Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Bloemlezing Genesis-verhalen 2

Hieronder volgt, met kort commentaar, een aantal gedichten die geïnspireerd zijn op het boek Genesis.

Jan Eijkelboom - Die eenvuldighe sempelheit

Hoe oppervlakkig was de wereld
die ochtend op het Hollands Diep,
oever en water wederkerig:
geen god die hier een scheiding schiep,
geen vogel zelfs die nog wat riep
en ook het schip liet zich dicteren.

Misschien stroomde het gladde water
onder de nevel en de kiel.
Geen peil dat er op te trekken viel,
al liep de motor zeer gestadig.
De toverburcht van Shell Chemie
bewees toch dat wij voeren, later.

Geen zucht, geen zin het zeil te hijsen.
De dreun van Volvo Penta hielp
ons roerloos en op koers te blijven.
Een meeuw verschuifelde maar hield
ons van zijn boei wel voor gezien.
Japans begon de zon te schijnen.

'k Ben in mijzelf gerust sindsdien.

Kort commentaar: Een mystiek, bijna Boeddhistisch gedicht. De serene rust is nog van voor Genesis, voordat aarde en water van elkaar gescheiden werden. Een belangrijk motief in Genesis is dat er voortdurend scheiding optreedt, wat uiteindelijk steeds verder afvoert van de oorspronkelijke eenheid. In dit gedicht wordt even de illusie ervaren van het ene, onverdeelde ... En dat op een boottocht over het Hollands Diep.

Naar aanleiding van Genesis 1:6-7.

 

Rutger Kopland - High Noon

Nog eenmaal door de hof
van Eden gewandeld. Alsof
de zon zo laaiend scheen
zo diep in de schaduw onder
de kastanjes dat licht
en donker waren uiteen
gesneden in lichter dan
de dag en donkerder
dan de nacht.

Je kon wel zien dat het zo
niet langer ging.

Kort commentaar: Een intense, 'volmaakte' ervaring, beschreven in termen van de 'hof van Eden', met daarbij de gedachte dat in onze wereld geen plaats lijkt voor het volmaakte.

Naar aanleiding van Genesis 2.

 

Kees Stip - God

Zijn paradijs ging al meteen verloren.
Het mooiste schepsel dat hij had bedacht
had appeletend zijn gebod veracht,
en wat daaruit in zonde werd geboren

en dus per definitie van tevoren
verdoemd was had hij niettemin getracht
te redden door zijn zoon zo lang verwacht
de handen en de voeten te doorboren.

Staphorst en Rome staarden woest en leeg
een hemel aan waar hellevuur in brandde.
Hij bette zich het voorhoofd met de handen,
en toen hij voelde dat hij horens kreeg
toen sprongen hem de ogen uit de kassen.
Zijn uitverkoren volk liet hij vergassen.

Kort commentaar: Een bijzonder cynische kijk op God en zijn schepping. De doorgaans milde ironie van deze schrijver van talloze limericks heeft hier plaatsgemaakt voor bittere ernst. Van meet af aan gaat alles mis; zelfs het offer van Gods Zoon om te redden wat er te redden valt, is tevergeefs. De verscheurdheid in de vanaf dat moment christelijke kerk kent geen verschil tussen God en duivel. Hier dus niet de vraag: 'Is er een God na Auschwitz?' Nee, God is de duivel, goed en kwaad zijn dezelfde.

Naar aanleiding van Genesis 3 en de evangeliën.

 


Daar gaan ze dan! Daar gaan ze dan!
De leeuwe-vrouw, de leeuwe-man,
te zamen in de ark.
Twee schapen en twee kangaroes
en ook een poes. En nog een poes,
twee hertjes uit het park,
het stroomt van alle kanten.
Ziedaar de olifanten.

Twee beertjes en twee bevertjes,
twee kleine rode kevertjes,
twee paardjes en twee koetjes,
twee wespen en twee wezeltjes,
twee aapjes en twee ezeltjes
met pasgewassen voetjes,
en veertien duizendpoten
zijn bezig om te loten.

Eén kaasmijt is er maar helaas.
Zijn vrouw bleef achter in de kaas,
ze kon er niet van scheiden.
Maar Noach zegt: In dat geval,
breng haar maar mee met kaas en al!
Daar komen met z'n beiden
de luipaard, met veel herrie,
en naast hem de luimerrie.

Daar is de vos, met juffrouw vos
en nu vooruit, de kabels los!
O nee, eerst nog de spinnen!
Daar komt de sprinkhaan, en ernaast
de sprinkhen met een reuzehaast.
Ze huppelen naar binnen.
En kijk, het ene tijgertje
speelt met het and're krijgertje.

Ziezo, doe nou de deur maar dicht,
zo roepen, met een zuur gezicht,
de wandelende takken.
Maar als de ark een eindje vaart,
dan zegt het grote witte paard:
O hemeltje! De slakken!
Kijk, ginder, in de verte!
Terug! roepen de herten.

