Overzicht bijbelboeken

Over > Interpretatie

Bijbelse kosmologie

De schrijvers van de bijbel interesseerden zich nauwelijks voor kosmologie (de leer van de opbouw van het heelal). Het enige dat we hebben is de informatie die in het scheppingsverhaal besloten ligt en een aantal verzen in poëtische bijbelboeken – geen nauwkeurige wetenschappelijke verhandelingen dus. Daarom is er moeilijk een vinger achter te krijgen hoe de bijbelschrijvers zich nu precies de aarde, de hemel en de sterren – en hun onderlinge verhouding – voorstelden. Hieronder proberen wij toch een beeld te geven van de bijbelse voorstelling van het heelal.

De schepping
In Genesis 1 wordt de schepping van de wereld beschreven. De geordende wereld komt te voorschijn komt vanuit de ‘oervloed’, het water dat de aarde bedekte voordat God aan zijn scheppingswerk begint. Op de tweede dag maakt God een scheiding tussen de watermassa’s door het hemelgewelf te scheppen (Gen. 1:6). Daarna laat God het water van de aarde wegstromen, waardoor het droge land ontstaat (Gen. 1:9).

Het hemelgewelf
Het hemelgewelf zorgt ervoor dat het water van de oervloed boven de aarde (Psalm 148:4) in bedwang wordt gehouden en niet terug op de aarde kan stromen. Dat kan omdat dit gewelf van een vaste substantie is gemaakt. Dit wordt poëtisch verwoord in het bijbelboek Job: ‘Kun jij dan als [God] de hemelkoepel uithameren, die zo hard is als een gegoten spiegel?’ (Job 37:18). Regen valt door gaten in het hemelgewelf (Psalm 78:23-24). Het idee van een ‘hard’, soms metalen, hemelgewelf vinden we bij bijna alle beschavingen van de oudheid, van het oude Mesopotamië tot de Kelten van Europa.

Het verhaal van de zondvloed in Genesis maakt duidelijk wat er gebeurt als het hemelgewelf er niet zou zijn: doordat de ‘sluizen van de hemel’ zich openen, stort de oervloed op de aarde neer. Net als ‘in het begin’ is alles opnieuw bedekt met water (Gen. 7:11).

Het hemelgewelf blijft op zijn plaats omdat het gefundeerd is op zuilen (Job 26:11; 2 Sam. 22:8). Zon, maan en sterren bewegen zich volgens het scheppingsverhaal langs het hemelgewelf (Gen. 1:14-16). God heeft zijn troon in de hemel, die gesitueerd is boven de aarde en het hemelgewelf (Jesaja 40:22-26).

De aarde
De oude Israëlieten stelden zich de aarde voor als een platte schijf, net als vele andere antieke culturen. Deze schijf was omgeven door water: het water boven het hemelgewelf, het water in de zeeën rondom het droge land, en het ‘water onder de aarde’ (zie hieronder). Net als het hemelgewelf is ook de aarde gefundeerd (Spreuken 8:27-29). Dit blijkt bijvoorbeeld uit Gods beroemde vraag aan Job: ‘Waar was jij toen ik de aarde grondvestte?… Wie strekte het meetlint over haar uit? Waar zijn haar sokkels verankerd, wie heeft haar hoeksteen gelegd…?’ (Job 38:4-6). Omdat God de aarde stevig heeft gegrondvest, zal zij niet ‘wankelen’. Hoezeer de wateren van de oerzee ook ‘in opstand’ komen mogen, zij zullen de aarde niet meer bedekken (Psalm 104:5-9).

Het water onder de aarde
Er is niet alleen water boven de aarde, maar ook eronder: de HEER heeft de aarde ‘op de zeeën gegrondvest, op de stromen heeft hij haar verankerd’ (Psalm 24:2; vergelijk 36:6). Deze wateren zijn tijdens de schepping van de aarde weggevloeid en vormen nu de oceanen en het ‘water onder de aarde’. Tijdens de zondvloed gaan niet alleen de sluizen van het hemelgewelf open. Ook de aarde barst open, waardoor de ‘bronnen van de machtige oervloed’ de aarde overstromen (Gen. 7:11). Het dodenrijkOnderwereld bevindt zich ook onder de aarde.

In het tweede gebod (Ex. 20:4) wordt de Israëlieten voorgehouden dat ze van niets in het hele universum afbeeldingen mogen maken om die te vereren. Uit dit gebod blijkt heel mooi de voorstelling van dat universum: boven de hemel, beneden de aarde en daaronder de wateren onder de aarde.

Heeft betrekking op:

Genesis 1:1, Ezechiël 31:4, 1 Kronieken 16:30, Exodus 20:4, Job 38:4-6, Psalm 104:1, Jeremia 10:12, Wijsheid van Jezus Sirach 1:3, Wijsheid van Jezus Sirach 16:18-19, Wijsheid van Jezus Sirach 43:23