Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Bertus Aafjes - Arenlezer achter de maaiers

In het vroege voorjaar van 1947 vertrok ik met een Nederlands Lunapark naar Egypte, meer als zwaan-kleef-aan dan als perschef.
Bij aankomst in de haven van Alexandrië reeds werd ik getroffen door de bijbelse sfeer van het Nabije Oosten. De vrouwen, gehuld in zwarte doeken, de mannen gekleed in kleurige, lange gewaden en met de hoofddoek gewonden rond het hoofd, riepen als vanzelf herinneringen wakker aan de bijbelse prentjes uit mijn jeugd.

Zo zet dichter/reisjournalist Bertus Aafjes direct in het voorwoord van Arenlezer achter de maaiers (1950) de toon. In deze 'kronieken over vergeten bijbelse bijzonderheden' wil hij de wetenswaardigheden die hij bij talloze 'schriftgeleerden' - 'de maaiers' uit de boektitel - heeft gevonden, verbinden met wat hij zelf heeft gezien en ervaren. Bovendien wil hij zijn dichterlijk talent gebruiken om 'de Oosterse sfeer, atmosfeer en psyche', die er in die geleerde werken meestal bekaaid afkomen, goed weer te geven. Wat volgt zijn meer dan 60 schetsen van aspecten van de bijbelse wereld, allemaal voorzien van een passende bijbeltekst als motto. De hele bundel draagt een motto ontleend aan Wijsheid van Jezus Sirach 33:

Al ben ik als laatste gekomen,
Als een arenlezer achter de maaiers
Toch snelde ook ik onder Gods zegen toe,
En heb als een oogster mijn wijnkuip gevuld.

De eerste schets heet 'Avond aan de Nijl'. Aafjes beschrijft, wandelend langs en zittend aan de oever van de Nijl, een onvergetelijk natuurgebeuren: de zonsondergang, die hier iedere avond weer anders is.

Maar dan wordt onze aandacht getrokken door iets merkwaardigs. Er groeit geen enkele rietpluim langs de oevers van de Nijl. Eens was dat toch anders. In de tijd van de pharao's waren de oevers van deze stroom dicht begroeid met papyrusriet. Ieder van ons weet van welk een onschatbare waarde dit papyrusriet was. De oude Egyptenaren maakten er papier van en ons woord papier komt dan ook van de naam van dat riet. Maar niet alleen werd er van dit papyrusriet papier gemaakt, men vervaardigde er ook touw van, matten, kleren, zeilen, ja men bouwde er zelfs schepen van. De profeet Isaias (Jesaja) wist dat. Hij spreekt van 'boten van biezen op de Nijl' [vgl. Jes. 18:2]. Onder de biezen verstaat hij papyrusriet. Tegenwoordig vindt men nergens in Egypte langs de Nijl meer papyrusriet. Het is volkomen uitgestorven. Slechts een zeldzame keer ontmoet men dit prachtige riet nog wel eens in een botanische tuin. Langs de Nijl groeit het eerst weer in de Soedan. Bij dezelfde profeet Isaias, die ons over schepen van papyrusriet sprak, vinden wij een vervloeking van Egypte in de vorm van een voorspelling, die zeer bewaarheid is als men de tegenwoordige rietloze oevers van de Nijl beschouwt. De profeet zegt namelijk letterlijk [Jes. 19:6-7]: 'Het riet en de bies zullen verwelken. Het papyrusgewas aan de Nijl, aan de oever van de Nijl en alle zaaivelden aan de Nijl zullen verdorren, verstuiven en verdwijnen.' Hoe letterlijk dit ook, wat het papyrusriet betreft, in vervulling gegaan is, toch moet men dit weer niet als een direct gevolg van Isaias' profetie zien. Immers nog in het begin van onze jaartelling omzoomde dit riet de boorden van de Nijl. Isaias kleedde al zijn profetieën in een dichterlijke taal, hij sprak in zijn beeldspraak. Het ging om de kern van de voorspelling. Evenmin als men de stenen moet gaan natellen als een historicus ons vertelt dat er geen steen op de andere bleef staan, evenmin moet men bij een voorspelling het dichterlijke beeld, waarin het gebeuren gehuld wordt, tot in ieder onderdeel in vervulling willen zien gaan. (p. 12-13)

Vanzelfsprekend herinnert Aafjes ons, voor de zon achter de bergen verdwenen is, nog aan de geschiedenis van Mozes in 'het biezen kistje' (Ex. 2).
Ook een andere schets (p. 151-153) heeft een tekst uit Jesaja als motto: 'Als een zwaluw, als een kraanvogel klaag ik' (Jes. 38:14). Het is een schets over klaagvrouwen.

