Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Arthur van Schendel - De grauwe vogels

Zoals Job de dag van zijn geboorte vervloekte ('Laat de dag dat ik geboren ben vergaan, / en ook de nacht die zei: "Een jongen is verwekt."' - Job 3), zo rustte er werkelijk een vloek op de geboortedag van Kasper Valk, de hoofdpersoon in de roman De grauwe vogels (1937) van Arthur van Schendel. Tijdens een zwarte nacht met zwaar onweer en blikseminslagen kwam hij ter wereld; zijn moeder stierf in het kraambed. 'Een nederige vrouw was zij geweest, een braaf mens de korte tijd dat zij hier woonde en als de hemel ook haar, zo jong nog, met onheil had getroffen, was het niet om schuld geweest.' Over Kaspers vader lazen we op dezelfde bladzij (315):

Hij was een oude man geweest, niet dom, maar zo hard als steen, een goddeloze, een zelfzuchtig man die aan niets dacht dan aan zijn planten en geen mens aankeek. Zo als men deed, zo kreeg men het thuis bezorgd en voor elk kwaad lag de straf gereed.

Al op de eerste bladzij wordt zo de toon gezet en het thema onontkoombaar aangegeven. Van Schendel laat ons - schrijft Jan Greshoff in een recensie -

de redeloosheid van het leven gevoelen en hoe altijd de wetten van een zedeleer te niet gedaan worden door de natuur, die goed noch kwaad erkent. Men tracht ons wijs te maken, dat op iedere misdaad straf volgt, terwijl de deugd belooning vindt. Hier wordt de deugd gestraft met rampen zonder tal. Kasper Valk is een arbeidzame, eerlijke, zuivere man, een van de weinigen die onontvankelijk zijn voor achterdocht en afgunst. Hij verricht met vreugde zijn dagtaak en gunt een ieder het zijne. Hij praat niet veel, maar zijn gedachten zijn oprecht en zijn ziel is zonder schaduwen. Deze Valk is een man die, wanneer rechtvaardigheid dit bestaan beheerschte, het hoogste geluk dat voor den mensch is weggelegd, deelachtig zou moeten worden. In stede daarvan wordt hij door ramp op ramp geteisterd.

Het levensverhaal van Kasper Valk is inderdaad een trieste aaneenschakeling van tegenslagen; werkelijk niets blijft hem bespaard. Wie hem lief zijn, moet hij verliezen; wat hij met liefde en toewijding heeft opgebouwd, stort ineen. Per ongeluk veroorzaakt hij de blindheid van zijn stiefbroer Thomas. Hij biedt deze gestoorde geest onderdak, maar haalt daarmee de personificatie van het noodlot in huis. Als tuinder moet hij ondanks al zijn kunde en inzet slag op slag incasseren. Een zoontje verdrinkt (bij dit ongeluk speelt Thomas een dubieuze rol), een dochtertje sterft jong aan een slepende ziekte; een tweede zoon raakt bij een militaire oefening gewond en pleegt daarna zelfmoord. Kaspers vrouw Heiltje wordt uiteindelijk door zijn blinde broer doodgeslagen. Ten slotte blijft hij eenzaam achter, met een ziekelijke dochter, de enige uit zijn gezin die nog overgebleven is.

Zijn leven lang worstelt Kasper met de waarom-vragen. Net als zijn vader gelooft hij niet in God, maar terwijl zijn vader bij tegenslag de vuisten balde tegen God, wil Kasper de verantwoordelijkheid voor zijn daden zelf dragen en die niet afwentelen op de voorzienigheid.

Hij begreep niets van een voorzienigheid en dat de mensen zulke dingen zeiden kwam omdat zij toch niet wisten waarom de ongelukken gebeurden. Men zeide dan dat het God was die het zo beschikte omdat men niet bekennen wilde dat men geen andere reden wist. Wat gaf het de dominee [die hem had uitgenodigd voor een goed gesprek, en hem had geadviseerd te bidden en vast te vertrouwen op de voorzienigheid] op te zoeken? Hij kon hem toch niet zeggen dat hij het niets dan toeval vond dat de een door tegenspoed wordt getroffen, zonder de minste schuld, en dat God immers veel te heilig was om hem de schuld te geven? (p. 331-332)

