Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Cd. Busken Huet - Brieven over den Bijbel

Conrad Busken Huet werd in 1851 predikant van de Waalse kerk in Haarlem. In 1857 begon hij aan zijn Brieven over den Bijbel, die veel stof deden opwaaien. Het boek dankte zijn ontstaan mede aan gesprekken met een catechisante, Anne van der Tholl, met wie Huet in 1859 trouwde. De eerste aflevering verscheen op 21 mei 1857; een jaar later werden de gezamenlijke Brieven in twee delen in boekvorm uitgegeven.
Het geschrift werd door sommige boekhandelaren geweigerd en de bisschop van Haarlem bad er in het openbaar tegen. Voor Huets kerkelijke carrière was het boek funest. In 1862 nam hij ontslag; dankzij een van de diakenen kreeg hij een baan als redacteur van de Opregte Haarlemsche Courant. Hij werkte al mee aan Potgieters Gids, maar kwam er nu in vaste dienst en werd in 1863 lid van de redactie.

Waardoor veroorzaakten de Brieven over den Bijbel zo'n opschudding? In het boek worden openlijk de vragen aan de orde gesteld die sinds de jaren 30 in Europa de orthodoxie hadden doen wankelen. De 'historisch-kritische' benadering van de bijbel, die was ingeluid door Das Leben Jesu, kritisch bearbeitet (1835-1836) van David Friedrich Strauß, leidde tot een overvloed aan fundamentele vragen. Ook de moderne theologen in Nederland wilden deze vragen kunnen bespreken, maar orthodoxe gelovigen ervoeren alleen het stellen van zulke vragen al als een aanval op Gods Woord en een schending van het Schriftgezag.

Busken Huet vond dat alle vragen omtrent de bijbel eerlijk aan de orde moesten kunnen komen. Door het taboe op lastige vragen te doorbreken zouden moderne christenen hun geloof én zichzelf trouw kunnen blijven. Uiteindelijk hoopte hij dat een zuivere omgang met de hele problematiek zou leiden tot een echte hervorming van de kerk. Maar het zou dus allemaal anders lopen.

Brieven over den Bijbel wordt gepresenteerd als een correspondentie tussen een meisje en haar broer. Het meisje, Machteld, zit vol vragen, die ze voorlegt aan Reinout, die overigens geen theoloog is, maar effectenmakelaar; in zijn vrije tijd heeft hij zich verdiept in bijbelwetenschap. Wat zit haar zo hoog?

... het betreft hare zielsrust en den vrede van haar hart; het heiligste en het liefste dat zij heeft: haar geloof.
Ziet ge, Reinout, juist om dat geloof heb ik in den laatsten tijd veel geleden en veel verdriet gehad. Geen heftig verdriet; zooals wanneer er iemand sterft of iets wordt weggenomen waarvan men buitengewoon veel hield; maar eene soort van mistroostig verdriet, een toenemend gebrek aan levenslust, eene inwendige dorheid en somberheid, zooals wanneer de zon niet door wil breken en alle dingen er onvriendelijk en halfbetrokken uitzien. De reden is, dat ik wel geloof heb, maar geen vast geloof, en zelf niet weet wat ik geloof en wat niet. (p. 3-4)

De eerste vraag die ze haar broer stelt, is direct een kernvraag. Ze was er onlangs bij dat Reinout in gesprek was

