Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Brieven van Vincent van Gogh

Den Bijbel goed en grondig en met liefde te kennen, zou dat toch niet eene zeer begeerlijke zaak zijn.-

Deze verzuchting slaakt Vincent van Gogh in de slotzin van het PS'je bij de brief die hij op vrijdag 7 september 1877 aan zijn jongere broer Theo schrijft. Wie zich met Van Goghs brieven bezighoudt, kan zich hierover alleen maar verbazen. Want van wat een enorme bijbelkennis geeft Vincent in die honderden brieven blijk! De moderne lezer van zijn vaak prachtig proza zal zeker een bijbel bij de hand moeten houden om hem overal te kunnen volgen.

Roeping

Natuurlijk, Van Gogh was zoon van een dominee, een onbeduidende dorpspredikant, maar wel een van de moderne richting. En ook zelf had hij ambities om 'zaaijer des woords' te worden. In 1876 ging hij, 23 jaar oud, aan de slag als hulppredikant in een Londense arbeiderswijk. In mei 1877 ging hij naar Amsterdam om zich voor te bereiden op een theologiestudie, en weer een jaar later wilde hij evangelist worden. Tot aan het moment, in augustus 1880, dat hij definitief durfde te kiezen voor de kunst, heeft hij zijn leven in dienst van evangelie en zending willen stellen. Zijn manier van zaaien getuigde echter eerder van fanatisme dan van roeping.

Ook in de lange brief die Vincent op 3 april 1878 aan Theo schrijft gaat het weer over de vraag wat zijn roeping nu eigenlijk is. Dan schrijft hij:

Wat mij aangaat, ik moet een goed prediker worden, die wat te zeggen heeft dat goed is en nuttig kan zijn in de wereld, en het is misschien wel goed dat ik een betrekkelijk langen tijd van voorbereiding heb en sterk bevestigd word in eene vaste overtuiging voor ik er toe word geroepen om daarover tot anderen te spreken. Het is regt dat voor men dat werk begint een schat vergadere van dingen waar anderen iets aan hebben kunnen.
Laat ons maar stillekens voortgaan, alle dingen onderzoekende en het goede behoudende [vgl. 1 Tess. 5:21] en trachtende altijd meer te weten te komen wat nuttig is en meer ondervinding opdoende. (...)
De liefde is het beste en edelste in het menschen hart, vooral wanneer zij in het leven is beproefd als het goud in het vuur, gelukkig is hij en vast in zichzelven die veel heeft liefgehad en, al heeft hij ook gewankeld en getwijfeld, dat goddelijk vuur heeft bewaard en is teruggekeerd tot hetgeen was in den beginne en niet sterven zal in eeuwigheid.- [vgl. Joh. 11:26] Als men maar trouw blijft liefhebben wat waarlijk liefde waardig is en zijne liefde niet verkwist over waarlijk onbeteekenende en nietige en flaauwhartige dingen dan zal men gaandeweg steeds meer licht krijgen en sterker worden. (...)
Gelukkig is hij die geloof heeft in God want hij zal, al zij het niet zonder moeite en verdriet, door alle moeielijkheden van het leven ten laatste heenkomen. Men kan niet beter doen dan onder alles in alle omstandigheden aan alle plaatsen en ten allen tijde de gedachte aan God te behouden en meer aangaande Hem te trachten te weten te komen, dat kan men zoowel uit den Bijbel als ook uit alle andere dingen.- Het is goed om te blijven gelooven dat alles wonderbaar is meer dan men zich begrijpen kan want dat is de waarheid, het is goed om gevoelig en nederig en teeder te blijven van hart, ook al moet men dat gevoelen soms verbergen want dat is dikwijls noodig, het is goed zeer geleerd te zijn in de dingen die verborgen zijn voor de wijzen en verstandigen der wereld maar die als van nature geopenbaard zijn aan de armen en eenvoudigen, aan de vrouwen en de kinderkens [vgl. Matt. 11:25]. Want wat kan men leeren dat beter is dan hetgeen God van nature in iedere menschenziel heeft gegeven, wat in den grond van iedere ziel leeft en liefheeft, hoopt en gelooft tenzij men het moedwillig vernietige. Daar is de behoefte aan niets minder dan het oneindige en wonderbare, en een mensch doet wel als hij met niets dat geringer is tevreden is en zich niet t'huis blijft gevoelen zoolang hij dat niet heeft verkregen.-
Dat is de bekentenis die alle groote mannen in hunne werken hebben uitgedrukt, allen die wat verder hebben gedacht en wat meer hebben gezocht en gewerkt en meer hebben liefgehad dan anderen, die zijn afgestoken naar de diepte van de levenszee. Afsteken naar de diepte dat moeten ook wij doen indien wij willen vangen en als het somtijds gebeurt dat wij den geheelen nacht te arbeiden hebben en niets vangen dan is het goed om het toch nog niet op te geven maar in den morgenstond nogmaals het net uit te werpen [vgl. Luc. 5:4-7].
Laat ons dus maar stillekens voortgaan, ieder op zijn weg, steeds op het licht afgaande 'sursum corda'Sursum corda en als zulken die weten dat wij zijn wat anderen zijn en dat anderen zijn wat wij zijn, en dat het goed is om liefde te hebben onder elkander en wel van de beste soort, die alle dingen gelooft en alle dingen hoopt en alle dingen verdraagt en nimmermeer vergaat [vgl. 1 Kor. 13:7-8].
En ons niet al te bekommerd makende als wij gebreken hebben want die er geen heeft die heeft toch een gebrek namelijk dat hij er geen heeft, en wie volmaakt wijs zou meenen te zijn die zou wel doen met maar weer eens van voren af aan dwaas te worden [vgl. 1 Kor. 3:18].