De ongelovige Kasper, die in wezen een vroom en zuiver mens is, heeft een gelovige vrouw naast zich. Terwijl hij in alle tegenspoed kalm en positief blijft, wordt zij vaak beheerst door angst en onrust. Het geplaagde echtpaar krijgt gevraagd en ongevraagd adviezen van drie vrome vrienden. Vooral Kasper moet vaak horen dat hij niet goed bezig is; een van de vrienden houdt hem voor

dat het beter was voor zijn heil te werken dan voor het brood alleen. Als de nood komt, zeide hij, als je oud bent of neer moet liggen, waar zal je dan hulp verwachten als je God niet hebt gediend? Naar zijn hulp zal je uitzien, maar je ogen zullen bezwijken. (...) Je hebt een rare gedachte van God, zeide Kasper, te denken dat hij prijzen uitdeelt voor goed gedrag. (p. 364)

Naarmate het verhaal vordert en de rampspoed toeneemt, begint Heiltjes vertrouwen op God meer en meer te wankelen. Ze zit veel met de bijbel op schoot, maar staart dan ook vaak voor zich uit. Op de troostwoorden van haar vrienden antwoordt zij:

Alles wat tot vertroosting gezegd kan worden heb ik al vernomen en toch blijft er nog een raadsel. Wij worden uitgekleed, wij komen in de kou te staan, en alles zal wel zijn reden hebben. Maar soms denk ik dat het een kinderachtig gezegde is, dat na de regen de zonneschijn komt. En ik vraag mij af hoe lang de mens beproefd moet worden eer hij de kroon des levens ontvangt. En hoeveel een christen lijden moet. Is daar geen maat voor? Ik ben bereid tot alles wat God mij zendt, ik zal niet vragen waarom er gekastijd wordt. Maar ik ben zwak, ik ben bang dat er een tijd komt dat mijn ziel de genade niet meer achten kan. Zondig ik en ga ik verloren, valt dan alle schuld op mij? Ja, hoor ik een stem zeggen, ja, omdat je niet genoeg gelooft aan je verlosser. Ik wil het wel, maar ik ben zo bang dat het te veel wordt. (p. 399)

Niet veel later zegt Heiltje tegen haar man dat de God van vertroosting haar verlaten heeft. Tegen het eind van het verhaal klinkt haar klacht:

Ik zie op het leven terug en moed om verder te zien heb ik niet, ik ben uitgeput. 't Is nu aan jou om mij te steunen. Hoe licht is het voor ons begonnen met de kinderen die God ons gaf, hoe zwart heeft hij het voor ons gemaakt. Wat voor kwaad wij gedaan hebben, zelfs dat mogen wij niet weten. Wat voor kwaad hebben de kinderen gedaan? Het leven was nog maar spel voor ze toen het lijden begon. En wij? Gewerkt hebben wij van de morgen tot de avond, eerlijk, zonder van anderen te nemen, de handen hebben wij zuiver gehouden. Wij hebben onze plichten gedaan, zonder zelfzuchtigheid. De armen hebben wij geholpen, aan de ongelukkige hebben wij onze rust geofferd. Alle beproevingen hebben wij gedragen, wij die als leem waren in zijn hand. Langzaam heeft hij ons gemarteld, de behoeder zonder genade, heel het leven door, en wij hebben niet gemord, tot mijn sterkte vergaan was. Hard en wreed is hij voor ons geweest, gul met bitterheid. Hij heeft ons nooit gespaard en wij hebben gezegd: uw wil geschiede. Erger dan hij ons in dit leven heeft gedaan kan het hierna niet worden. Voor wreed spel heeft hij ons geschapen en ik heb op hem vertrouwd. Op hem moet ik toch vertrouwen dat hij niet eeuwig verstoten zal en bidden moet ik toch. (p. 432)

Bij Kasper zien we eerder een tegengestelde ontwikkeling. Hij begint zijn kalme zelfvertrouwen te verliezen. 'Als hij aan de leiding van een God had kunnen geloven zou hij op een of andere dag niet tevergeefs de hand naar een steun hebben uitgestrekt.' Als hij ten slotte op de puinhopen van zijn leven neerzit, maakt hij tegenover zijn drie vrienden de balans op. Zij zeggen tegen hem:

