Overzicht bijbelboeken

Letteren > Drama

B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis – Antigonus, de Makkabeër

In 1830 verscheen het treurspel Antigonus, de Makkabeër of De Togt naar den Tempel van de hand van Bartholomeüs W. A. E. baron Sloet tot Oldhuis. De schrijver van het stuk was een jonge rechtenstudent, die een jaar later samen met zijn oudere broer – de schrijver L. A. J. W. baron Sloet van de Beele – zou deelnemen aan de Tiendaagse veldtocht.

De held van deze tragedie is Antigonus, een dappere krijger. Alle vrouwen zijn verliefd op hem, dus ook koningin Salome, de vrouw van zijn broer Aristobulus; deze slappe koning is de anti-held van het stuk. Antigonus zelf houdt maar van één vrouw, en dat is Zunida; Salome is jaloers op haar.

Antigonus trekt onder gejuich Jeruzalem binnen na zijn overwinning op de heidense Syriërs. Zijn broer, koning Aristobulus, is werkloos thuisgebleven en ziet in ieder familielid een bedreiging voor zijn koningschap. Aristobulus heeft tijdens Antigonus' afwezigheid zelfs hun beider moeder de dood in gejaagd, en ook hun drie broers in de kerkers van het paleis geworpen. Hij meent dat ze tegen hem samenspannen om de macht in handen te krijgen.
Koningin Salome licht Antigonus in en roept hem op tot broedermoord:

Uw moeder is niet meer, - haar schim roept luid om wraak!
Men zwijgt, en beeft, en ducht, - op u kleeft deze taak!

Salome hoopt Antigonus zover te krijgen dat hij Aristobulus doodt. Dan zou ze in één keer van Aristobulus af zijn en bevrijd van een liefdeloos huwelijk; misschien zou ze zelfs iets met Antigonus kunnen beginnen. Maar Antigonus doorziet het eigenbelang van Salome. Hij wijst haar plan én haar liefde af. Dan slaat haar liefde om in haat:

Leer, Prins! leer, hoe een vrouw, tot felle wraak gesard,
Uw roem, - uw moed, - uw zwaard, - ja! duizend mannen tart!

Zo wordt Salome een gewillige prooi in de handen van Joab, vertrouweling van de koning. Elke tragedie kent een valse intrigant; hier is dat dus Joab. Deze Joab is erop uit de eredienst van Jupiter in de tempel van Jeruzalem terug te brengen en de Makkabeeërs van de troon te stoten. Hij stamt uit een geslacht dat de Griekse goden vereerde en de Grieken als beschavers zag. Zijn voorouders zijn door de eerste Makkabeeërs vermoord, en dat zit hem dwars:

Nog drukt op mij de wraak van mijn doorlucht geslacht,
Door d’eersten Makkabeeuw, Matthias, omgebracht.
Ja! ’k zal in stroomen bloeds dit trotsche huis verdelgen,
En de afgrond, dien ik graaf, mag heel dit volk verzwelgen!

Joab maakt Salome wijs dat Zunida en Antigonus azen op de troon van Aristobulus en van haarzelf. Dat is een schrikbeeld voor Salome: 'Zunida Koningin! – o! vreesselijk ontwaken!'

Ondertussen brengt Antigonus in de tempel van Jahweh een dankoffer voor de overwinning op de Syriërs. Hij doet dat in volle krijgsrusting, zoals hij eerder had gezworen.
Aristobulus wantrouwt Antigonus: zou zijn krijgszuchtige broer, geliefd bij het volk, niet tegen hem samenspannen? Uit wraak om zijn moeder, en uit liefde voor zijn broers? Aristobulus besluit zijn broer te testen: hij zal hem bij zich roepen en kritisch naar zijn kleding kijken. Als Antigonus in wapenrusting komt, is het mis; maar als hij gewoon in burgerkledij komt, is het in orde. Aristobulus laat Antigonus zelfs waarschuwen niet in krijgsgewaad te komen. Hij stuurt Joab als zijn bode, maar natuurlijk maakt deze hier misbruik van. Joab verdraait Aristobulus' waarschuwing, met goedvinden van Salome:

Welaan! ik maak hem diets: “’t Is Konings welbehagen,
“Nog eenmaal u, o Prins! de wapens te zien dragen,
“Waarmee ge in ’t avonduur Jehova ’t offer bragt;
“Blink dus voor ’s Konings oog met de eigen oorlogspracht!”

Het vervolg laat zich raden. Wanneer Antigonus in wapenrusting voor Aristobulus verschijnt reageert de koning ontsteld:

Gij hebt mijn vriendschap, - mijn bevel, - mijn magt versmaad,
En voor uw broeders smeekt ge en wijst op ’t krijgsgewaad,
Op helm, en lans en zwaard; te smeeken wordt hier dreigen,
Dat ik naar uwe beê gewillig ’t oor moet neigen.

Op een wenk van Joab grijpen de wachters Antigonus beet. In het volgende gevecht steekt Joab Antigonus neer. Met een dolk, in de rug. Inmiddels heeft Salome spijt gekregen van haar samenwerking met Joab. Zij gaat, nog onkundig van de moord, samen met Zunida op zoek naar Antigonus om hem te waarschuwen. Nietsvermoedend stappen de vrouwen het paleis binnen. Dan ziet Zunida het lijk van Antigonus: 'o Onbesefbre ramp!' Zunida neemt Antigonus' zwaard en doorsteekt Joab, die reutelend neervalt. Salome smeekt Zunida ook haar neer te steken en te verlossen van een leven dat alleen nog maar een last kan zijn. Maar Zunida weigert:

Neen, nimmer zal uw bloed van dit zijn lemmer leken!
In ’t hart draagt gij de straf voor ’t roekeloos bestaan,
Maar neem, neem tot uw troost mijn medelijden aan!

Salome vat de moraal van het verhaal, door haarzelf belichaamd, samen:

Te dwaze sterveling, door schijngenot betooverd,
Die ’t kiemend kwaad niet stikt, eer ’t heel uw hart verovert,
En eer ’t u voortsleept naar een nacht van euveldaad;
Dan komt - o zie dit lijk! - de redding ligt te laat!

Bibliografische referenties

B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis, Antigonus, de Makkabeër of De Togt naar den Tempel. Zwolle: Tjeenk Willink, 1865 (2e druk).

Heeft betrekking op:

1 Makkabeeën 2:24