Overzicht bijbelboeken

Over > Bijbelse wereld

Christelijke slaven

Slavernij was een volkomen geaccepteerd fenomeen in de Oudheid. Bijna elke beschaving kende slavernij en er is nooit iemand geweest – zelfs de meest vooruitstrevende filosoof niet – die zich uitsprak voor afschaffing ervan. Iedereen zag slavernij als normaal deel van de sociale orde. Het idee dat slavernij moreel verwerpelijk is, vinden we dus ook niet terug in de Bijbel. Dat idee ontstond pas in de moderne tijd. In de Bijbel wordt de verhouding slaaf-meester wel gereguleerd, teneinde uitwassen te voorkomen.

De Grieks-Romeinse wereld

Zonder slaven zou de Griekse-Romeinse wereld in duigen zijn gevallen. Zij was volledig afhankelijk van slavenarbeid, het was een ‘slavenhoudersmaatschappij’. Publieke werken werden gerealiseerd door slaven en huishoudens werden door hen draaiende gehouden.

In tegenstelling tot de situatie in de Nieuwe Wereld, die onze voorstelling van slavernij meestal bepaalt, had slavernij in de Oudheid niets te maken met ras. Romeinen hadden er geen enkel probleem mee andere Romeinen als slaaf te houden. Ook vormden de slaven niet de laagste ‘sociale klasse’ binnen de Romeinse maatschappij. Zij bevonden zich in alle lagen van de samenleving, omdat hun positie werd bepaald door de sociale status van hun eigenaar. Een slaaf van een aristocratische Romein had bijvoorbeeld een veel beter leven dan een vrije landloze boer of een zwerver in een grote stad. Aan de andere kant had een slaaf die in de mijnen of op een galei moest werken natuurlijk weer minder geluk. Het merendeel van de slaven was echter werkzaam in een huishouden.

Slaven werden over het algemeen onderwezen – dat bevorderde hun waarde – en soms bekleedden zij uiterst verantwoordelijke administratieve en bestuursfuncties. Zij mochten bezit hebben. Soms bezaten slaven op hun beurt ook weer andere slaven! Het merendeel werd uiteindelijk vrijgelaten en ontving daarop het Romeinse burgerrecht. Op dat moment kregen ze de status van ‘vrijgelatene’. Dit neemt allemaal niet weg dat slaven voor de wet een zogenaamd instrumentum vocale waren – een sprekend stuk gereedschap – en dat zij volledig afhankelijk waren van hun eigenaar. Op weglopen stonden zeer hoge straffen, en slaven kregen voor dezelfde misdrijven zwaardere straffen dan vrije mensen. Kruisiging

Het Nieuwe Testament

Gezien het grote aantal slaven in de Grieks-Romeinse wereld is het niet verwonderlijk dat we ze ook in het Nieuwe Testament vaak tegenkomen. Jezus gebruikt bijvoorbeeld regelmatig slaven (‘dienaren’ of ‘knechten’) als personages in zijn gelijkenissen (Matt. 24:45-51; Luc. 15:22). In de gelijkenis in Matt. 18:21-35 staat het fenomeen van schuldslavernij centraal – het verkopen van de schuldenaar en zijn familie in slavernij. Jezus legt in deze gelijkenis weliswaar de nadruk op ‘genade’ en ‘vergeving van schuld’, maar impliciet kan de passage opgevat worden als een kritiek op deze vorm van sociale uitbuiting.

In de nieuwtestamentische brieven horen we ook veel over slaven. Het gaat dan in de regel om slaven die in de stad wonen en verbonden zijn aan een huishouden. Als een meester zich bekeerde tot het christendom, werd vaak zijn hele huishouden christelijk (Hand. 16:15 en 31-34; 1 Kor. 1:16), de slaven incluis. Maar we vinden er ook voorbeelden van slaven die de persoonlijke roeping ontvangen hebben christen te worden (1 Kor. 7:21; 1 Petr. 2:18-25; 2 Tim. 1:5).

Paulus benadrukt dat er voor God geen onderscheid bestaat tussen mensen: ‘Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus’ (Gal. 3:28; 1 Kor. 7:22). Maar dit geldt alleen voor het geloof. Dit egalitaire idee wordt nooit toegepast op de maatschappelijke orde (1 Kor. 7:17-24). Daarin blijft de slaaf ondergeschikt aan zijn meester, en de vrouw aan haar man.

In Kolossenzen 3:18-4:1 en Efeziërs 5:21-6:9 vinden we in een ‘gedragscode’ een bevestiging van de traditionele patriarchale gezagsstructuren. Die komt er in principe op neer dat iedereen binnen een huishouden ondergeschikt is aan de vader, de pater familias. Achtereenvolgens worden de verhoudingen man-vrouw, ouders-kind en meester-slaaf duidelijk gemaakt. Er blijken wel voor beide zijden verplichtingen te zijn. Voor de slaven geldt dat zij hun meester moeten gehoorzamen ‘met ontzag, respect en oprechtheid’, en niet om te vleien (Ef. 6:5-6; Kol. 3:22-23). De meesters wordt op hun beurt voorgehouden dat zij hun slaven goed moeten behandelen en niet met de zweep mogen dreigen. Zij hebben immers ‘dezelfde Heer in de hemel’ (Ef. 6:9). Ook moeten zij hun slaven geven waar ze recht op hebben en hen redelijk behandelen (Kol. 4:1).

Ook in andere brieven wordt christelijke slaven voorgehouden hoe ze zich moeten gedragen. Zo lezen we in 1 Timoteüs dat slaven hun meester moeten hoogachten en dat ze zich niet respectloos mogen opstellen met het excuus dat ze ‘broeders zijn’ (6:1-2). Volgens 1 Petrus moeten slaven niet alleen ontzag hebben ‘voor de goede en rechtvaardige, maar ook voor de onrechtvaardige’ meester. Als zij lijden, treden ze in de voetsporen van Christus, die voor hen geleden heeft aan het kruis (1 Petr. 3:18-25).

Deze gedragsregels voor slaven, net als die voor vrouwen en kinderen, worden wel eens uitgelegd als voorzorg voor de bescherming van de reputatie van de christelijke kerk. Er mag door de buitenwereld niets kwaads gezegd kunnen worden over de christenen. Een christelijke vrouw van een heidense echtgenoot wordt aangespoord voorbeeldig te leven. Hetzelfde geldt voor christelijke slaven: zij moeten hun meesters juist vanwege hun geloof ‘met nog meer inzet dienen’ (1 Tim. 6:1-2; Tit. 2:9-10).

In een van de allerkleinste bijbelboeken, ten slotte, krijgen een christelijke slaaf en zijn christelijke meester een naam. Paulus verzoekt Filemon in de gelijknamige brief de weggelopen slaaf Onesimus weer terug te nemen. Filemon staat volledig in zijn recht om Onesimus zwaar te bestraffen, maar Paulus vraagt of hij Onesimus wil ontvangen zoals hij hemzelf zou ontvangen, niet als slaaf maar als een ‘geliefde broeder’ (Fil. vs. 15-16).

Heeft betrekking op:

1 Korintiërs 7:17-24, Kolossenzen 3:18, Efeziërs 5:21, 1 Petrus 3:18-25, Titus 2:9-10, 1 Timoteüs 6:1, Filemon 1:16