Overzicht bijbelboeken

Letteren > Bijbelvertalingen

De Deux-Aesbijbel van 1562

Matteüs 25:31-46

31 Ende als de Sone des menschen sal comen in zijn heerlicheyt, ende alle zijne heylige Engelen met hem, dan sal hy sitten op den throon zijner heerlickheyt. 32 Ende alle volcken zullen voor hem vergadert worden, ende hy salse van een ander scheiden, gelijc de herder de schapen van de bocken scheyt. 33 Ende de schapen sal hij te sijner rechter hant setten ende de bocken te zijner lincker hant. 34 Dan sal de Coninc seggen tot de gene die te zijner rechter hant zijn sullen: Comt ghij gesegenden mijns Vaders, besidt dat Conincrijcke dat u bereit is vanden beginne der werelt. 35 Want ick ben hongerich geweest ende ghy hebt my gespijst: Ick ben dorstich geweest ende ghy hebt my te drincken ghegheven: Ic was een vreemdelinck ende ghy hebt my gheherbercht: 36 Ick was naeckt ende ghy hebt my becleet: Ick ben cranck geweest ende ghy hebt my besocht: Ick ben gevangen geweest ende ghy zijt tot my gecomen. 37 Dan sullen hem de rechtveerdigen antwoorden ende seggen: Heere, wanneer hebben wy u hongerich gesien ende hebben u gespijst? ofte dorstich ende hebben u te drincken ghegeven? 38 Ende wanneer hebben wy u een vreemdelinck ghesien ende hebben u geherbercht? Oft naeckt ende hebben u becleet? 39 Of wanneer hebben wy u cranc of inde gevanckenisse gesien ende syn tot u gecomen? 40 Ende de Coninck sal antwoorden ende hen seggen: Voorwaer segge ic u lieden: So wat gy eenen van desen mijnen minsten broederen gedaen hebt, dat hebt ghy my gedaen. 41 Dan sal hy oock seggen tot de ghenen die ter slincker hant zijn sullen: Gaet wech van my ghy vervloekten, in dat eewige vuer, dat bereyt is den Duyvel ende zijnen Engelen. 42 Want ick ben hongerich geweest ende ghy en hebt my niet te eten gegeven: Ick ben dorstich geweest ende ghy en hebt my niet te drincken ghegheven: 43 Ic was een vreemdelinc ende ghy en hebt my niet geherbercht: Ick was naeckt ende ghy en hebt my niet becleet: Ick was cranck ende inde gevanckenisse ende ghy en hebt my niet besocht. 44 Dan sullen sy oock hem antwoorden ende seggen: Wanneer hebben wy u hongerich of dorstich of een vreemdelinc of naect of cranc of inde gevanckenisse gesien ende en hebben u niet gedient? 45 Dan sal hy haer antwoorden ende seggen: Voorwaer segge ick u lieden: Wat ghy eenen van desen minsten niet gedaen en hebt, dat en hebt ghy oock my niet gedaen. 46 Ende desen sullen gaen inde eewige pijne, ende de rechtveerdigen in dat eewige leven.

Hebt u enig idee hoe woorden als ‘beledigen’, ‘beraadslagen’ en ‘bondgenoot’Nieuwe woorden in de Deux-Aesbijbel in onze taal terecht zijn gekomen? Die zijn afkomstig uit de Deux-Aesbijbel die in 1562 in Emden verscheen. Het Oost-Friese Emden was een toevluchtsoord voor ongeveer 6000 vluchtelingen uit verschillende landen in West-Europa. In de tweede helft van de zestiende eeuw voerde de rooms-katholieke kerk de jacht op ketters verder op. Vele aanhangers van de Hervorming werd de grond in de Nederlanden te heet onder de voeten. Ze vluchtten naar Engeland en Duitsland. In Emden verschijnt bij Gillis van der Erven in 1562 de Deux-Aesbijbel, die als onmiddellijke voorganger van de StatenvertalingDe Statenvertaling van 1637 kan worden gezien.

De Deux-Aesbijbel (spreek uit: Deuzaasbijbel) wordt zo genoemd naar een kanttekening bij Nehemia 3:5. Daar luidt de bijbeltekst: “Hare geweldigen en brachten haren hals niet ten dienste harer heeren” ('de aanzienlijken van die stad deden niet mee met het werk van hun heer.') Die ‘geweldigen’ zijn de aanzienlijken in Jeruzalem die weigeren om bij te dragen aan de wederopbouw van de muren van Jeruzalem. In de bijbehorende kanttekening in de marge staat een aan Luther ontleende uitdrukking die verwijst naar het aantal ogen op een dobbelsteen:

De armen moeten het cruyce dragen, de rijcke en geven niets.
Deux aes heeft niet,
Six cinque en geeft niet.
Quater drij die helpen vrij.

