Overzicht bijbelboeken

Cultuur > Varia

De beeldenstorm van 1566

Op 19 augustus 1566 werden in de Onze-Lieve-Vrouwe kerk van Antwerpen, een van de grootste kerken van de Nederlanden in een stad met ongeveer honderdduizend inwoners, de eerste heiligenbeelden gebroken. Prachtige en unieke kunstwerken gingen voor altijd verloren.

Een dag eerder had de calvinistische predikant Herman Moded in een preek zijn gehoor opgeroepen de afgoden niet alleen uit het hart, maar ook uit het zicht te verbannen. De heiligen, van wie de beeltenis overal in de kerken te vinden was, werden door de hervormers namelijk gezien als ‘afgoden’, die naast God vereerd werden. En dat terwijl, zoals een Lutherse predikant verkondigde, God zelf had geboden: ‘Vereer naast mij geen andere goden. Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij’ (Ex. 20:3-5; Deut. 5:7-9).

De beeldenstorm die in tientallen plaatsen in de Nederlanden werd uitgevoerd was een doelbewuste actie, meestal aangevuurd en geleid door de politiek-bewuste leiders van de calvinisten. Het breken van al die schatten en al die eigendommen van de kerk en de gemeenschap werd allereerst gemotiveerd met een beroep op het bijbelse verbod op afgodendienst.

Frans Hogenberg
Beeldenstorm

Vlak na de gebeurtenissen verdedigde Philips van Marnix van St. Aldegonde, een van de calvinistische politieke leiders, de beeldenstorm met een verwijzing naar de bijbelse geschiedenis van de Israëlieten. God had hun verboden afgoden te vereren, en steeds opnieuw waren ze gestraft voor hun afgodendienst. Die straffen konden ze alleen verzachten door hun afgodsbeelden te vernietigen. Wilden ze Gods straf ontlopen dan moesten ook de Nederlanders, als kinderen van God, hun beelden wel breken. Herman Moded vergeleek in een geschrift uit 1567 zijn handelwijze tijdens de Antwerpse beeldenstorm met die van de profeet Elia uit het bijbelboek Koningen. Elia had de Baälpriesters laten doden en de Israëlitische koning Achab aangekondigd dat zijn familie zou worden uitgeroeid, omdat hij afgoden had vereerd (1 Kon. 18; 21:19-29).
Een jaar vóór de beeldenstorm verscheen een gravurereeks van Philips Galle waarin een aantal bijbelse 'beeldenstormen' in beeld werden gebracht (zie 2 Koningen 11:23-25 en 23:11-13 en Toevoegingen aan Daniël C:22).

Philips Galle naar Maarten van Heemskerck
De vernietiging van het beeld van Bel

Kettervervolging

Uit gebeurtenissen en latere verklaringen blijkt dat de stormers nóg een reden hadden voor het breken van beelden. Met een bijbelse verwijzing legden ze een direct verband tussen hun handelwijze en de kettervervolging. In 1566 werd dat verband helder verwoord in een verdediging van de beeldenstorm. De schrijver verweet de katholieken allereerst dat ze het ware geloof hadden vernietigd door tegen Gods uitdrukkelijke verbod in afgoden te vereren. Maar daarbij was het niet gebleven. Het verbranden van ‘ketters’ werd uitgelegd als het offeren van mensen aan hun levenloze goden. En dat terwijl mensen geschapen waren als ‘levende beelden van God’ (Gen. 1:26-27). De katholieken waren dus uiteindelijk de echte vernietigers van beelden – en het breken van de heiligenbeelden werd daarmee ook gezien als een straf voor de terechtstellingen van ‘ketters’.

