Overzicht bijbelboeken

Over > Bijbelse wereld

Besnijdenis

Oude Testament

Onbekend
Besnijdenisinstrumenten en speldenkussen met 'mazal tov'

Besnijdenis, het verwijderen of insnijden van de voorhuid van de penis, is een oeroud ritueel. Er zijn afbeeldingen bekend uit circa 3000 v. Chr. van Syrische strijders die besneden zijn. Ook in Egypte gebeurde het: een reliëf uit circa 2300 v. Chr. laat een groep van 120 mannen zien die besneden worden. De besnijdenis was voor de Israëlieten een teken en voorwaarde van hun verbond met God. Later ging de besnijdenis ook hun religieuze en nationale identiteit bepalen: Joden waren besneden, heidenen onbesneden.

We lezen in de bijbel voor het eerst over besnijdenis in het boek Genesis, op het moment dat God zijn verbond met de aartsvader Abraham en zijn nakomelingen sluit (Gen. 17:1-27). God belooft dat Abraham veel nakomelingen zal krijgen en dat die zullen gaan wonen in het land Kanaän (17:7-8). Als teken en voorwaarde van dat verbond, moet iedereen die van het mannelijk geslacht is, besneden worden – kleine baby’s zodra ze acht dagen oud zijn (17:10-14).

In de bijbel wordt het woord ‘besneden’ niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk opgevat. Dan betekent ‘besneden zijn’ bijvoorbeeld ‘heilig zijn’ of ‘Gods geboden onderhouden’. In Deuteronomium 10:16 staat bijvoorbeeld: ‘Besnijd daarom uw hart en wees niet langer halsstarrig.’ Jeremia schrijft regelmatig over besnijdenis op dezelfde manier. Volgens de profeet kan het zijn dat iemand 'naar de letter' besneden is, maar tegelijkertijd onbesneden omdat hij ongehoorzaam is aan God (Jer. 9:25; 4:4). Jeremia zegt ook dat mensen die niet willen luisteren naar de woorden van de HEER ‘onbesneden oren’ hebben (Jer. 6:10; in de NBV: ‘hun oren zitten dicht’).

In de tijd van de Makkabeeën was de besnijdenis zo verweven geraakt met de Joodse religieuze en nationale identiteit dat ‘besneden/onbesneden’ en ‘Jood/heiden’ eigenlijk hetzelfde betekenden. Een mooi voorbeeld daarvan staat in 1 Makkabeeën 1:11-15. De Joden die zich niets meer aantrokken van God en braken met Gods verbond, die kortom gingen leven als heidenen, lieten zich ook met cosmetische chirurgie een nieuwe voorhuid maken (1 Makk. 1:15).

Nieuwe Testament

In de tijd van het Nieuwe Testament was de besnijdenis hét kenmerk van het Joodse volk. Het ‘besneden zijn’ onderscheidde hen van de rest van de wereld. En omgekeerd zag ook de heidense Grieks-Romeinse wereld besnijdenis als een bij uitstek Joods gebruik. Het is dus niet verwonderlijk dat besnijdenis in de vroeg-christelijke gemeenschap een belangrijk onderwerp was. Er werd hevig over gediscussieerd en zelfs ruzie over gemaakt. De vraag die de gemoederen zo bezighield: ‘Moeten de christenen met een niet-Joodse achtergrond ook besneden worden?’

Volgens sommige Joodse christenen hoorden heidense christenen die zich na hun bekering niet lieten besnijden niet bij Gods verbond. Zij konden dus ook niet ‘worden gered’. Deze stelling werd fel bestreden door de apostelen Paulus en Barnabas (Hand. 15:1-2; Gal. 2:1-10). De nieuwtestamentische brieven geven een goede indruk van Paulus’ mening over dit onderwerp. Niet de besnijdenis, zegt de apostel, maar het geloof in Christus zorgt ervoor dat iemand wordt gered en bij het verbond van God hoort (Rom. 3:21-5:5; 1 Kor. 7:18-19; Kol. 2:11); de besnijdenis ‘betekent niets’ omdat het een symbool is, geen garantie voor Gods redding (Gal. 6:15-16). In de lijn van Jeremia gebruikt Paulus de besnijdenis soms ook in de figuurlijke betekenis: de echte besnijdenis is spiritueel, de besnijdenis van het hart (Rom. 2:25-27; Fil. 3:2-4; Kol. 3:11).

Uiteindelijk werd tijdens het apostelconcilieApostelconcilie besloten dat christenen met een heidense achtergrond zich niet hoefden laten besnijden, maar Joodse christenen wel (Hand. 25:19-29).

Vandaag de dag

Tegenwoordig wordt besnijdenis nog steeds uitgevoerd door gelovige Joden en door moslims. Ook binnen het christendom bestaat het gebruik nog. In Afrika is besnijdenis gebruikelijk, maar niet verplicht, in bijvoorbeeld de Koptisch-orthodoxe kerk. In het westerse christendom is besnijdenis al vroeg afgeschaft. De katholieke kerk veroordeelde het zelfs als een doodzonde in 1442.

Anno 2007 bevelen twee gezondheidsorganisaties van de Verenigde Naties besnijdenis aan als een effectief middel in de strijd tegen aids. Door besnijdenis zou de kans op besmetting met het aidsvirus met 60 procent afnemen.
Op dit moment is naar schatting 30 procent van alle mannen ter wereld besneden.

Heeft betrekking op:

Genesis 17:10-14, Ezechiël 44:7, 1 Kronieken 10:4, Deuteronomium 10:16, Jozua 5:2, Jeremia 4:4, Jeremia 9:25, Judit 14:10, 1 Makkabeeën 1:11-15, Handelingen 15:1-2, Romeinen 4:10-12, Galaten 6:15-16, Filippenzen 3:3