Vrij vertaald: 'De armen (twee en een) hebben niets, de rijken (zes en vijf) geven niets, maar de middenstanders (vier en drie) geven gul'. Het gaat dus over de offervaardigheid van mensen - van arm, rijk en modaal, zouden wij zeggen. Het is opvallend dat deze kanttekening de tekst waar zij bij stond niet bepaald toelichtte.

De eerste vertalingen van het Oude Testament zijn allemaal schatplichtig aan de Luthervertaling. Er waren onvoldoende geleerden beschikbaar om zelfstandig een vertaling uit het Hebreeuws te bezorgen. De uitgevers die snel op de nieuw ontstane markt wilden inspelen, zochten dan vanzelfsprekend hun toevlucht tot Luther. De vertaling van Luther is doeltaalgericht, hij probeerde vooral de betekenis van de tekst te laten overkomen. Dat zijn vertaling soms sterk afweek van wat er precies in de Griekse en Hebreeuwse tekst stond, vond hij niet zo belangrijk. De bijbel van Luther bevatte een aantal kanttekeningenKanttekeningen uit de Deux-Aesbijbel die mogelijk zijn ontleend aan de volkse spreekwoorden en gezegden die Luther in zijn preken gebruikte om de hoorder te boeien en die het lezen van de voor velen nog onbekende bijbel te veraangenamen. Veel van die uitdrukkingen zijn ook in de Deux-Aes terecht gekomen.

De Deux-Aesbijbel is gemaakt door twee vertalers, die allebei hun eigen vertaalmethode volgden. De Vlaming Godfried van Wingen vertaalde het Oude Testament en volgde daarbij de Nederduitse bewerking van de Lutherbijbel op de voet. Het Nieuwe Testament werd vertaald door de calvinist Johannes Dyrkinus, eveneens een Zuiderling. De Calvijn-getrouwe gereformeerden wilden, zoals zij het uitdrukten, dat een bijbelvertaling 'getrouwelijk' was. De vertaling van het Nieuwe Testament door Johannes Dyrkinus is daardoor ook meer brontekstgetrouw. De gereformeerden voelden zich verplicht uit eerbied tegenover de grondtekst zo dicht mogelijk in hun vertaling daarbij aan te sluiten. Het gevolg was wel, dat hun tekst vaak minder toegankelijk aandeed. Want door de hebraïsmen en graecismen liep deze niet al te soepel. Toch wordt de vertaling van Dyrkinus geprezen om haar ‘zoetvloeiendheid’.

De eerste Deux-Aesbijbels zijn nog uit de tijd dat je vanwege het drukken of in bezit hebben van zo'n bijbel vervolgd kon worden. Pas na de verovering van Den Briel op 1 april in 1572 kon in een deel van het latere Nederland vrijelijk van de gereformeerde bijbel gebruik gemaakt worden. In 1571 kwam in Noord-Nederland de eerste Deux-Aesbijbel uit bij Canin in Dordrecht, in octavo-formaat (vergelijkbaar met het huidige A6-formaat, een A4 tweemaal dubbelgevouwen), opdat men de bijbel gemakkelijk mee kon nemen en verbergen. Achterin die bijbel staan de psalmen van Datheen. De status van martelarenbijbel is een van de oorzaken dat de Deux-Aesbijbel in ons land zo populair is geweest. Desondanks kwam er al spoedig verzet tegen de kanttekeningen, omdat men zich ergerde aan de platte taal. Daar hoort ook bovengenoemde kanttekening bij, omdat die verwijst naar het dobbelspel. Daarom kwam in 1581 een verbeterde gereformeerde bijbel uit te Leiden bij Jan Paets Jacobszoon en Jan Brouwerszoon. De kanttekeningen werden herzien in de geest van Calvijn.

Toen de Statenvertaling in 1637 werd ingevoerd was de Deux-Aesbijbel al ruim 75 jaren in gebruik als bijbel voor huis en kerk. De talrijke overgeleverde drukken zijn daarvan het tastbare bewijs.

Zie ook

  • Toon terzijde Nieuwe woorden in de Deux-Aesbijbel
  • Toon terzijde Kanttekeningen uit de Deux-Aesbijbel

Bibliografische referenties

Tekstgedeelte overgenomen uit een Deux-Aesbijbel gedrukt bij Canin in Dordrecht, exemplaar in privébezit.

C.C. de Bruin, De Statenbijbel en zijn voorgangers. Nederlandse bijbelvertalingen vanaf de Reformatie tot 1637. Haarlem, 1993 (2e dr.).

Vanaf eind september 2009 is de Deux-Aesbijbel ook digitaal beschikbaar op www.bijbelsdigitaal.nl.

Heeft betrekking op:

Matteüs 25:31-46, Nehemia 3:5