Overzicht bijbelboeken

Letteren > Bijbelvertalingen

De joodse bijbelvertaling van Mulder van 1826

In de 17de eeuw woonden in Nederland twee verschillende groepen joden. De ene groep was afkomstig uit Spanje en Portugal: de sefardische joden. Hun voertaal was Spaans. De tweede, veel grotere groep kwam vooral uit Oost-Europa: de asjkenazische joden. Zij spraken Jiddisch, een mengtaal van Duits-Hebreeuws-Aramees. Ze hadden elk hun eigen joodse bijbelvertaling, in het Spaans en Jiddisch.

De integratie van de twee groepen joden in de Nederlandse samenleving verliep moeizaam. Een van de oorzaken was het feit dat Spaans en Jiddisch hun voertaal bleef. Het was vooral koning Lodewijk Napoleon (1806-1810) die er alles aan gedaan heeft de integratie van de joden te bevorderen. In een Koninklijk Besluit van 1809 heeft hij zelfs bepaald dat er een joodse bijbelvertaling moest komen uit het Hebreeuws in het Nederlands. Koning Willem I (1815-1830) zette zijn beleid voort.

In 1817 volgde een verordening dat op alle joodse godsdienstscholen het onderwijs in het Nederlands of Hebreeuws moest worden gegeven. Dat zou voor de Nederlandse joden het einde van het gebruik van Jiddisch en Spaans betekenen. Dit besluit riep frontaal verzet op van rabbijnen en leraren die zich met de vertaling zouden moeten gaan bezighouden. De opperrabbijn van Amsterdam, S. Berenstein (1767-1838) was de enige die tot medewerking bereid was.

Salomon Israƫl Mulder (1792-1862) kreeg de opdracht tot het maken van een vertaling van de Tora (de vijf boeken van Mozes). Hij was leraar aan het stedelijk gymnasium te Amsterdam. In 1824 verscheen een aankondiging van Mulder in het Hebreeuws en het Nederlands over zijn plannen voor de vertaling, die door opperrabbijn Berenstein als vertegenwoordiger van de kerkelijke autoriteiten werd gesteund en begeleid.

De eerste druk van de Tora met de haftarot (gedeelten uit de Profeten) verscheen in 1826. Er was ook een beroemd middeleeuws commentaar opgenomen. Naast de Nederlandse vertaling werd het Hebreeuwse origineel afgedrukt. Mulder hechtte daar zeer aan. De tweede druk (1838) en de derde druk (1842) verschenen zonder Hebreeuwse tekst en zonder commentaar. Mulder was daar niet blij mee, maar dat vond men nodig omdat het anders te duur zou worden. Aan de derde druk waren wel de sjabbatgebeden en liturgische gedichten (pioetiem) toegevoegd, wat als een verrijking werd beschouwd.

De vierde druk (1859) heeft weer een Hebreeuwse tekst, de toevoegingen van de derde druk en bovendien nog de vertaling van Ruth, Hooglied, Prediker, Klaagliederen en Ester (de megilot of 5 feestrollen genoemd). Bij deze vierde druk schreef Mulder een uitvoerig voorwoord. Hierin betoogde hij dat het verstandig is bij het vertalen de gulden middenweg te bewandelen tussen een heel strikte en een wat vrijere vertaling. Hij schreef verder waardering te hebben voor bestaande vertalingen zoals de Statenvertaling.De Statenvertaling van 1637 Omdat daarin geen rekening was gehouden met de joodse traditie, vond men ze ongeschikt voor joods onderwijs.

De betekenis van de toevoeging van de sjabbatgebeden, de haftarot, de pioetiem en de vijf feestrollen was niet gering. Eindelijk had de sjoelganger (synagogebezoeker) een vrij compleet sjoelboek. Met alleen een vertaling van de Tora schoot hij niet veel op. De dienst ging dan nog grotendeels aan hem voorbij. De grote populariteit van de vertaling van Mulder heeft alles te maken met de bruikbaarheid in de synagoge. Nu kon iedereen die het Hebreeuws niet beheerste, de dienst volgen in het Nederlands.

Daarnaast heeft Mulder nog heel wat vertalingen gemaakt voor het godsdienstonderwijs. Mulders prestaties op vertaalgebied worden indrukwekkend genoemd. Zijn werk wordt geroemd, omdat hij de joodse manier van uitleggen hanteert en de oorspronkelijke stijl goed weet te bewaren.

Bibliografische referenties

R.C. Musaph-Andriesse, 'De Joodse bijbelvertalingen', in: A.W.G. Jaakke en E.W. Tuinstra (red.), Om een verstaanbare bijbel. Haarlem/Brussel, 1990, p. 183-199.

Heeft betrekking op:

Wijsheid 1:1-5