Overzicht bijbelboeken

Over > Interpretatie

De familie van Herodes

De familie van Herodes was een aristocratische familie, afkomstig uit Idumea. Zij waren in de tijd van de Hasmoneeën tot het jodendom bekeerd (ca 100 v.Chr.) en verwierven gaandeweg steeds meer macht in het gebied van Judea. Dit was een direct gevolg van hun goede verhoudingen met de Romeinen. Zij stonden altijd op gespannen voet met de Joodse bevolking. Zij waren niet van puur Joodse komaf en hadden in de ogen van het volk de macht geüsurpeerd door een einde te maken aan de ‘legitieme’ dynastie van de Hasmoneeën. Verder was hun interesse voor de Hellenistische en de Romeinse cultuur, die onder andere tot uiting kwam in diverse bouwprojecten, de Joden een doorn in het oog.

Antipater (ca 100 to 43 v.Chr.)

Antipater, de vader van Herodes de Grote, kan gezien worden als de stichter van de dynastie. Hij is de vertrouweling van de Hyrcanus II, de laatste heerser uit de dynastie van de Hasmoneeën. Antipater ondersteunt de hogepriester in zijn strijd om de macht met zijn broer Aristobulus II. De Romeinen interveniëren in de persoon van Pompejus ten faveure van Hyrcanus en geven hem de macht in het gebied. Maar in werkelijkheid is Antipater degene die alle touwtjes in handen houdt. Hij is het die de banden met de Romeinen aanhaalt.

Als gevolg van de opeenvolgende burgeroorlogen in het Romeinse rijk, moet Antipater voortdurend schipperen met zijn loyaliteit. Achtereenvolgens moet hij Pompejus, Julius Caesar en de moordenaars van Caesar te vriend houden (zie ook Romeinse overheersingRomeinse overheersing (tot 6 n. C.)). Hij benoemt zijn twee zonen (waaronder Herodes de Grote) op gouverneursposten in Jeruzalem en Galilea. Antipater wordt in 43 voor Christus vermoord.

Herodes de Grote (73-4 v.Chr.)

Na Antipaters dood krijgt Herodes de Grote de macht in Judea. Eerst als nationale leider (‘etnarch’), later, na het korte bewind van Antigonus (40-37 v.Chr.) Romeinse overheersing (tot 6 n. C.) als ‘koning’.

Het eerste dat Herodes doet als de Romeinen hem in 37 voor Christus als vazalkoning installeren, is het consolideren van zijn positie door politieke tegenstanders uit de weg te ruimen. Hij betoont zich een goede vriend van de Romeinen door trouw belasting af te dragen en Marcus Antonius te overladen met geschenken. Net als zijn vader moet ook Herodes de Grote op zijn tenen lopen om de in rap tempo opeenvolgende generaals te vriend te houden. Maar liefst twee keer moet hij met gevaar voor eigen leven bij een Romeinse veldheer op audiëntie om zijn loyaliteit te betuigen. Eerst bij Marcus Antonius, later bij Octavianus (zie ook Romeinse overheersingRomeinse overheersing (tot 6 n. C.)).

Rond 25 voor Christus is Herodes op het hoogtepunt van zijn macht. Het sanhedrin heeft hij volledig onder controle en de hogepriester kan hij benoemen en ontslaan wanneer hij dat wil. Hij stimuleert de lokale economie door grootse bouwprojecten op te zetten. Het meest ambitieuze project is het herbouwen van de tempel. Hij onderhoudt zijn goede relatie met Octavianus, die onder de naam Augustus de eerste Romeinse keizer geworden is. Zijn zonen stuurt hij zelfs naar Rome om daar onderwezen te worden. Toch let hij erop dat hij niet op de tenen trapt van de Joodse orthodoxie. Zijn munten dragen geen portret en er werden geen sculpturen van mensen en dieren gemaakt op de bouwprojecten (beide dingen werden gezien als een overtreding van het tweede gebod). Ook probeert hij de Farizeeën,Farizeeën en Sadduceeën die grote steun hadden onder de gewone bevolking, niet al te zeer te provoceren.

De laatste jaren van Herodes’ regering worden gekenmerkt door terreur. Er ontstaat onenigheid over de opvolging (Herodes heeft maar liefst tien vrouwen gehad, waarbij hij een groot aantal troonpretendenten had verwekt). Er valt een groot aantal doden en Herodes laat zelfs zijn eigen vrouw executeren. De kindermoord te Betlehem, een verhaal dat overigens alleen bekend is uit het evangelie van Matteüs (Mat. 2:1-18), misstaat deze laatste jaren van zijn regering niet.

Herodes de Grote was al een tijd ziek en in 4 voor Christus overlijdt hij na een lang ziekbed. Na zijn dood wordt zijn rijk verdeeld onder drie van zijn zonen.