met iemand die als bewijsgrond voor ik weet niet meer welke stelling aanvoerde: 'God zelf heeft het gezegd; het staat in den bijbel.' Daarop gaaft gij ten antwoord: 'Ongetwijfeld, maar een ieder weet hoe het met dit spreken van God in den bijbel gesteld is.' Er was toen geene gelegenheid u verder te vragen. Weet gij inderdaad, Reinout, hoe men te denken heeft over het spreken van God tot de menschen, waarvan in den bijbel telkens gewaagd wordt? Zeg het mij dan, bid ik u. Was dit punt opgehelderd, dan stel ik mij voor dat ik een goed eind zou gevorderd zijn. Sedert uw vertrek heb ik er vruchteloos over gepeinsd, met mijn bijbel voor mij. Raadpleeg ik dien zonder iemands voorlichting, dan wordt de schemering duisternis.
De verklaring die mij meest voldoet is die uit den Brief aan de Hebreën, aan het begin van het eerste hoofdstuk, waar ik vind: 'God, voortijds veelmaal en op velerlei wijzen tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon.' [Hebr. 1:1-2] Dit maakt ten minste duidelijk op welke wijze het joodsche volk en de christenen aan hunne openbaring gekomen zijn; te weten, door middel en door tusschenkomst van de profeten en van Jezus Christus, en niet zoo, dat God zelf, onmiddelijk en als het ware door de wolken heen, het woord zou gerigt hebben tot de menschen. Maar de profeten en de Messias, op welke wijze ontvingen dezen hunne goddelijke mededeelingen? Hebben zij God hooren spreken, in de lucht, boven hun hoofd? In den Tweeden Brief van Petrus heb ik gevonden dat de profetie voortijds niet is voortgebragt 'door den wil van een mensch', maar dat de heilige mannen Gods haar gesproken hebben 'van den Heiligen Geest gedreven zijnde.' [2 Petr. 1:21] Daaruit zou blijken dat de mededeeling geschiedde op geheel bovennatuurlijke wijze; dat de heilige mannen zelven op dat oogenblik volstrekt zonder eigen wil, volkomen lijdelijk waren; dat zij zich voelden opgeroepen door eene hoorbare stem, die hun profetiën voorsprak en deed naspreken, en waarbij zij zelven slechts de ondergeschikte rol vervulden van het speeltuig dat zonder zelfbewustheid toonen voortbrengt onder de hand die ze er aan ontlokt. Dit wil mij niet voldoen. Indien de bijbelsche mannen louter werktuigen geweest zijn, tot waarheid en heiligheid gekomen langs een geheel anderen weg als wij, zonder zielestrijd, zonder nadenken, dan verbeeld ik mij dat zij geene echte menschen waren, ik gevoel geen moed om hen als mijne leidslieden door het leven te volgen, en ik vraag mijzelve af, of de hemelstemmen die zij vernamen wel inderdaad stemmen van God geweest zijn?
Laatstgenoemde twijfel kan, dunkt mij, niet uitblijven. Er wordt toch in den bijbel-zelf van valsche profeten verhaald die, even goed als andere profeten, Gods stem beweerden vernomen te hebben. Men weet dan niet langer waaraan zich te houden. Of hoe kon Achab, toen de valsche profeet Zedekia en de getrouwe profeet Micha hem elk een geheel verschillenden raad gaven, en beiden volhielden: 'Zoo spreekt de Heer', aan welk teeken kon koning Achab onderkennen, of hoe kunnen wijzelven te weten komen, wie van deze twee profeten de waarheid heeft gesproken, wie niet? [1 Kon. 22; 2 Kron. 18] En wanneer ik eenmaal heb bespeurd dat ook de valsche profeten plegen te zeggen: 'Zoo spreekt de Heer', wat baat het mij dan of ik voor mijn zielsrust den bijbel raadpleeg? De zekerheid dat de openbaringen, daar opgeteekend, waarlijk goddelijke openbaringen geweest zijn, is mij ontnomen. Ik kan zelfs niet meer gelooven dat zij zich als echte openbaringen aanbieden. Ten minste, dit staat niet vast; en ik gevoel eene onuitsprekelijk behoefte aan waarheden waaraan ik mij vast kan houden, voor tijd en eeuwigheid. (p. 4-6)

