Overzicht bijbelboeken

Over > Bijbelse wereld

De tien geboden door de bijbel heen

Geen andere goden dienen dan de HEER, niet stelen, niet moorden enzovoort. De ‘tien geboden’ zijn eenvoudige regels, die door iedere Israëliet te begrijpen zijn. God heeft ze, door bemiddeling van Mozes, aan het volk van Israël gegeven bij de Sinai, of de Horeb - er bestaan namelijk twee traditiesTradities over de tien geboden, met een aantal kleine verschillen. De eerste traditie is te vinden in Exodus 20 en de tweede in Deuteronomium 5.

In de rest van de bijbel worden de tien geboden nauwelijks letterlijk geciteerd. Maar dat wil niet zeggen dat ze van ondergeschikt belang zijn. De tien geboden staan centraal in het verhaal van de verlossing van Israël uit de slavernij in Egypte – de belangrijkste gebeurtenis in de geschiedenis van Israël.De uittocht uit Egypte Het exodusmotief in het Oude Testament Dat verlossingsverhaal krijgt zijn climax in het ‘verbond’ dat God met het volk Israël sluit - bijbelse taal voor de liefdevolle relatie tussen God en zijn volk. Die relatie is geïnitieerd en mogelijk gemaakt door God, toen hij Israël bevrijdde uit Egypte. Als antwoord vraagt hij nu van het volk dat zijn geboden onderhouden worden. De tien geboden vormen dus de basis van het verbond tussen God en Israël, nu en in de toekomst.

De tien geboden in het Oude Testament

Zoals gezegd worden de tien geboden niet vaak letterlijk geciteerd in de bijbel. De ‘geest’ van de tien geboden is echter vaak op de achtergrond te bespeuren. In het hele Oude Testament wordt gesproken over het onderhouden van Gods geboden – dat is immers de basis van het verbond, de voortgaande relatie van God met zijn volk. De profeten stellen daarom ook keer op keer de afgodendienst aan de kaak. Soms wordt er wel aan afzonderlijke geboden gerefereerd, zoals bijvoorbeeld in Jeremia 7:9, in Hosea 4:2 en in de Psalmen (50:16-20; 81:9-11).

De tien geboden in het Nieuwe Testament

Ook in het Nieuwe Testament komen de tien geboden voor. Af en toe worden ze expliciet genoemd, zoals bijvoorbeeld in het verhaal van de ‘rijke jongeling’ (Mat. 19:16-30; Mar. 10:17-22; Luc. 18:18-23). Soms worden ze ook opnieuw uitgelegd, zoals in de bergrede. In die beroemde toespraak plaatst Jezus een paar geboden in een ander, radicaler, daglicht. Volgens hem is het bijvoorbeeld niet genoeg om het gebod ‘Pleeg geen moord’ letterlijk na te leven – alleen al ‘tekeergaan’ tegen iemand of iemand uitschelden, zegt Jezus, is een overtreding van dat gebod (Mat. 5:21-22). Ook het gebod ‘Pleeg geen overspel’ is volgens Jezus breder dan daadwerkelijk vreemdgaan: ‘Iedereen die naar een vrouw kijkt en haar begeert, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd’ (Mat. 5:27-28).

In de brief aan de Efeziërs wordt gerefereerd aan het vijfde gebod (‘toon eerbied voor uw vader en uw moeder’): kinderen worden aangespoord om gehoorzaam te zijn aan hun ouders (Efez. 6:1-3). De schrijver trekt het vijfde gebod hier breder dan oorspronkelijk het geval was: in het Oude Testament zijn de tien geboden bedoeld voor de volwassen (mannelijke) Israëlieten. In Mat. 15:1-9 en Mar. 7:1-13 is die oude traditionele uitleg nog wel terug te vinden.

Paulus stelt in zijn brief aan de Romeinen de tien geboden ook aan de orde. De apostel betoogt daar: ‘Wie de ander liefheeft, heeft de gehele wet vervuld’. Dat komt volgens Paulus omdat het zesde tot het tiende gebod – en dan citeert hij Lev. 19:18 – samen te vatten zijn als ‘Heb uw naaste lief als uzelf’ (Rom. 13:8-10; zie ook Gal. 5:14). Jezus vat de tien geboden op eenzelfde manier samen (Mat. 22:35-40; Mar. 12:28-31).

Als laatste nieuwtestamentische bijbelboek is in dit verband nog de brief van Jakobus het vermelden waard. De auteur benadrukt de eenheid van de tien geboden en houdt de lezer voor dat die als geheel onderhouden moeten worden. Als je struikelt op één punt, zo schrijft hij, blijf je ten aanzien van alle geboden in gebreke: ‘Als u geen overspel pleegt maar wel een moord, overtreedt u toch de wet’ (Jak. 2:10-11).

Heeft betrekking op:

Matteüs 5:21-48, Romeinen 13:8-10, Jakobus 2:10-11, Exodus 20:1-17, Deuteronomium 5:6-21, Psalm 50:16, Jeremia 7:9