Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Cd. Busken Huet over Max Havelaar

In deel 22 van zijn reeks Litterarische fantasien en kritieken (1868-1885) bespreekt Busken Huet onder andere Max Havelaar, of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy. Hij vergelijkt Multatuli's roman met 'een mozaiek, een marmeren tafelblad, ingelegd met kornalijnen figuren, bladeren en vruchten; een vloer, vervaardigd uit een groot aantal onregelmatige stukjes steen van verschillende kleuren, voorstellend onderwerpen uit de nieuwere geschiedenis'. Zo ziet hij ook vele verschillende karakters verenigd en opgevoerd in de figuur van Max Havelaar zelf. Huet typeert hem onder andere als

de volgeling van Chateaubriand, die (...) in oudtestamentische bijbeltaal de Hoofden van Lebak toespreekt en de Bantammers naar Jesaja doet luisteren.

Hoe zit dat precies?
Max Havelaar, een 35-jarige ambtenaar in dienst van het Nederlands Gouvernement van Indië, heeft zojuist een post als assistent-resident aanvaard in Lebak, in Bantam. Een dag na aankomst in zijn nieuwe woonplaats spreekt hij de hoofden van Lebak toe om hen ervan te doordringen dat hij geen corruptie zal dulden. Hij spreekt bevlogen, er lijkt iets over hem te komen:

... doch men moest hem by zulke gelegenheden gehoord en gezien hebben om zich voortestellen hoe hy, by toespraken als deze, zich opwond en door zyn eigenaardige wyze van spreken aan de bekendste zaken een nieuwe kleur meedeelde, hoe zich dan zyn houding oprichtte, hoe zyn blik vuur schoot, hoe zyn stem van 't vleiend zachte in 't vlymend scherpe overging, hoe de beelden van zyn lippen vloeiden als strooide hy iets kostbaars om zich heen dat toch hèm niets kostte, en hoe, als hy ophield, ieder hem aanstaarde met open mond als om te vragen: ‘myn God, wie zyt ge?’

Is het de gedrevenheid van een ziener? Een profeet als Jesaja misschien? Havelaar:

‘Want ik weet dat Allah den arme liefheeft, en dat Hy rykdom geeft aan wien hy beproeven wil. Maar tot de armen zendt Hy wie zyn woord spreekt, opdat zy zich oprichten in hun ellende.
Geeft Hy niet regen waar de halm verdort, en een dauwdrup in den bloemkelk die dorst heeft?
En is het niet schoon, te worden uitgezonden om de vermoeiden te zoeken, die achterbleven na den arbeid en neerzonken langs den weg, daar hun knieën niet sterk meer waren om optegaan naar de plaats van het loon? Zou ik niet verheugd wezen de hand te mogen reiken aan wie in de groeve viel, en een staf te geven aan wien de bergen beklimt? Zou niet myn hart opspringen als het ziet gekozen te zyn onder velen, om van klagen een gebed te maken en dankzegging van geween?’

De verteller licht nog toe:

Wanneer misschien iemand de opmerking maken mocht, dat het oorspronkelyke in Havelaars wyze van spreken niet zoo onbetwistbaar is, daar zyn taal denken doet aan den styl der profeten van 't Oude-Testament, moet ik herinneren reeds gezegd te hebben dat hy in oogenblikken van vervoering werkelyk iets had van een ziener. Gevoed door de indrukken die 't leven in wouden en op bergen hem had meegedeeld, omgeven door de poëzie-ademende atmosfeer van het oosten, en alzoo scheppende uit gelyksoortige bron als de Vermaners der Oudheid waarmee men soms zich genoopt voelde hem te vergelyken, gissen wy dat hy niet ànders zou gesproken hebben, ook wanneer hy nooit de heerlyke dichtstukken van het Oude-Testament gelezen had.

Even later spreekt weer Havelaar:

‘Maar als er soms onder ons mochten zijn die hun plicht verwaarloozen voor gewin, die het recht verkoopen voor geld, of die den buffel van den arme nemen, en de vruchten die behooren aan wie honger hebben .... wie zal ze straffen?’

Vergelijk deze woorden van Max Havelaar met de woorden van Jesaja 58:6-7. Dat Havelaar Huet aan Jesaja doet denken, is dus zo vreemd niet.

Bibliografische referenties

Cd. Busken Huet, 'Multatuli' in: Litterarische fantasien en kritieken XXII, p. 127-163. [Deze tekst is ook te vinden in de DBNL.]

Multatuli, Max Havelaar, of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy, Amsterdam: Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, [z.j.] (6e druk).

Heeft betrekking op:

Jesaja 3:14-15, Jesaja 10:1-2, Jesaja 58:6-7