Het feit dat God sprak met Adam of Noach, of bij de doop van Jezus; het feit dat de bijbelschrijver zelfs kan melden wat God tegen zichzelf zei (bij de schepping of de torenbouw in Babel); het feit dat het profetische woord 'Dit zegt de HEER' in het Nieuwe Testament plaatsmaakt voor het eenvoudige, maar even gezaghebbende 'Van Paulus, dienaar van Christus Jezus, aan die en die' - hoe moeten we zulke feiten verstaan? Machteld meent dat haar vragen niet gaan over

aanbiddelijke verborgenheden, waarvoor het mij betamen zou ootmoedig het hoofd te buigen en te zeggen: 'God is groot, en wij begrijpen Hem niet.' Zoodra mijn hart iets als waarlijk goddelijk erkent, oefen ik mij de hand eerbiedig op den mond te leggen en Gode te zwijgen, ook al doorgrond ik zijne wegen niet en al staat mijn verstand er voor stil. Doch sedert mijne aandacht is gevallen op de bovenvermelde moeijelijkheden van onderscheiden aard, is het mij juist hoe langer hoe onmogelijker geworden het goddelijke van deze duisterheden in te zien. Ik vind ze meer vreemd en verbazingwekkend dan heilig of ontroerend. Daarentegen word ik door de gewaarwording van het goddelijke altoos ontroerd. (p. 8)

Reinout probeert de vragen van zijn zus naar eer en geweten te beantwoorden. Hij vergelijkt het spreken van God met het 'spreken' van een schilder of beeldhouwer via zijn kunstwerken. Verwijzend naar de tekst uit Hebreeën die zijn zus aanhaalde, zegt hij: 'De persoonlijkheid van dien Zoon, het zedelijk karakter dier profeten, ziedaar het wezenlijk openbaringsmiddel, het groote en voorname voertuig van Gods woord. Waaruit volgt dat Gods woord en het uitgesproken zelfbewustzijn der godsgezanten eenerlei is.' (p. 17) Het gaat er ook om Gods stem te herkennen in de werkelijkheid waarin we leven.

Zijn de bijbelsche orakelen geene woorden of inzigten die aan Gods afgezanten op uitwendige en tastelijke wijze aan de hand gedaan werden; zijn zij veeleer uitingen van het eigen zelfbewustzijn dier mannen, zoo volgt hieruit dat God in de heilige Schrift niet zoozeer zelf spreekt als wel sprekend door hen ingevoerd wordt; en zulks, niet volgens een leugenachtig voorgeven, maar omdat hun volksgenie medebragt dat zij in alle dingen de onmiddellijke stem van God vernamen en opmerkten. (p. 24)

Reinout wijst zijn zus erop dat geloven in deze tijd betekent dat men vrij is en ruimte laat voor twijfels en onzekerheid. Zo'n volwassen geloof is toch te verkiezen boven het kritiekloos vasthouden aan louter zekerheden, waarbij allerlei lastige vragen en tegenstrijdigheden moeten worden weggemoffeld?
Machteld is erg ingenomen met het antwoord van haar broer. Ze heeft het gevoel dat de vragen waar zij als gelovige mee worstelt, tenminste serieus genomen worden. Aan het eind van haar tweede brief, die gaat over de waarde van de wonderverhalen in de bijbel, schrijft ze (p. 40):