Wij zullen niet veel spreken over je droevig lot. Alleen de vraag of het geen tijd is je tot God te keren.
Kasper Valk richtte zich op en keek hen om beurten aan.
Daar heb ik in deze dagen over gedacht, antwoordde hij. Hoeveel jaren kennen jullie mij, hoeveel fouten hebben jullie mij gewezen? Ongeduldig ben ik in mijn tijd geweest, opstandig als jongen, eigenzinnig en stijfhoofdig in de jaren van mijn werk, hovaardig op mijn kracht. Ja, dat vooral kon mij verweten worden, het vertrouwen op mijzelf. En goddeloos moesten jullie mij altijd noemen daarin dat ik geen wijze hand erkende. Toch zit ik niet vol van niets dan fouten en als het straf moest betekenen wat mij overkwam, loon voor andere dingen, voor eerlijkheid en onbaatzuchtigheid, heb ik niet gehad. Maar denk niet dat ik geen macht heb gezien, die niet redeloos kan zijn, want er is orde, blind ook niet, want er is een doel. Met mij is het gevolg geweest mij zo klein en hulpeloos te maken als op de dag toen ik geboren werd, mij te leren niet op mijzelf te vertrouwen. Waarop moet ik dan wel vertrouwen? Hetzij lot, hetzij bestuur, het ligt eender verborgen voor mijn kennis. Als het God is, ik heb hem niet gekend, dat is waar, ik heb niet geweten wie hij is en van zijn recht of van zijn onrecht kan ik niet spreken, want ik ben klein in mijn onwetendheid. Groot is hij, wie hij ook zijn mag, ja groot. Geen mens die voor die grootheid niet buigen moet. Als het God is, hij heeft een macht die de mensen en de wormen maakt, die ze vertrapt of verheft en dan weer nieuwe maakt, die de goddeloze slaat en vernedert of hem geluk en rijkdom geeft, al naar het hem invalt. Als het God is, hij laat de een met rust door het hele leven, hij vervolgt de ander met slag op slag, gebrek bij het begin, gebrek bij het eind. Waarom? dat zal niemand zeggen, jullie zomin als ik. Mag het verstand ons verlicht worden, daar willen wij op hopen. Maar ik denk dat het om niet zal zijn en dat nooit een mens zal begrijpen waarom in de wereld de dingen lopen zoals ze doen. Waarom voor de een het leven een lachspel is, voor de ander een tranenspel, waarom de een alle dagen zit waar gelachen, de ander waar gehuild wordt. Mogen jullie het weten, mij blijft het verborgen waarom bij mij in huis altijd de slagen vielen. Daar zal ik ook niet naar vragen, het is toch niets dan tasten langs wanden zonder deur of venster. (p. 438-439)

Greshoff trekt in zijn beoordeling van het verhaal en van dit slot een verrassende conclusie:

Zij die De grauwe vogels een somber boek noemen hebben slechts schijnbaar gelijk. Ik ontdekte in het voorbeeld van Kasper Valk, dezen Job aan de Vecht, op wiens schouders alle ellenden gestapeld worden, een duidelijke troost. Hij draagt deze overmaat van leed, hij ondergaat angst en vernedering, zonder dat hij, de ongeloovige, in zijn diepste vertrouwen geschokt wordt. Hij beseft, eerst onwetend, langzamerhand steeds bewuster, dat alle rampen, hoe verschrikkelijk ze zijn mogen, dienstig zijn om hem nader te brengen tot zijn waren staat, voor te bereiden op de eenzaamheid waar hij uit voortkwam en waartoe hij terugkeert. En als Kasper Valk op het einde alles verloren heeft, is de cirkel gesloten. Hij eindigt gelijk hij begon: alléén. (…) Kasper Valk wordt wel degelijk beloond. Hem werd alles ontnomen om hem één heerlijkheid terug te kunnen geven: de eenzaamheid van zijn prille jaren.

Bibliografische referenties

Arthur van Schendel, De grauwe vogels (in: Verzameld werk 5), Amsterdam: Meulenhoff, 1977, p. 313-440.

Jan Greshoff, 'Arthur van Schendel, De Grauwe Vogels' in: Nieuwe Rotterdamsche Courant, 10 december 1937.

Heeft betrekking op:

Job 2:10, Job 3:1, Jakobus 1:12