Overzicht bijbelboeken

Over > Hoofdpersonen

David

David is een van de belangrijkste koningen van Israël geweest. Hij regeerde het land rond 1000 v. Chr. Volgens de traditie geldt hij als de grote psalmdichter (2 Sam. 1:17); blijkens 1 Sam. 16:16-23 was hij een begenadigd muzikant.

Boven veel psalmen staat dat ze afkomstig zijn van David. Dit hoeft niet noodzakelijkerwijs te betekenen dat ze door David zelf geschreven zijn. In de loop van de tijd werden er steeds meer psalmen toegeschreven aan de legendarische koning; een notitie in de Dode Zee-rollen vermeldt dat David in totaal 4050 psalmen en liederen gecomponeerd heeft. Verwijzingen naar David als auteur betekenen wel dat de psalm behoorde tot een verzameling van liederen die zijn naam droeg.

In 1 Samuël is David de 'man naar Gods hart' (13:14) die koning Saul opvolgt nadat deze door de HEER als koning verworpen is. Samuël kiest de zoon van Isaï uit Betlehem in Juda op aanwijzen van de HEER en zalft hem in het geheim tot koning (1 Sam. 16). De herdersjongen komt bij Saul in dienst als zijn wapendrager en als muzikant. Daarnaast betoont hij zich een moedige strijder: hij verslaat de reusachtige Filistijn Goliat (1 Sam. 17). De tweede helft van 1 Samuël is geheel gewijd aan de hoog oplopende machtsstrijd tussen David en Saul. Na de dood van Saul wordt David koning, eerst alleen van Juda (2 Sam. 2), later van heel Israël (2 Sam. 5). Hij bedwingt Israëls vijanden en brengt het land voorspoed. Hij smeedt de verschillende stammen tot een eenheid en maakt Jeruzalem, de 'Stad van David', tot nieuwe hoofdstad en religieus centrum van Israël. David geldt als de ideale koning. De profeet Natan mag hem namens God toezeggen dat zijn koningshuis eeuwig zal voortbestaan (2 Sam. 7); deze belofte wordt in het Nieuwe Testament expliciet betrokken op Jezus Christus, de 'Zoon van David', wiens heerschappij geen einde heeft (zie Luc. 1:31-33).

Davids leven kent veel problemen. In 1 Samuël wordt veel aandacht besteed aan de haat/liefde-verhouding tussen David en Saul. Daardoorheen speelt de onmogelijke vriendschap met Sauls zoon Jonatan en het niet erg gelukkige huwelijk met Sauls dochter Michal (2 Sam. 6:16-23). In 1 Sam. 25 wordt beschreven hoe hij zich Nabals vrouw Abigaïl verwerft. In 2 Sam. 11-12 verovert hij Batseba, waarvoor hij haar man Uria laat vermoorden. De profeet Natan kondigt hem Gods straf daarvoor aan (vgl. Ps. 51), en vanaf dat moment is het een en al ellende in het huis van David: verkrachting, samenzwering, broedermoord. Davids lievelingszoon Absalom probeert hem van de troon te stoten, en wordt daarbij gedood; David is ontroostbaar (2 Sam. 15-19; vgl. Ps. 3). Na een koningschap van 40 jaar sterft David op hoge leeftijd; hij wordt begraven in de Davidsburcht. Zijn zoon Salomo volgt hem op (1 Kon. 2).

Heeft betrekking op:

1 Samuël 16:13, 2 Samuël 1:1, 1 Koningen 1:1, Psalm 3:1, Psalm 8:1, 1 Kronieken 10:14, Wijsheid van Jezus Sirach 47:1