Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Bloemlezing poëzie

Huub Oosterhuis - Psalm 1
 
Goed is
dat je niet doet wat slecht is
niet achter oplichters aanloopt
niet met Ploert & Schender heult
niet je schouders ophaalt
'ploert en schender, ach
zo is de wereld'.
 
Goed is dat je goede woorden
overweegt en wil
'heb je naaste lief die is als jij
de vluchteling, de arme, doe hen recht' -
prent ze in het hart van je verstand
die woorden
zeg ze voor je uit,
gezegend ben je
 
een boom aan stromen levend water
vruchten zul je dragen
blad dat niet vergeelt,
het zal je goed gaan.
 
Oplichter,
ongezegend zal je zijn.
Een storm steekt op
je waait de leegte in.

 

En van dezelfde dichter: Psalm 16
 
Hoor je mij?
Voor mij geen ander dan jij.
Bij jou alleen ben ik veilig.
 
Godheid had mij in haar macht.
Offers eiste zij, bloed. Ik heb ze gebracht.
Haar grote namen waaiden voorbij,
de jouwe niet, die is hier, op mijn lippen.
Hoor je mij?
Voor mij geen ander dan jij.
Bij jou alleen ben ik veilig.
 
Enige die ik nog ken
alles ben je me, erfdeel en beker,
lieflijke oorden vielen mij toe.
Mijn hart klimt in mij
mijn geest wordt wijd:
jij verkoopt me niet, voor geen prijs,
voor geen ander.
 
Hoor je mij?
Voor mij geen ander dan jij.
Bij jou alleen ben ik veilig.
 
Uit: Huub Oosterhuis - 'Psalmen, vrij' in: Godweet komt het goed. Een keuze uit de liederen en gedichten. Amsterdam: Muntinga, 2005 (Rainbow pocket).


Hans Werkman - Psalm acht

Een schoolklas murmelt vrolijk door de straat,
badtassen op de rug, mijn raam beslaat
van al die zwembadpassen, al die adem.
Hoor, lieve God, ik hoor dat U bestaat.

Met slome ruggen komen ze weerom,
allemaal bloot geweest en moegezwommen,
meer zwijgend nu, zon op hun natte haren,
bijna goddelijk weer, en andersom.

Uit: Rudolf van de Perre (samenst.), Niet te stelpen licht. Nieuwe religieuze poëzie. Leuven: Davidsfonds, Clauwaert, 1996.

 

Coert Poort - Psalm 24
 
De aarde is des Heren!
wie zal haar betreden
wie zal gaan over de vlakten
zonder beangst te zijn
wie zal staan in het hart
van het oerwoud
zonder vrees
wie zal de steden doorlopen
zonder onrust
wie zal aan het venster zitten
zonder gekweld te zijn?
Hij heeft haar gebouwd aan de zee
en aan de rivieren heeft Hij
haar vastgemaakt
wij wonen op wankele plaatsen
onze huizen staan op de hoeken der wegen
zij staan in het weer als blindgeborenen,
wij denken aan morgen
wie zal de wegen beklimmen in de nacht
wie zal de deur vinden in het donker
wie zal rusten in vrede?
Opent uw handen en wacht, wacht geduldig
houdt uw lichaam gereed in de ramen
maakt uw huizen doorzichtig
Opent uw ogen en zie
de verwachting spant zich reeds als een boog
over de straat
Nu nadert langzaam uw Koning
Hij rijdt naar de kroon van Zijn namen.

 

J.B. Charles - Een kleine psalm
 
Hij alleen zou met een grote sigaar
in de mond op straat mogen lopen,
met de duimen in zijn vest,
want Hij is God.
Maar Hij doet het niet
want Hij is God.

