Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Bloemlezing Exodus

C. Buddingh' - Biezen mandje

 
er komt een klein biezen mandje aandrijven:
wedden dat u denkt dat er een zuigeling in ligt,
een kindje met een rood pruimemondje
en een blauwplastic rammelaar?
 
wedden dat u denkt - maar er ligt geen zuigeling in,
en ook geen boek met oude of nieuwe
openbaringen, zelfs geen handje hooi,
al dan niet in de vorm van een ster
 
het is gewoon een oud biezen mandje,
dat stinkt naar petroleum en dode vis
 
Uit: Gedichten 1938-1970, Amsterdam: Bezige Bij, 1979, 3e dr., p. 146.

Simon Knepper - Wat me nu is overkomen

 
Wat me nu is overkomen!
Loop ik langs een rijtje bomen,
Vliegt er aan mijn linkerkant
Plots een braamstruik in de brand.
 
Echter zie! het veldgewas
Viel niet uit elkaar in as,
Maar het blad bleef ongeschonden
Of geen vuur en vlam bestonden.
 
Je begrijpt, ik stond versteld!
Toch de brandweer maar gebeld.
 
Uit: Drs. P (red.), Plezierdichters en hun vak. Gesprekken en gedichten. Bulkboek 13 (1986) 163, p. 20

Huub Oosterhuis - Mozes

 
Kermen, slaande zwepen, stilte,
vloeken hoorde ik, weer kermen.
Toen een stem, mij roepend: 'Mozes.'
Niemand zag ik, heupen niet, geen
ogen, mond, niets, geen gestalte.
Enkel stem. Weer roepend: 'Mozes.'
En ik stotterde: 'Hier ben ik.'
En de stem zei: 'Ik-met-jou.'
 
Zoon van niemand was ik, vondeling,
ternauwernood geredde.
Van het braambosvuur, de vuurstem,
werd ik zoon en blinde ziener.
Horend woorden onbestaanbaar.
Gaande wegen die niet zijn.
 
Uit: Nacht en dag. Stichting Leerhuis en Liturgie, 1988.

Ida Gerhardt - Uittocht

 
Toen Pharao het volk verbood te gaan,
deelde een staf de wateren, en de stroom
hield in. Droogsvoets bereikten zij de zoom,
het oeverriet der Schelfzee. - Zó ving aan
de uittocht.
                 Telken nanacht in de droom
zie ik de wateren omgebogen staan.
Wij wandelen verwonderd, hand in hand.
En hoog boven de strook waarlangs wij gaan,
hoog boven waterwand en waterwand
een strook van ruisen en een reppend slaan
van vogelwieken. Trekvogels, hun baan
recht boven ons, naar het beloofde land.
 
Uit: Ida Gerhardt, Verzameld werk, p. 278.

Habakuk II de Balker - Elegie van de varkens

 
Er is zoiets droefs in de wijze ogen van varkens
dat zij wel profeten lijken voor de slachttijd.
(Ik heb het niet erg op profeten en jij? Nee
meer houd ik van het klimop dat omhoog klimt)
Hun slagtand uitgerukt als zij op de lopende band
het moederlijf uittrekken, exodus uit heet Egypte,
de rode zee door van hun verlossing, stro tegemoet
en de messenrijke afgodsbeelden van de mens.
Soms staat er éen, een oude beer onder de oude
boom van de kennis, oud uitstervend appelras,
doodstil en kijkt naar de wind op de horizon,
door inzicht blinder dan van nature bijna.
 
Bijna zie je, in de bruidsachtige herfstsluiers
in de lispelende wind, in de kruidigheid, de gedachte-
wolk op zijn topzware kop: Gestreept rende ik, ever
eenmaal, en wat ben ik nu! O jammer van de getemde
varkens, zij zijn de dichters onder de dieren,
melankoliek en van weinig nut totdat aan de muur
afgebrand, hun speklaag openklapt als een elegie.
 
Uit: C. Buddingh' en Eddy van Vliet (samenstelling), Poëzie is een daad van bevestiging. Noord- en Zuidnederlandse poëzie van 1945 tot heden. Amsterdam/Brussel: Elsevier, 1978.

Jan Arends - Niet

 
Niet
uit je neus peuteren.
 
Praten
met twee woorden.
 
Niet
doodslaan.
 
Geen
winden laten.
 
Niet
het brood nemen
waar het ligt.
 
Bidden
voor het eten.
 
En vooral
geen winden laten.
 
Goed zijn.
 
Dat is
de bijbel.
 
Dat is
cultuur.
 
Uit: Jan Arends, Verzameld werk, Amsterdam: Bezige Bij, 1975, p. 415.

Heeft betrekking op:

Exodus 2:1-10, Exodus 3:1-10, Exodus 14:15-15:31