Het duurt nog ruim een uur of vier,
dan zijn de slakken eindlijk hier.
Hoera, hoera, jubelt de mol.
De ark gaat weg! De ark is vol!
en al de visjes in de zee
zwemmen nog kilometers mee.

Kort commentaar: De ark volgens Annie M. G. Schmidt is niet een vaartuig waarop de schuldelozen van onze zondige planeet de dans van de ondergang mogen ontspringen. De zonde bestaat hier niet, laat staan de zondvloed. De ark is een boot voor een schoolreisje, aan het begin van zijn reis door visjes vrolijk uitgeleide gedaan.

Naar aanleiding van Genesis 7:2-3.

 

C. O. Jellema - Ararat

Lente bot uit en de woorden vermenigvuldigen zich.
hele gedichten van woorden komen ter wereld,
bevolken de witte plekken van de ziel
en richten zich in voor een verblijf van jaren.

Maar het vuur diep in de aarde van het hart
en de lichtjaren tussen de zielestelsels -
de taal kan geen adem halen
in zoveel hitte, bij zoveel kou.

De taal is bedoeld voor de oppervlakte,
de woorden krioelen op mijn huid,
ze verlaten de loopplank van mijn lippen,
ze komen de ark van mijn mondholte uit,
de naam van mijn tong is Noach.
Hij zegt: o mijn schepselen, dieren en mensen,
werkwoorden, voorzetsels, namen,
weest vruchtbaar!

Kort commentaar: Het water is gezakt, de ark is gestrand. Het leven begint opnieuw. "De lente bot uit" en de woorden van de dichter, al die tijd in de aarde en onder de huid verborgen, zoeken zich in een explosie van creativiteit een weg naar buiten.

Naar aanleiding van Genesis 8:4.

 

Hendrik Marsman - Toren van Babel

Ik zat op school en kreeg weer te horen
dat de Toren van Babel
als een ton
in duigen had moeten vallen,
omdat de menselijke ziel
van de ene hoogmoed in de andere viel
'en hoogmoed komt vóór den val' -;
zij had haar grenzen niet willen bewaren,
zij had het niet kunnen verkroppen
dat de toppen des hemels onbereikbaar waren,
zij had Gods scheppingsraacht willen evenaren
en wat niet al!
en ik weet nog hoe ik
met een woedenden kop achter mijn hand zat te brommen:
'ja, huichelaar, dié kerels kon het niets verdommen
om na hun dood in den hemel te kommen;
zij wilden nü die befaamde muziek der sferen reeds horen,
daarom trachtten zij dat gat in den hemel te boren;
zij wilden de banen der meteoren
en het blauwe stromen van het uitspansel horen,
daarom waagden zij hun ziel;
onvermoeid richtten
zij hun gespannen gezichten
op de tinnen der ruimte
en zij richtten een sterrewacht
op, die van de toppen van dag en nacht
den hemel verkende en die de spil
wilde zijn van een herboren heelal.
van af de kantelen der ruimte
zagen zij nieuwe sterrenbeelden
den weg naar het zenith beklimmen,
nieuwe continenten tegen den horizon
van een nieuw getal.

dit, het begin te zijn van het heelal,
een karavaan in een onbetreden woestijn,
dit was de zin van het eminente Gespuis
op den Toren van Babylon;
alleen van dit Golgotha, deze Hoofdschedelplaats zonder Kruis
waaien de vanen van een nieuwe zon.'

Kort commentaar: Hoe vaak heeft een scholier het verhaal al niet gehoord, over de hoogmoed van de menselijke ziel die haar eigen grenzen te buiten wilde gaan en een toren bouwen die tot in de hemel reikte? En altijd weer was daar de moraal van de hoogmoed die voor den val komt en dat God deze hoogmoed wel móest afstraffen.
De jongen weet zijn ergernis en woede hierover nauwelijks te verbergen. In het 'eminente Gespuis' van de Babylonische torenbouwers herkent hij zijn eigen afkeer van een afhankelijkheid van God; hij wijst de God af die niet toestaat dat mensen hem gelijk willen worden.

Naar aanleiding van Genesis 11:1-9.

 

Guillaume van der Graft - De vrouw van Lot

O zondares, o zoutpilaar.
Ik voel uw lot reeds in de nieren
Wij zijn versteende figuren
tegen een lucht van oud gevaar.

Wij zijn gevlucht uit Sodom, waar
het inschroeit van bijtende zuren,
maar onderweg kristalliseren
wij tot een glinsterend gebaar.

De zee, dat eerste element,
is ingedampt en drooggevallen
tot onze dorstige gestalte,
die omziet naar het wereldeind.

Kort commentaar: Genesis verbonden met de apocalyps. Vereenzelviging met de vrouw van Lot die omkeek en letterlijk en figuurlijk versteende. De (zondige) mens die hunkert naar het einde ter tijden wanneer de zee er niet meer zal zijn.

Naar aanleiding van Genesis 11:1-9 en Openbaring 21:1.

