Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Anne de Vries - Reis door de nacht

Over de Tweede Wereldoorlog in al zijn facetten zijn boekenkasten volgeschreven. Ook de opstelling van christenen in de oorlog komt daarin regelmatig aan de orde. Zo kunnen we lezen over de morele vragen en dilemma's waarover gelovigen zich toen het hoofd braken: moeten wij de bezetter als overheid eren (Rom. 13)? mogen/moeten wij deelnemen aan het verzet en illegale acties? is een 'noodleugen' te rijmen met het gebod 'Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste' (Ex. 20:16)? is het gruwelijke lot van de Joden op een of andere manier een vervulling van Matt. 27:25?
Geeft de bijbel wel duidelijke goed/fout-antwoorden op dit soort lastige vragen?

Van 1951 tot 1958 verscheen van Anne de Vries de vierdelige jeugdroman Reis door de nacht. De Vries was in protestantse gezinnen bepaald geen onbekende: zijn kinderbijbel (Kleutervertelboek voor de bijbelse geschiedenis), de boekjes over Jaap en Gerdientje en de Drentse streekromans over Bartje en later over Hilde waren mateloos populair.
In Reis door de nacht beschrijft De Vries de lotgevallen van de familie De Boer. Aan het begin van het eerste deel, 'De duisternis in', breekt de oorlog uit. De schrijver biedt zijn lezers een positief-christelijk perspectief op het leven en de gebeurtenissen in de oorlog. Een karakteristiek voorbeeld uit het tweede deel, 'De storm steekt op' (p. 148-153).

Op een mooie dag wordt er bij de familie De Boer aangebeld: een zekere Max Overbeek uit Amsterdam smeekt om hulp.

En daar kwam het verhaal. Hij was het eerste jaar van de oorlog gewoon doorgegaan met zijn studie, maar tijdens de Februari-staking van het vorig jaar, toen honderden Joden in Amsterdam als vee bijeengedreven en weggevoerd werden, was hij de Duitsers gaan haten en daarna had hij zich met een paar vrienden gegeven aan allerlei klein verzetswerk: blaadjes verspreiden en fotootjes van de koningin en de prinses, en berichten doorgeven, die naar Engeland geseind zouden worden. Nu hadden ze een paar maanden lang twee Engelse piloten verborgen, die in de nacht bij Diemen met hun vliegtuig waren neergeschoten, maar zich met hun parachute hadden gered. Die moesten terug naar Engeland en zelf wilde hij ook mee, hij wilde vechten met de Engelsen en de Amerikanen om zijn ouders te bevrijden. Drie vrienden wist hij over te halen om mee te gaan.

Door verraad is dat helemaal mislukt. Max wordt door de Duitsers gezocht en vlucht naar Drenthe. Op zijn vraag of hij misschien bij dit gezin kan onderduiken, volgt slaapkameroverleg tussen vader, moeder en oudste zoon Jan. Vader vraagt:

‘Nou, wat dunkt jullie? Wat moeten we met dat jongmens?’
‘Vraag je dat nog?’ zei moeder. ‘Die arme jongen, die moet hier blijven natuurlijk! Je zou hem toch niet weg willen sturen, die stakker?’
Vader lachte.
‘Die vrouwen, die vrouwen,’ zei hij. ‘Wat heb je nog gisteren tegen mij gezegd? Hou er mee op, zei je, met die verboden lectuur en met de hele rommel. Hou er helemaal mee op, ik kan er soms niet van slapen.... En nu wil je iemand in huis nemen, die zwaar door de Duitsers gezocht wordt! Dat is veel gevaarlijker!’
‘O, maar dit is heel wat anders,’ beweerde moeder. ‘Wat heb je een paar dagen geleden uit de Bijbel gelezen, hoe staat het ook weer in Jesaja zestien? Verbergt de verdrevenen en meldt de omzwervende niet. Dat lijkt wel regelrecht hierop van toepassing. En ik heb nog nergens gelezen, dat je met die gevaarlijke krantjes lopen moet.’
‘Neen, maar er staat wel, dat je de leugen moet bestrijden!’
‘Dit is heel wat anders,’ hield moeder vol. ‘Hier gaat het om een mens, die in nood is. Die arme jongen; zijn vader en moeder zijn er niet; nu moeten wij voor hem zorgen - hij is gewoon op onze weg gestuurd. Wat zouden ze met hem doen, als ze hem te pakken kregen?’
‘Ze zouden hem doodschieten,’ zei vader.
‘Nou, kijk es an!’ schrok moeder. ‘En dat zo'n aardige jongen, die nog maar nauwelijks volwassen is! Die beulen, die moordenaars, ze moeten het eens wagen om hem hier aan te raken, dan krijgen ze het met mij aan de stok. Zolang ik er nog ben, krijgen ze hem niet in handen....’
Ze had de tranen in de ogen en was rood van verontwaardiging. Vader moest haar even in de armen nemen.
‘Je bent een prachtvrouw, met een echt warm moederhart,’ zei hij. ‘Ik denk er net zo over als jij, hoor: wij kunnen en wij mogen niet anders. En ik vertrouw die jongen wel, hij is volkomen eerlijk, maar hij heeft stomme dingen uitgehaald. Enfin, wij zullen nu moeten overleggen. Jan, waarschuw jij oom Gerrit eens even; die is nogal vindingrijk.’
In tegenwoordigheid van de oude tuinman, die met een paar woorden werd ingelicht, vertelde vader de jongeman, dat hij blijven kon en diens vreugde was zo ontroerend, dat hij oom Gerrits hart meteen gewonnen had. (...)

Bibliografische referenties

Anne de Vries, Reis door de nacht: De duisternis in, De storm steekt op, Ochtendgloren, De nieuwe dag (22e dr.), Nijkerk: Callenbach, [z.j.].

Heeft betrekking op:

Jesaja 16:3, Exodus 20:16, Deuteronomium 5:20, Matteüs 27:25, Romeinen 13:1