Verspreiding over de Nederlanden

Er waren al eerder kruisen en beelden vernield, en heiligen en de mis waren al vaker openlijk bespot. Maar dat was allemaal niets vergeleken met de beeldenstorm die op 10 augustus 1566 in het westen van Vlaanderen begon en zich binnen een maand over de hele Nederlanden had verspreid. Al snel werd de handelsmetropool Antwerpen het actiecentrum van de beeldenstorm. In de ochtend van 18 augustus hield Herman Moded daar zijn preek tegen de beeldenverering. Geruchten over beeldenstormen in West-Vlaanderen stroomden intussen binnen. Desondanks hield men die middag gewoon de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwe-processie, waarbij het beroemde Antwerpse Mariabeeld werd omgedragen. Het beeld van Onze-Lieve-Vrouw werd weliswaar door wat omstanders belachelijk gemaakt, maar verder werd er die dag geen beeld gebroken. Iets vroeger dan normaal werd het Mariabeeld twee dagen later ceremonieel in de OLV-kerk teruggeplaatst. Toen dat gebeurd was, ontstond een opstootje en al snel begonnen wat calvinisten en hun betaalde handlangers met hun werk.

Eerst haalden ze het beeld van Onze-Lieve-Vrouw omlaag. Met bijlen hiewen ze haar hoofd, rechterhand en de rechterarm af. De dagen daarna werden onder het oog van het toegestroomde publiek de beelden in de OLV-kerk en in andere Antwerpse en naburige kerken gebroken. Vanuit Antwerpen verspreidde de beeldenstorm zich verder. Het nieuws reisde met brokstukken van heiligenbeelden en altaren mee naar Amsterdam, waar ze op de handelsbeurs werden vertoond. Amsterdamse calvinisten stormden op 23 augustus, waarna ook in andere Hollandse steden de beelden gebroken werden. Tot in oktober waren groepen beeldenstormers in de Nederlanden actief. Het initiatief ging bijna altijd uit van vastberaden calvinistische predikanten en kerkenraden. Zij wisten plunderingen over het algemeen te voorkomen, waardoor de beeldenstorm een opvallend georganiseerd karakter behield.

Doelbewuste vernieling

De beelden werden niet zomaar lukraak vernietigd. In Gent werden beelden ‘gemarteld’ door ze de ogen uit te steken, de gezichten van heiligenportretten te verminken, en de hoofden van beelden af te hakken, alsof het om een publieke executie ging. Het breken ging ook gepaard met spottende opmerkingen aan het adres van die ‘stomme beelden’. De spottende ‘marteling’ en ‘executie’ van heiligenbeelden was dan ook, zoals hierboven al duidelijk werd, een wraakactie tegen de kettervervolging. In Leiden vertoonden leden van een rederijkerskamer, een literaire vereniging, dat verband aan hun medeburgers. Een dag voor de Leidse beeldenstorm lieten ze een heiligenbeeld kopje duiken boven de Blauwe Steen terwijl ze riepen: ‘Daer salder noch meer comen’. De Blauwe Steen was de officiële executieplaats van Leiden.

Kleef-Gelre
Kop van een Christusfiguur

In een maand tijd werden zo honderden kerken in tientallen steden en dorpen geschonden en ontwijd. Honderden schitterende, onvervangbare kunstwerken en duizenden objecten van religieuze verering werden voor altijd vernietigd of gruwelijk verminkt. De calvinistische triomf die hierop volgde, zou door de snelle en gewelddadige reactie van de regering vooreerst van korte duur zijn. Maar intussen schokte het nieuws over de beeldenstorm de Nederlanden en heel katholiek Europa diep en werd onherstelbare schade toegebracht aan het culturele erfgoed van de schatrijke Nederlanden.

Bibliografische referenties

D. Freedberg, Iconoclasts and their motives. Maarssen, 1985.

H. Kaptein, De beeldenstorm. Hilversum, 2002.

G. Marnef, Antwerpen in de tijd van de Reformatie. Ondergronds protestantisme in een handelsmetropool 1550-1577. Amsterdam/Antwerpen, 1996.

C. Rooze-Stouthamer, Hervorming in Zeeland. Goes, 1996.

J. Scheerder, De beeldenstorm. Haarlem, 1978.

Heeft betrekking op:

Exodus 20:4, Deuteronomium 5:8