Herodes Archelaüs (geboren 23 v.Chr. Afgezet en verbannen 6 n.Chr.)

De oudste van de drie wordt de nieuwe nationale leider (‘etnarch’) en krijgt de belangrijkste gebieden: Judea, Samaria en Idumea (Mat. 2:22). Hij betoont zich van aanvang aan bijzonder despotisch en voert een schrikbewind. Dit leidt ertoe dat in 6 na Christus een gezantschap van mensen uit zowel Judea als Samaria naar Rome gestuurd wordt. Keizer Augustus wordt verzocht een einde te maken aan de situatie. Het gezantschap vindt een gewillig oor en de tiran wordt naar Gallië verbannen. Uiteindelijk, na een bloedig neergeslagen opstand onder leiding van ene Judas de Galileeër (Hand. 5:37) organiseert Quirinius, de gouverneur van Syrië, het grondgebied van Archelaüs als een Romeinse provincie, met een Romeinse prefect aan het hoofd.

Herodes Filippus (20 v.Chr. tot 34 n.Chr.)

De tweede zoon, Herodes Filippus, wordt ‘tetrarch’ van de gebieden in het noordoostelijke deel van zijn vaders rijk (Lucas 3:1). De bevolking van zijn rijk is voor het grootste deel nomadisch en van Syrische of Arabische komaf. De joden in zijn rijk vormen een minderheid. Filippus gedraagt zichzelf als een sjeik en trekt voortdurend met een kleine entourage zijn kleine rijkje door. Zijn regering wordt door Flavius Josephus positief gewaardeerd als rustig en gematigd. In 34 na Christus sterft hij. In het jaar 37 worden zijn gebieden toebedeeld aan zijn oomzegger, Herodes Agrippa I.

Herodes Antipas (21 v.Chr. Afgezet en verbannen 38 n.Chr.)

Dit is de Herodes van het Nieuwe Testament. Hij wordt de ‘tetrarch’ van Perea en van Galilea, respectievelijk het thuisland van Johannes de Doper en van Jezus. Van de drie broers lijkt zijn manier van regeren nog het meest op die van zijn vader. Ook Antipas zet grootse (Hellenistische) bouwprojecten op en onderhoudt nauwe banden met de Romeinen. Ook probeert hij, net als zijn vader, met zijn Grieks-Romeinse interesses de orthodoxe Joodse bevolking niet te zeer voor de voeten te stoten.

In het jaar 17 begint hij met de bouw van zijn nieuwe hoofdstad Tiberias, in Hellenistische stijl. Hij jaagt zich daarbij de woede van het volk op de hals. Tijdens de bouw moet er namelijk een oude Joodse begraafplaats overhoop gehaald worden. Ook herbouwt hij de stad Sepphoris in Galilea, niet ver van Nazaret.

We komen Herodes Antipas in het Nieuwe Testament voor het eerst tegen in de verhalen over Johannes de Doper. Volgens de evangeliën wordt Johannes gevangengenomen nadat hij kritiek heeft geuit op het huwelijk van de tetrarch. Antipas was namelijk getrouwd met Herodias, nadat hij haar had overgehaald te scheiden van zijn halfbroer Herodes Filippus (Mat 14:4; Mar. 6:17-18). Johannes de Doper wordt uiteindelijk geëxecuteerd (Luc. 9:7-9). Flavius Josephus ziet een militaire nederlaag van Herodes Antipas (in 36 na Christus) als goddelijke straf voor Johannes’ terechtstelling. Volgens Lucas heeft Herodes Antipas een speciale rol gehad in het proces tegen Jezus (Luc. 23:6-16).

Herodes Antipas krijgt gedurende zijn regering te maken met een toenemende tegenstand vanuit de streng gelovige bevolking. Deze sociale onrust vindt zijn weerslag in sommige gelijkenissen van Jezus. In Lucas 13:32 noemt Jezus de tetrarch zelfs ‘vos’. Flavius Josephus vermeldt dat Johannes de Doper door Antipas geëxecuteerd is vanwege diens politieke invloed op de menigte.

In 37 na Christus, als in Rome keizer Caligula aan de macht gekomen is, wordt de tetrarchie van Herodes Filippus, vergezeld van de titel ‘koning’, toebedeeld aan Herodes Agrippa I. Dit brengt Herodias, de vrouw van Herodes Antipas op een idee. Zij spoort haar man aan de Romeinse keizer te vragen hem ook ‘koning’ te maken. Die gok komt Antipas duur te staan. Caligula zet hem af, verbant hem naar Gallië, en geeft zijn grondgebied aan ook Herodes Agrippa I (38 n.Chr.)

Herodes Agrippa I (10 v.Chr. tot 44 n.Chr.)