- Soms bekruipt mij de lust om mijne twijfelingen voor goed ter zijde te zetten; te denken: 'Er staat geschreven'; mijn troost te zoeken bij het zeggen van onzen dominee: 'de bijbel is Gods woord, en daarmee uit'; en mij zonder tegenspreken gevangen te geven aan de letter van het heilige boek. Dat gelukt ook bij wijlen. Maar naauwlijks ben ik ingesluimerd, of mijn geweten roept mij wakker; ik gevoel het bedriegelijke van den ingebeelden troost; ik erken dat het geene onderdanigheid, maar traagheid, maar magteloosheid is die mij overweldigd heeft, en, hoe verdrietig het ook wezen moge niet te weten waaraan men zich houden zal, ik heb, dit bespeur ik duidelijk, meer achting voor mij zelve, en mijne vrijmoedigheid voor God is veel grooter, wanneer ik aarzel mij te onderwerpen en bij mijnen twijfel volhard, dan wanneer ik mij een geloof tracht op te dringen waarvan ik slechts al te wel weet dat mijn hart er niet bij is. Vrees dus niet dat ik terug zal gaan: al beproefde ik het, ik zou niet goedsmoeds kunnen. - Andere reizen zou ik den bijbel wel gansch en al willen ter zijde schuiven en zeggen: wat behoef ik mij zooveel moeite te geven? de dingen zijn immers toch niet gebeurd zooals zij daar verhaald worden? Maar ook dan heb ik alles behalve rust. 'Wij zijn geene kunstelijk-verdichte fabelen nagevolgd' [2 Petr. 1:16]: dit gezegde brandt mij op het hart. Te denken dat er fabelen zouden staan in datzelfde boek, waaruit zoo talloos vele brave en lieve menschen al hun licht en troost geput hebben en nog dagelijks putten: ik huiver terwijl ik de woorden nederschrijf. Hoe menigmaal ook heb ikzelve met innig genot in den bijbel gelezen, en hoe gemakkelijk zou ik u de bladzijden kunnen aanwijzen, waarvan ieder, wiens ziel slechts niet gansch en al aan ijdele dingen hangt, tegen wil en dank getuigen moet: 'Gods woord is de waarheid.' (p. 40)

Huet ging in zijn Brieven geen enkele vraag uit de weg. Het zal niet verbazen dat een half jaar na het verschijnen van zijn boek er ook vanuit het andere deel van het kerkelijk erf 'Brieven over den Bijbel' werden gepubliceerd. Daarin kreeg Machteld antwoord van haar neef Leonard, die als proponent (theologisch kandidaat) aanzienlijk behoudender reageerde op haar vragen. Een en ander was voor Huets collega en geestverwant P.A. de Génestet aanleiding tot het gedicht 'Machteld en Leonard', waarin hij de spot dreef met zo'n 'theologische romance':

(...)

Moêgedrenteld vlijt ons paartjen
Zich ter neder in 't prieel,
En, vast, naar verliefde wijzen,
Bouwt men nestjens - paradijzen! -
Onder fluistrend mingekweel.

Hoe ze keuvlen, hoe ze kozen!
Had de zon weêr stil gestaan,
Licht wel, als twee purpren rozen,
Zaagt ge Machtelds koontjens blozen -
Doch juist even kwam de maan.

Maar o luister! luid en luider
Klinkt hun zoete liefdetaal:
Wat de harten mag ontroeren?
Brengt hen de avond in vervoeren,
Maneschijn en nachtegaal?

Dweepen zij met dichtrenzangen,
't Hart vol jeugd en poëzij?
Of is Jaloezie aan 't spoken?
Wordt de Huwlijksreis besproken?
Is de Proponent wat vrij?

Neen o Goôn! - maar zij bespreken
Onder 't filomeelenlied,
Bij het geuren der seringen...
De echtheid van de Handelingen
Der Apostlen! - minder niet.

(...)

Bibliografische referenties

Cd. Busken Huet, Brieven over den Bijbel. Haarlem: A.C. Kruseman, 1863 (2e herz. dr.). [Deze uitgave is ook te vinden in de DBNL.]

P.A. de Génestet, 'Machteld en Leonard. (Theologische romance XIXe eeuw 2e helft.)' in: De Gids jrg. 23 (1859), p. 408-411. [Het volledige gedicht is ook te vinden in de DBNL.]

Mirjam Buitenwerf-van der Molen, God van vooruitgang. De popularisering van het modern-theologische gedachtegoed in Nederland (1857-1880). Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2007.

Heeft betrekking op:

Hebreeën 1:1-2, 2 Petrus 1:16-21, 1 Koningen 22:1-28, 2 Kronieken 18:1-27