Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Annemiek Schrijver - Rachab

In den beginne was het woord, maar daar is nog weinig van over. Momenteel is er meer sprake van gegorgel, van een hijgje.

Bij de roman Rachab (2007), het debuut van tv-presentatrice Annemiek Schrijver, is het al vanaf de eerste zin duidelijk: de lezer moet wel de weg weten in de bijbel, en bij voorkeur ook in de berijmde psalmen en de reformatorische belijdenisgeschriften. Want in de hoofdpersoon, die nog alle dagen de vruchten van haar zwaar christelijke opvoeding plukt, vindt hij een gids die wat dat betreft haar mannetje staat. Alleen al in het eerste hoofdstuk, waarin zij op de intensive care is beland met een aantal gruwelijke steekwonden, presenteert zij ons, naast het genoemde citaat uit Joh. 1, de volgende zinnen, voorzien van persoonlijk commentaar:

Opent uwe mond, eist van mij vrijmoedig, psalm 81. Wat zit ze toch barstensvol nutteloze informatie. En dan ook nog van een inmiddels allang achterhaalde vertaling. En wat een ranzige teksten eigenlijk. [Psalm 81 vers 12 in de berijming van 1773]
Breek dan uit in gejubel, gij die geen weeën gekend hebt, zegt het woord Gods al zo treffend. Maar jubelen gaat niet meer. [Jesaja 54:1]
Ach Rachab, Rachab, waarom heb je mij weer verlaten? Ik was zo dicht bij je. [Vgl. Psalm 22:2; Matteüs 27:46]
Zet Heer een wacht voor haar lippen. Net als vroeger. [Psalm 141 vers 3 in de berijming van 1773]

Maar Manon van den Tempel was dan ook een ijverige leerling geweest op de School met den Bijbel:

Boven aan de cijferlijst prijkte altijd de Tien. Alweer een tien voor Psalmopzeggen. En daar ging het om. Manon was een fijn kind van God. Ze liet Hem nooit in de steek door met een negen of een acht aan te komen zetten.
Nee, iedere psalm, hoe ouderwets en onbegrijpelijk berijmd ook, leerde ze uit haar hoofd. Zo was de tale Kanaäns haar bijna eigener geworden dan het Nederlands.
Begrippen als genade, gerechtigheid, boete en schuld kwamen haar zo vertrouwd en veilig voor, dat ze het gevoel had er bijna in te kunnen wonen. (p. 11)

We volgen Manon in deze roman langs een paar lijnen: hoe ze zich ontwikkelt van voorbeeldig schoolmeisje tot volwassen vrouw, die werkt als logopediste, maar daarnaast ook vrijwilligerswerk doet in de seksuele dienstverlening aan gehandicapten én zich in een darkroom aanbiedt aan elke man die haar maar hebben wil. We staan in het heden naast haar ziekenhuisbed, terwijl de dader van de ‘rituele slachting’ nog vrij rondloopt. En we horen de stem van Rachab die van tijd tot tijd ‘profetisch’ tot Manon spreekt:

Hoor, Manon, hoor!...
Dit zijn de geheime woorden van Rachab.
Waarom riep je mij? Dacht je weer dat ik je verlaten had? Dat kan toch niet? Ik ben altijd bij je geweest, ook al wist je dat niet. Ik hoor bij jou... (p. 10)

Rachab is voor het eerst concreet in haar leven verschenen, toen Manon door de meester op school als illustratie bij zijn bijbelvertelling naar voren werd geschoven (p. 36-39):

Plotseling priemde de Meester weer met zijn vinger naar Manon: ‘Jullie vragen je natuurlijk af wat een hoer is. Zo eentje als deze hier! Kijk maar eens goed naar dit meisje met haar rode haar en haar vochtige ogen en die kwikjes en strikjes... Zo zie je maar hoe jong dat er al in zit. Die erfzonde, die ons van Eva’s wege is gebracht. Jij dochter van Eva! Een slet ben jij! (...)
Het was Eva die in het paradijs door haar wellust bezweek voor de verleiding van de slang. En zij verleidde op haar beurt Adam, haar man. Zo zijn vrouwen! Laat dat de belangrijkste les van vandaag zijn.
Meisjes, hebben jullie dat begrepen? Buig jullie hoofd in deemoed en besef jullie dubbelgrote zonde.
En jij, Manon van den Tempel, jij bent de getekende onder de vrouwen. Jij bent als de hoer Rachab zelve!’

Tussen Manon en Rachab groeit een bijzondere relatie, anders dan de Meester had bedoeld. In Manons zoektocht naar zichzelf en naar de ware bestemming van haar leven, blijkt Rachab een cruciale rol te spelen. Als een moderne tempelpriesteres probeert Manon in de geest van Rachab een antwoord te geven op de eenzaamheid van haarzelf en van de mensen rondom haar. Door zich over te geven verwezenlijkt ze zichzelf meer en meer.
Vaag? Ach, zelfs haar beste vrienden kunnen haar maar moeilijk volgen:

‘Ze zei tegen me dat ze zowel de hoer als de heilige moest spelen. In die dubbelrol voelde ze zich veilig, dat maakte haar heel. Begrijp je dat?’ (...)
‘Begrijp ik dat? Ja. Dit wel. Maar verder... (...) Manon is naast al haar stoere hoerigheid inderdaad zo bovenmenselijk weekhartig. Een heilige.’ (...)
‘Jezus is mens geworden. Nu wij nog, zei ze donderdag.’ (p. 181-182)

Tegen het einde van de verhaal komt Rachab daadwerkelijk de rol van Manon overnemen. Maar wie is die Rachab dan toch, vraagt ook Manon zich af.

‘Wie ben ik toch? Ik ben degene die zich ontfermd heeft over het kind in jou, toen je dat hebt verraden. Namens het kind heb ik al die tijd geprobeerd tot je te spreken. (...) Ik ben gewoon die ik ben. (...) Jij kon mij niet goed horen, omdat ook jouw oren verstopt waren met je eigen kleine egootje, je was verdoofd door je idee van afgescheidenheid. Door je veroordelende geestje.
Maar juist jij Manon, jij had als kleintje al wel in de gaten dat er iets als een wereldziel moest zijn. Dat onze ware natuur groter moest zijn dan ons benepen en smartelijke zelfbeeld.
Natuurlijk kon jij ook niet veel anders dan dat onbewust aanvoelen, want anders was je onder je machteloze mensbeeld bezweken...’
Het duizelde Manon ineens... ‘Wie zegt dit? En wie ben ik dan?’
‘Ach, jij bent slechts mij in een andere gedaante. (...)’ (p. 246-249)

Zo kan in Rachab de ware Manon opstaan, ook wanneer ‘de oude mens’ uiteindelijk in het ziekenhuisbed bezwijkt.

Bibliografische referenties

Annemiek Schrijver, Rachab. Amsterdam: Prometheus, 2007.

Rond dit boek is inmiddels een complete website gebouwd: Rachab.nl.

Heeft betrekking op:

Jozua 2:1