Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Constantijn Huygens - Hemelvaert

Constantijn Huygens (1596-1687) was een man die bijna de hele Nederlandse Gouden Eeuw heeft meegemaakt. Hij werd geboren toen de Republiek nog jong was en toen Huygens stierf was ze alweer over het hoogtepunt van haar bloei heen. Als secretaris van de Prinsen van Oranje verkeerde Constantijn in milieus van diplomaten en regenten en bevond zich zodoende bijna een eeuw lang in het centrum van een bloeiende mogendheid.

Huygens was een gedreven auteur met een fijnzinnig taalgevoel. In zijn vrije tijd schreef hij over de meest uiteenlopende onderwerpen. De bundel Heilige daghen die in 1645 verscheen, bevat sonnetten over de christelijke feestdagen. Dit gedicht over de hemelvaart van Christus komt daar uit. Het beschrijft het ontredderde gevoel waarmee de apostelen – en met hen alle gelovigen – Jezus nakeken.

Hemelvaert
 
O Wagen Israëls met uwe Ruyter-knechten,
Waer voert ghy onsen Vorst? ô, aller swacken troost,
Zijt ghy soo toeverlaet der genen die ghy koôst?
Blijft ghy hun soo te hulp? verlaet ghy haer in ’t vechten,

De eerste regel refereert aan de wagen waarmee Elia ten hemel wordt opgenomen (2 Kon. 2:12). Diens opvolger Elisa – net als de apostelen in het Nieuwe Testament de achterblijver – roept hem na: ‘Mijn vader! Mijn vader! Wagens en ruiters van Israël!’ Elia’s ten hemelopneming wordt in de christelijke typologie gezien als de voorafschaduwing van Christus' hemelvaart.

Voorvechter van Dijn volck? werpt ghy se tot gerechten
Den dwingelanden toe, gesoden en geroost,
Haer’ spieren uytgetanght, haer’ ad’ren uytgeoost.
Haer’ zenuwen gesnerpt op roosteren en trechten?

De apostelen staan nu alleen en vragen zich af of hun leider hen achterlaat om ten prooi te vallen aan hun tegenstanders, de ‘dwingelanden’. Het zeventiende-eeuws van deze strofe is moeilijk: het wijst vooruit naar de martelingen die de gelovigen zullen ondervinden. Is het Jezus’ bedoeling dat zij ‘gesoden en geroost’, levend gekookt en verbrand worden? Dat ze worden uitgewrongen en dichtgeknepen? Dat hun ‘zenuwen’, dat is hun vlees, boven een rooster ‘gesnerpt’, gestoofd, wordt?

O, Duyve, siet om leegh; vlieght onse herten toe,
En rucktse voor Dijn aes uyt dese sterflickheden;
En deelt de wereld mis, en laet haer niets beneden
Dan daer de leste pier sijn’ lusten in voldoe.
O die van nu af aen in ’t endeloose bly zijt,
Weest hier, en voert ons soo van nu af aen daer ghy zijt.

De ‘Duyve’, beeld voor de heilige Geest, wordt gevraagd in hun harten te komen en volledig bezit van hen te nemen. Opdat een geestelijk leven kan beginnen, het aardse lichaam blijft slechts een stoffelijk wezen, waar alleen de ‘pier’, de wormen, wat aan hebben.

Bibliografische referenties

C. Huygens, Avondmaalsgedichten en Heilige dagen, uitgegeven en toegelicht door F.L. Zwaan, Zwolle, 1968.

Heeft betrekking op:

2 Koningen 2:12, Handelingen 1:9