 

 
Een nieuw lied voor de Heer die de vogeltjes schiep
en hun wijzen voor iedere dag,
die de treurwilg tot eindeloos treuren riep
en de vrouw tot haar eeuwige lach,
een nieuw lied voor de Heer die de goudvissen goud
en de roodborstjes rood heeft gemaakt,
die de golven der zee en de blaren van 't woud
met zijn vinger heeft aangeraakt,
die de kolibrie schiep en de adelaar schiep,
het viooltje en de orchidee,
die de schelpen en zwaardvissen liet in het diep
van dezelfde bedelvende zee,
die zijn adem laat gaan langs het slapende land
tot het wenend van weelde ontwaakt,
die de dauwdroppen droogt met zijn heilige hand
en de zon tot zijn heilgezant maakt;
een nieuw lied voor de Heer die het meer en de lucht
en de straten vol zonnelicht goot,
die de leeuwerik leidt tot zijn duizlende vlucht
en de vlinder tot vlinderdood.
Een nieuw lied voor de Heer die een durend nieuw lied
in de mond van mijn moedertjeMartinus Nijhoff - De moeder de vrouw lei,
die zijn licht in haar zuivere blik achterliet
en haar zei wat zij zeide tot mij,
die het water voor Händel zo ruisen deed
dat de Watermuziek in hem klonk,
die Homerus de nacht liet, opdat hij beleed
welke donkere schoonheid hij dronk,
die de leden der liefste verrukkelijk boog
tot de lijnen der maagdelijkheid,
die zijn hand langs haar lippen en schouders bewoog
tot zij zoet waren, durend bereid,
die haar haren zo zwart en haar borstjes zo zacht
heeft gemaakt en haar ogen zo blauw,
die de laatste saffier uit zijn huis heeft bedacht
voor de fonkelende staart van de pauw,
die de staart van de pauw op haar lachen ontvouwt
en hem sluit als zij schreit van geluk,
en dan worden haar tranen van zuiver goud
voor de Heer van het grote geluk.
Een nieuw lied voor de Heer die van ieder nieuw lied
het ontstaan en de maker is,
die het voorzingt in water en woud en in riet,
in de steeg en de vensternis.
Een nieuw lied voor de Heer, een nieuw lied voor de Heer
die accoorden en woorden ingeeft
aan de dichter, de vrouw en het kind, o, en meer
dan aan weerklank en stem in hen leeft.
En zijn naam zij gezegend, de eeuwigheid lang
zij gezegend de naam van de Heer,
van de opgang der zon tot haar ondergang
zij gezegend de naam van de Heer:
die de sneeuwvlokken zendt als de wolkige wol
en de rijm als verdwarrelde as -
als hij spreekt lopen alle de stuwmeren vol
en ál smelt wat bevroren was.
O gij wateren, looft, en gij landstreken, looft,
en gij vogeltjes, looft onze Heer,
en gij vuurtongen, looft, en gij dauwdroppen, looft,
alle boomtoppen, looft onze Heer.
Een nieuw lied voor de Heer met pauk en cimbaal
en bij citer en luit en schalmei:
een nieuw lied voor de Heer in uw mond, in uw taal,
want wie geeft u de liederen dan hij?

 

Ron Elshout - Psalm 151. Een antipsalm
 
Wie zouden zij de lof moeten zingen,
wier sap veranderde in zomerdroogte,
wier tong kleefde aan hun gehemelte,
die baden: laat ons leven naar uw
woord, laat de heidenen weten,
dat zij mensen zijn, dat wij
mensen zijn.
 
Wie bestonden in koude, vuur,
rook die op de verborgen
vleugels van de wind verwaaide, hun
asse verstrooid zal rijm, hun
gedachtenis is niet met hen vergaan,
maak hen levend naar het woord.
Rijm verstrooit zich als as.
 
Zij zijn afgesneden van voor ons oog,
maar onze ogen hebben het gezien:
het sperren hunner mond wijd open.
Houd hen levend met het woord.
 
Uit: Nieuwe Psalmen - Parmentier 6 (1995), nr. 4

Links

Philips van Marnix van Sint Aldegonde, Het boeck der psalmen Davids .

Jan Utenhove, 11. Ander psalmen

Heeft betrekking op:

Psalm 1:1, Psalm 8:3-6, Psalm 16:1, Psalm 24:1