Wie eenmaal in een van de bochtige straten van Caïro een wagen met klaagvrouwen voorbij zag gaan, zal dit zijn leven lang niet meer vergeten. Een tiental vrouwen of meer is op het dek van de kar gezeten en strekt de armen handenwringend ten hemel. Zij zijn geheel in het zwart gekleed, het gezicht is nauwelijks zichtbaar door de zwarte hoofddoek. Sommige hebben een tandeloze mond, haar hoofd is vel over schedelbeen. Zij gelijken sprekend op de Dood zoals deze, gehuld in een zwarte mantel, wordt afgebeeld op middeleeuwse houtsneden. Op zulk een kar ziet men de Dood niet eens, maar een dozijn keer in levenden lijve. Langzaam rijdt de wagen voort, getrokken door de ezel, hortend en stotend door de nauwe straten onder de vooruitspringende harembalkons door. De mensen langs de weg, in hun lange kleed en met de tulband om het hoofd, kijken een ogenblik op, lopen dan door. De vrouwen op de kar gillen als bezetenen. Het zijn de klaagvrouwen. In een der Oosterse huizen is een kind gestorven, en alle vrouwen uit de buurt hebben zich verenigd om een klaagzang te zingen. Of het zijn vrouwen, die gehuurd zijn om te klagen en die het vak van klaagvrouw uitoefenen.

Dan stelt Aafjes de - Westerse - vraag of het misbaar van die professionele klagers niet onwaarachtig is. Hij herinnert ons aan het verhaal over het dochtertje van Jaïrus, waarin Jezus tegen de klaagvrouwen zegt (Marc. 5; Luc. 8):

'Waarom maakt ge zo'n misbaar en weent ge? Het kind is niet dood. Het slaapt.' Daarop ontstaat een algemeen gelach. 'En zij lachten hem uit.' Ten slotte waren het gehuurde klaagvrouwen en het dode kind was niet het hare. Merkwaardig is, dat de klaagvrouwen, om haar ijver te tonen, in het oude Palestina de maat van haar tranen opnamen. Ze droegen voor dat doel kleine kruikjes van leem bij zich, met een tuit eraan. Zoals men ze heden ten dage nog overal ziet in het Oosten, maar meestal groter. Door die tuit nu plengden zij haar tranen, welke zij op deze wijze in het kruikje verzamelden ten bewijze van haar ijver. Vandaar nog altijd ons tranen met tuiten huilen. De psalmist zegt in een der psalmen tot God: 'Verzamel mijn tranen in uw kruik.' (...) Het Oude Testament is vol van geweeklaag. Als een zwaluw, als een kraanvogel klaag ik, zegt Isaias. En de Prediker zegt: 'Er is een tijd van klagen en er is een tijd van dansen.'

Een ander voorbeeld van Jesaja live in het 20e-eeuwse Egypte vinden we in de schets over de pottenbakker. Aafjes haalt hier Jesaja 29 en 30 aan. Natuurlijk komt dan ook Jeremia 18 ter sprake.

Bibliografische referenties

Bertus Aafjes, Arenlezer achter de maaiers, Amsterdam: Meulenhoff, 1966 (8e dr.).

Heeft betrekking op:

Jesaja 18:2, Jesaja 19:6-7, Jesaja 29:15-16, Jesaja 30:14, Jesaja 38:14, Jeremia 18:1-6, Ruth 2:3, Marcus 5:38-40, Lucas 8:52-53, Psalm 56:9, Prediker 3:4, Wijsheid van Jezus Sirach 33:16-17