ooc van gheliken zo leestmen van Pompeyus, de welke altoos een victorieus prince ghezijn hadde, maer naer dat hij den tempel onteert hadde en wan noynt strijt, ende int hende wart zelve in Egipten versleghen.

Over de stad Antiochië, het huidige Antakya in Turkije, schrijft Zeebout (p. 310):

[O]mme te scrivene de gheleghenthede van Anthiocen zo salmen weten, dat zoe bicans rontomme bevanghen staet in groote zware ghebeerchten, hoe wel nochtans datter vele redelicke vruchtbareghe valleyen omtrent ligghen, de welke duer raeyt zijn met vele beecxkins ende loopende waterkins. Daer bij leyt eene maniere van eenen lacke ende sompelinghe van watere daer vele goeder visschen in zijn, ende tusschen der stede ende den beerghe es ghenouch ghelijcke landauwe alst es omtrent Jherusalem, maer en es zo vruchtbaer niet als omtrent Jherusalem; ooc zijn de beerghen vele meerder ende zwaerder dan omtrent Jherusalem, streckende inde lijngde wel veertich milen verre, ende inde breedde wel zes milen. ... Item naermaels zo heeft de zelve stede ghenaemt gheweest Anthiocen, ende dat naer zommeghe Griecsche coninghen die ghenaemt waren Anthiocus, de welcke hueren coninclicken stoel daer meest hilden, zo men dat wel bevindt ten tweesten boucke vanden Machabeen ten vijfsten capitele.

Zeebout verwijst hier naar 2 Makkabeeën 5:21, waarin Antiochus IV Epifanes naar Antiochië reist nadat hij Jeruzalem veroverd heeft en de tempel ontheiligd.

Bibliografische referenties

Ambrosius Zeebout, Tvoyage van Mher Joos van Ghistele. Uitgegeven met inleiding, aantekeningen en een ondserzoek naar de bronnen door R.J.G.A.A. Gaspar. Hilversum, uitgeverij Verloren, 1998. [Deze uitgave is ook te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

1 Makkabeeën 2:24, 2 Makkabeeën 3:26