De zaaier

Vincent van Gogh
De Zaaier

Als Van Gogh tien jaar later, in de zomer en het najaar van 1888, een aantal beroemde Zaaiers schildert, drukt de predikdwang allang niet meer op hem. Hoewel ... ook nadat hij met de kerk gebroken heeft, blijft hij zich, nu door zijn kunst, inzetten voor de verheffing van het volk. Ook de kunstenaar Van Gogh is een evangelist.

Het is verleidelijk om Vincents keus voor het thema van de zaaier te verbinden met zijn christelijke achtergrond: Jezus' gelijkenis van de zaaier (Matt. 13, Marc. 4, Luc. 8) is een van de populairste uit het Nieuwe Testament. Van Gogh heeft zijn voorkeur voor de gelijkenissen nooit onder stoelen of banken gestoken. In 1877 was hij bezig een boekje in verschillende talen te fabriceren met de gelijkenissen en wonderverhalen uit de evangeliën. Op 26 juni 1888, het jaar van de Zaaiers, schrijft hij in een brief aan Emile Bernard dat Christus - 'kunstenaar boven alle kunstenaars' - in zijn gelijkenissen op zijn best was. '(Quel semeur, quelle moisson, quel figuier &c.)'

Wel moeten we bedenken dat één van Vincents Zaaiers een kopie is van een schilderij van Jean-François Millet. Ook toen Van Gogh in 1881 zijn eerste tekeningen maakte, was de Franse kunstenaar een groot voorbeeld voor hem, en ook toen tekende hij een zaaier, naar Millet.
Een andere relativering, die ons kan behoeden voor een exclusieve christelijke duiding van 'de zaaier', is het feit dat Van Gogh ook andere aspecten van het landleven heeft afgebeeld. En Van Gogh heeft vaak werkende mensen in beeld gebracht, bij voorkeur met zwaar werk; zijn oeuvre bevat veel zwoegers, sjouwers, ploegers, ploeteraars, tobbers.

Anderzijds is Vincent vanuit zijn jonge jaren ook vertrouwd met de mogelijkheden om de werkelijkheid geestelijk te beschouwen. In 1877 dweept hij o.a. met de Amsterdamse dominee E. Laurillard. Deze dominee-dichterE. Laurillard - Kruiden en bloemen koos voor zijn preken graag het dagelijkse leven van boeren en vissers als vertrekpunt, of gewoon iets uit de natuur.
Vincent schrijft zijn broer erover (brief d.d. 12 juni 1877):

Hoorde Zondagmorgen Ds Laurillard in de vroegpreek over 'Jezus wandelde in het gezaaide' [Matt. 12]. Hij maakte een grooten indruk op mij - in die preek sprak hij ook over de gelijkenis van den zaaijer & over de man die het zaad in den akker strooide en voorts sliep en opstond dag en nacht, en het zaad sproot uit en wies op en werd lang en hij wist zelf niet hoe [Marc. 4], ook sprak hij over de begrafenis in het koren van v.d. Maaten. De zon scheen door de ramen - er waren niet heel veel menschen in de kerk, meest werklieden en vrouwen.-

Bibliografische referenties

Leo Jansen, Hans Luijten en Nienke Bakker, Vincent van Gogh - De Brieven. De volledige, geïllustreerde en geannoteerde uitgave (6 dln.), Van Gogh Museum / Huygens Instituut KNAW / Mercatorfonds, 2009. De Nederlandse editie is verzorgd door Amsterdam University Press.

De citaten in deze tekst zijn afkomstig van de webeditie: Vincent van Gogh The Letters.

Heeft betrekking op:

Matteüs 13:1-23, Matteüs 11:25, Marcus 4:1-20, 1 Tessalonicenzen 5:21, Johannes 11:26, 1 Korintiërs 3:18, 1 Korintiërs 13:7-8, Lucas 5:4-7, Lucas 8:4-15