Overzicht bijbelboeken

Cultuur > Zegswijzen

De hand/vinger van God

Beeld voor de macht van God.

De hand van God of de vinger van God zijn metaforen voor zijn macht. Soms wordt er Gods straffende macht mee aangeduid, een andere keer zijn macht om te redden en te beschermen.

Vinger Gods, wat zij gij groot is de titel die Anton Korteweg en Wilt Idema meegeven aan hun bloemlezing (1978) uit het werk van vijf 19e-eeuwse dominee-dichters. Hier lijkt de 'vinger Gods' positief opgevat te moeten worden; dit in tegenstelling tot het volgende voorbeeld: Slauerhoff begint zijn gedicht 'Fernando de Noronha' - de naam van een eilandje voor de Braziliaanse kust, dat gebruikt werd als een natuurlijke gevangenis; bijnaam: de vinger Gods - zo:

De vinger Gods - een steile, plompe rots
Staat op 't genaadloos strak azuur gericht.
De ballingen op deze bruine schots
Zijn ook gevangenen van zee en licht.

"Doen spraken die touenaers tot Pharao, dit is Gods vinger, mer Pharaos herte wert verstoct, ende en hoordese niet." (Liesveldt Bijbel, Exod. 8 E, 1526)

"Maar wij, wij zouden elkaar wel willen verscheuren als we niet met largactil onder de duim werden gehouden. En wie kan keren de hand des Heren?" (B. Weijde, Onder het ijs, 1994, p. 159)

Heeft betrekking op:

Exodus 8:15