Herodes Agrippa I is een kleinzoon van Herodes de Grote. Hij is net als zovele leden van de familie opgegroeid in Rome en was de persoonlijke vriend van de latere keizer Caligula. Dezelfde Caligula verleent bij zijn troonsbestijging (37 n.Chr.) Herodes Agrippa I de titel ‘koning’ en brengt het grondgebied van Herodes Filippus onder zijn heerschappij. Later, in 38 na Christus, komt daar het gebied van Herodes Antipas nog bij. Ten slotte, bij de troonsbestijging van keizer Claudius in 41 na Christus, worden ook Judea en Samaria toegevoegd. Tot zijn dood in 44 na Christus heeft Herodes Agrippa I dus over een gebied geregeerd dat ongeveer even groot was als dat van zijn grootvader Herodes de Grote.

In tegenstelling tot het Nieuwe Testament geniet Herodes Agrippa I in de Rabbijnse literatuur een warme herinnering. En dat terwijl hij, net als de andere leden van de familie, nauwe banden met Rome onderhield en grootse Hellenistische bouwprojecten verordende. Ook liet hij zijn portret slaan op munten – een overtreding van het tweede gebod.

Misschien heeft deze postume waardering te maken met de gebeurtenissen onder keizer Caligula. Allereerst vindt er 38 na Christus, in Alexandrië, een van de ergste anti-Joodse pogroms plaats. Herodes Agrippa I is lid van het gezantschap dat naar aanleiding van die gebeurtenis naar de Romeinse keizer Caligula gestuurd wordt.

Een jaar later bereikt de Romeins-Joodse verhouding in Judea een nieuw dieptepunt. Keizer Caligula, die zichzelf een god waant, geeft namelijk orders zijn standbeeld in de tempel van Jeruzalem op te richten. Agrippa, samen met de gouverneur van Syrië, weet met slimme vertragingstactieken de daadwerkelijke inwijding van het afgodsbeeld keer op keer uit te stellen en slaagt erin op die manier een algehele volksopstand te voorkomen.

Herodes Agrippa I is zelf ook niet zonder grootheidswaanzin geweest. Hij laat zichzelf bijvoorbeeld bij leven al ‘de Grote’ noemen. Zijn megalomanie blijkt ook uit het verhaal van zijn dood (in 44 na Christus). Het boek Handelingen vertelt dat hij door een engel van de Heer geveld wordt en vervolgens, door wormen verteerd, de laatste adem uitblaast. Dit alles gebeurt nadat hij zichzelf heeft laten toejuichen met de woorden ‘hier spreekt een god, geen mens’ (Hand. 12:20-25). Herodes Agrippa I is ook de Herodes die in het boek Handelingen de apostel Jakobus laat ombrengen (Hand. 12:2) en Petrus gevangen laat zetten (12:3-19).

Herodes Agrippa II (27 tot 93 n.Chr.)

Na de dood van Herodes Agrippa I wordt zijn zoon, Herodes Agrippa II, niet uitgeroepen tot zijn opvolger. Judea wordt opnieuw een Romeinse provincie onder bevel van een gouverneur. De koninklijke loopbaan van Agrippa II begint in 49 na Christus, als hij een koninkrijkje in Libanon erft. Een paar jaar daarna, in 53, krijgt hij het bewind over de gebieden van Herodes Filippus en in 61 over delen van Galilea en Perea. De Romeinen vertrouwen hem ook het beheer van de tempel in Jeruzalem toe en hij krijgt het recht de hogepriester te benoemen. Ook hij probeert, net als zijn voorgangers, tegenover de Joodse bevolking de schone schijn op te houden terwijl hij zich gedraagt als een Hellenistische potentaat.

Tijdens de Joodse oorlog van 66-70 steunt hij de Romeinen en wordt daarvoor beloont met grote gebiedsuitbreidingen in het noorden van zijn vazalstaatje. Ten tijde van zijn dood in 93 worden zijn gebieden deel van de Romeinse provincie Syrië.

Herodes Agrippa II is de laatste telg uit het geslacht van Herodes die we tegenkomen in de bijbel en wel in het boek Handelingen: Paulus heeft een beroep gedaan op de Romeinse keizer, nadat de hogepriesters en de Joodse leiders een aanklacht tegen hem hebben ingediend. Als koning Herodes Agrippa II met zijn zus Bernice een beleefdheidsbezoek brengt aan de Romeinse gouverneur in Caesarea, maakt deze van de gelegenheid gebruik om Paulus’ zaak voor de aandacht van de koning te brengen. Herodes Agrippa II hoort het betoog van Paulus aan en laat zich uiteindelijk zelfs ontglippen: ‘Dadelijk krijg je me nog zover dat ik me voor christen uitgeef.’ De koning komt tot het oordeel dat Paulus niets gedaan heeft waar de doodstraf of gevangenschap op staat (Hand. 25:1-27).