 

Anna Enquist - De man Jacob

Met wie had hij gevochten toen hij in die zandige
boksring kreunend ontwaakte? Veel kwam er niet
uit: zwartblauw, stamelde hij, vlijmend, tijdloos-

geen zinnig woord. Daarna moest hij lopen; mank
en zuchtend leek hij het land te meten, verdeelde
het en markeerde met stenen: Bethel, Pniël, hij

fluisterde de namen. Toen zijn tijd tot het uiterste
gerekt was, bleekblauw, begroef men hem waar
hij thuishoorde. Ver weg van zijn liefste vrouw.

Vier levens had hij gehad, zeiden ze, al wat
hij wenste had hij verkregen, met list, kracht en
twist. Toch stierf hij: een verliezer, verlanger.

Kort commentaar: Dit gedicht beschrijft Jakob als tragische figuur. Als hij sterft heeft hij alles wat hij wenste gekregen. Maar hoe? Door kracht. Door bedrog. Vooral toch door dit laatste. Hij wordt begraven ver van zijn liefste vrouw, Rachel. Ondanks zijn rijkdom bleef hij een verliezer, een verlanger. Een verlanger naar wat? Naar liefde? Naar begrip? Naar betekenis?

Naar aanleiding van Genesis 12:8, 32:30, 35:18, 49 en 50.

 

Gerrit Achterberg - Over de Jabbok

toen ik het einde had bereikt
van mijn verdorvenheden,
stond God op uit het slijk,
en weende;
en ik stond naast hem, ziende neder
op een verloren eeuwigheid.

En Hij zei: je had geen gelijk;
maar dat is nu voorbij, van heden
tot aan die andere eeuwigheid,
is maar een schrede.

Kort commentaar: In het bijbelverhaal over de worsteling van Jakob met God bij de rivier de Jabbok, betekent de worsteling dat Jakob met zichzelf in het reine komt. Het tweevoudig bedrog zweert als een splinter in zijn ziel. De verzoening met zijn broer Esau, beschreven in het slot van hoofdstuk 33, kan pas plaatsvinden als Jakob zelf veranderd is.
In dit gedicht draait het vooral om het moment dat hij God en daarmee zichzelf ontmoet. God staat op uit het slijk (de doorwaadbare plaats van de Jabbok/de figuur van de riviergod) dat in verband wordt gebracht met zijn eigen onvolkomen leven. In zijn diepe ellende ontmoet hij God; eens temeer ziet hij het 'verloren paradijs' (een verloren eeuwigheid), tegelijk hoort hij dat het maar een stap is naar een 'nieuw paradijs' (de andere eeuwigheid), als hij zich met God, zichzelf en de ander (Esau) verzoent. In dit gedicht staat Jakob voor de zondige mens. Het onderliggende verhaal is sterk omgebogen. God vecht niet met hem, maar weent.
(Zie over dit gedicht ook het essayJaap GoedegebuureWie zichzelf overwint... van Jaap Goedgebuure.)

Naar aanleiding van Genesis 33:22-33.

 

S. Vestdijk - November

Voorlaatste maand, bijna de Benjamin,
En zoo veelvervig als een Jozefsrok, —
Ook Jozef moest de donk're groeve in,
Waar hem de ijverzucht der broeders trok, -

Gij hebt in u iets van een zondebok,
Maar ook iets van een heugelijk begin;
Gij zijt de wijn, de lust, de laatste slok, —
Neen, de voorlaatste: en dat is uw zin.

Al wat nog niet gestorven is mag leven
In deze rijke dubbelzinnigheid,
Die zich als luchtspieg'ling voor 't einde plaatst.

Geen aarzeling deed Abrams slachtmes beven,
Maar 't weten: al wie zich gelaten kwijt
Van 't voorlaatste bewaart zijn God voor 't laatst.

Naar aanleiding van Genesis 37:3-25 (en 22:10).

 

Kees Stip - Mijn koeien

Ik tracht de tijd in ruimte om te zetten.
Ruimte wordt daardoor omgezet in tijd.
Zeven hectaren ben ik er mee kwijt,
maar naast mij staat mijn winst van zeven vette
 
koeien van jaren, vrolijk en bevrijd
van doodgaan en van dergelijke wetten
die kindertjes het lachen al beletten
voordat ze goed en wel zijn uitgeschreid.
 
Alleen, mijn koeien, dat is nu het dwaze,
ze hebben geen hap gras meer om te grazen.
Het was hun prijs. Al kunnen ze niet dood,
ze krimpen weg. Je moet eens met een boot
een eindje op de tijdrivier gaan roeien.
Zeven hectaren liggen daar te loeien.

Naar aanleiding van Genesis 41:17-21.

Heeft betrekking op:

Genesis 1:7, Genesis 2:1, Genesis 3:1, Genesis 7:3, Genesis 8:4, Genesis 11:9, Genesis 32:30, Genesis 33:33, Genesis 37:25, Genesis 41:21