Overzicht bijbelboeken

Over > Interpretatie

Apostelconcilie

Het gedeelte over het apostelconcilie vinden we precies halverwege het boek Handelingen. Het verwijst de hoofdrolspelers van de eerste helft (Petrus en de andere apostelen) naar de achtergrond, en plaatst Paulus en zijn zendingsactiviteiten op de voorgrond.

Het concilie neemt een beslissing over een kwestie die in Handelingen telkens opnieuw speelde: in hoeverre zijn de wet van Mozes en de reinheidsvoorschriften ook van toepassing op de niet-Joodse gelovigen? Het is logisch dat deze vraag bij de snelle verbreiding van het nieuwe geloof in steeds wijdere kring in allerlei toonaarden wordt gesteld. Onzekerheid over de juiste koers – zijn we wel op de goede weg? gaat het niet te snel allemaal? welke aanpassing mogen of moeten we van bekeerlingen vragen? –, gevoegd bij de spanningen die er toch al waren in de gemeente, had geleid tot grote meningsverschillen en heftige discussies. (Het is niet zo vreemd dat verschillende brieven in het NT vergelijkbare kwesties en conflicten behandelen.)

De voormannen van het eerste uur wisten ook niet meteen wat ze met bekeerde heidenen aan moesten. Petrus moest in het geval van de Romeinse officier Cornelius (hoofdstuk 10) de dilemma’s eerst zelf aan den lijve ervaren, voordat hij zijn nieuwe inzichten (10:34-43) kon overbrengen aan de gelovigen in Jeruzalem (11:1-18).

Op het apostelconcilie in Jeruzalem weet Petrus de verhitte gemoederen te bedaren (15:7-11). Na het getuigenis van Paulus en Barnabas (15:12) formuleert Jakobus een praktische richtlijn in de beladen principiële discussie (15:19-20; vgl. 15:28-29): de bekeerlingen moeten zich houden aan de basisregels die God zelf in zijn verbond met Noach heeft gegeven (zie Genesis 9:3-6).

Mede dankzij het gezag van deze leiders wordt het conflict overwonnen en kan de zending onder de heidenen worden voortgezet.

Heeft betrekking op:

Handelingen 15:1-35