Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

De boekzaal van Europe

Vanaf de tweede helft van de 17e eeuw worden er in Nederland verschillende Frans- en Engelstalige geleerdentijdschriften uitgegeven, die de nieuwste wetenschappelijke inzichten aan het grote publiek bekend maken. Daarmee beantwoorden deze uitgaven aan het ideaal van de Verlichting: spreiding van kennis - ook als die op gespannen voet staat met de leer van de kerk. Het eerste Nederlandstalige geleerdentijdschrift is De boekzaal van Europe, in 1692 opgericht door Pieter Rabus. Tot aan zijn dood in 1701 schrijft Rabus het blad vol met uitvoerige besprekingen van wetenschappelijk werk. Op vrijmoedige wijze besteedt hij ook ruim aandacht aan omstreden, 'verlichte' publicaties. Maar ook allerhande onschuldige populair-wetenschappelijke onderwerpen komen aan bod. Daarnaast schrijft Rabus ook over literatuur, waarmee hij in feite een van de eerste recensenten van Nederland wordt.

In de negende jaargang van het tijdschrift, het nummer van mei-juni 1700, bespreekt Rabus een recente uitgave van dominee Van Toll: Uitlegginge van den Propheet Joël, waar in de kragt der Grondwoorden, Spreekwijzen, en Oudheden, grondig verklaart word. Dat is dan al de derde keer dat een studie van het bijbelboek Joël in De boekzaal behandeld wordt; ook in de jaargangen van 1697 en 1698 heeft de lezer erover kunnen lezen. Rabus geeft de 'Lief hebbers van Bibelzaken' aan hoe Van Toll met het werk van zijn voorgangers is omgegaan:

Hy gebruikte hen dan zoodanig, dat hy zig des niet behoeft te schamen. Hy ging regt door Zee, en wierp het anker ter plaatse, daar hy geloofde grond te vinden. Vryheid van oordeel is een onwaardeerlijk ding, al word ze van nijdige grimmerts begreenzen, en de ziele der wetenschappen. Binnen de palen van zedigheid moet en mag men zig zelven gelijke vryheid geven, als andere voorhenen namen.

Nu mag ik van Joël, dien wy dus voor de derdemaal verhandeld vinden, volgens de bevatting van den Heere van Toll, alleenlijk nog wat aanteekenen uit het verder berigt, dat hy zelf daar van geeft; en by het gene dat wy in de vorige uittreksels hoorden, van de Rupse, van den Sprinkhaan, van den Kever, van den Kruidworm, en van dat Volk, magtig, zonder getal, met Tanden als Leeuwe-tanden, en Baktanden van een ouden Leeuw, nog maar iets kortelijk aanhalen. Joëls leeftijd, hoe onzeker ze ook mag wezen, word hier gewisselijk voor de Babylonische gevangenis te boek gezet: en de kragtige spreekwijzen, die zig opdoen van den aanvang des eersten hoofdstuks tot het zeventiende vaars van het tweede, worden hier opgenomen voor uitdrukkingen van den zeer bedroefden staat van Kanaan, daar die viandelijke heirmagten, zoo der gemelde Sprinkhanen, als der Babyloniers, tegen Juda en Jeruzalem zouden optreken, en zoodanigen verwoesting in dezelve maken, dat het landen en luiden in de uiterste bangheid bragt. Dit zou geschied wezen voor, in, en geduurende, des Volks gevangenisse in Babel; want, naar 't oordeel van dezen onzen Verklaarder, hebben de Sprinkhanen, voor de komst der Chaldeen en Babyloniers, alles in 't land vernielt en bedorven: daar op quam vergens het Babylonisch krijgsvolk, als in haar plaats; der mate, dat die beesten in der daad een afgrijzelijke verwoesting over 't land bragten, maar teffens aangemerkt moeten werden, als voorloopers van de gewapende soldaten, die de grondvesten van der Joden staat nog heviger zouden doen waggelen en beven. Hy wil zeggen, dat Joël, in zijne Voorzeggingen van ellenden rampen en verwoestingen gewagende, op twee voorwerpen heeft gedoelt, op Sprinkhanen, en op Babyloniers; hoewel sommige woorden en manieren van spreken klaarder en kragtiger op het eene voorwerp, andere wederom duidelijker en nadrukkelijker op het andere, konnen werden toegepast.

Op deze manier geeft Rabus zijn lezers een beeld van de interpretatie die 'de geleerde Heer van Toll' van heel Joël biedt. Voordat hij zijn bespreking afsluit met een schets van de opzet van Van Tolls studie, noteert hij:

Dit algemeen voorberigt zoude ik uit de byzondere korte ontvouwing, die de Schrijver voor yder van de drie Hoofdstukken, tot groot gemak van den lezer, ontworpen heeft, merkelijk hebben konnen uittrekken, indien het mijn zinlijkheid was geweest deze goede waar, welke geen krans behoeft, breedelijk voor te doen; maar dewijl het mijn opzet was, in dit uittreksel niets of luttel van des Profeets, maar alleenlijk van zijns Verklaarders Schrijfwijze, en inzigt, te ontdekken; wat kan ik veiliger doen, dan nogmaal met hem zelf een woord te spreken van de rang en schikking, die hy in zijn werk heeft waargenomen?

Bibliografische referenties

Pieter Rabus, 'Uitlegginge van den Propheet Joël, waar in de kragt der Grondwoorden, Spreekwijzen, en Oudheden, grondig verklaart word. De letterlijke zin word bloot gelegt, de geestelijke en verborgene beteekenisse aangetoont, en door Aanmerkingen en Vertoogen, die tot de Kerkelijke Geschiedenisse behooren, opgeheldert, door Theodorus Van Toll, Predikant tot Woudenberg. Daar zijn bygevoegd twee Predikaatsien van den zelven Schrijver. t'Utrecht by Antoni Schouten 1700.' in: De boekzaal van Europe, Mey-Juny 1700, p. 465-473. [De volledige tekst is, mét een fotografische weergave van het origineel, te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

Joël 2:2, Joël 1:4-6