Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

De tien geboden in het Geuzenliedboek

Met de verzamelnaam 'Geuzenliederen' worden doorgaans anonieme liederen bedoeld die hun ontstaan danken aan de Tachtigjarige oorlog. Vorm en inhoud lopen zeer uiteen: historische vertellingen, opwekkingen tot verzet, politieke (anti-Spaanse) en religieuze (anti-Roomse) satire, maar ook zuiver religieuze liederen, klachten en vermaningen. Deze liederen werden in eerste plaats van mond op mond verspreid, maar al spoedig ook gedrukt op losse blaadjes ('vliegende bladen'), die door marskramers werden uitgevent. Er moeten vrij snel verzamelbundeltjes van zijn gedrukt; het oudst bekende is Een nieu Geusen Lieden Boecxken uit 1576-1577.

Als een van de eerste liederen in dit Geuzenliedboek is een vers opgenomen waarin de tien geboden worden gebruikt voor een satire op de Roomse kerk. Aan het woord is niet de hemelse maar de aardse God, namelijk de paus in Rome. Zijn tien geboden zijn op bijna alle punten het tegendeel van het origineel. Zo is het tweede gebod verworden tot: 'Maak een hoop beelden, van goud, zilver en steen. Bewijs hun eer en aanbid niet God alleen.'
In vierde gebod zijn de talloze Roomse heiligendagen (vierdagen) het mikpunt. 'Zes dagen is te veel om te werken,' zo wordt spottend opgemerkt.
In het tiende gebod wordt de aflaat over de hekel gehaald: 'Hebt u zich schuldig gemaakt aan het begeren van uws naasten huis, vrouw of goed? Breng geld, ik zal u vergeven, want geld maakt alle misdaden goed.'

De Tien Geboden des Aardsen Gods.
 
Heft op u hoofd, steekt op u ooren,
Gij volk willig ende bereid
Om de stemme des Paus te horen,
En als te doen dat hij u seit.
 
Ik ben (spreekt hij) u Aardsen Vader,
Gods Stadhouder met volre macht:
Weest mij gedienstig allegader,
Geen ander neven mij en acht.
 
Maken doet u Beelden met hoopen,
Van Goud, Zilver ende van Steen:
Bewijst haar eer, wilt bevaart lopen,
Wilt niet aanbidden God alleen.
 
Wilt mijnen naam in weerden houwen,
Oft anders naakt u vier (= vuur) en zweert,
Al vloekt gij Gods naam zonder flauwen,
'T is een klein zaak, geen straffens weert.
 
Zes dagen is te veel om werken:
Aldus heb ik Vierdagen gemaakt,
Om mij te doen eer in mijn Kerken:
Want al mijn volk daar meest na haakt.
 
Vader en Moeder wilt verzaken,
Om in mijn Religie (= klooster) te gaan:
Tot groot gemak zuldi geraken,
Met Wijf noch Kinder zijn belaân.
 
Zo gij Doodslag en Hoererijen,
Valsheid en Dieverij bedrijft;
Zucht niet, van als kan ik u vrijen,
Mits datter van u veeren blijft (= goed voor betaalt).
 
Hebt gij vervordert te begeren
Uws naasten Huis, Wijf, ofte Goet
Brengt geld, ik zal u absolveren
Want geld alle misdaden boet.
 
O Mense ziet hoe goedertieren
Mijn Wet is, ende onzorgelijk:
Zo wie hem daar na wil regieren,
Zal zalig zijn, gelijk als ik.
 

Bibliografische referenties

Martine de Bruin, 'Bevroren boekjes: een geuzenliedboek van 1577-78 en andere vondsten', in: Veelderhande liedekens. Studies over het Nederlandse lied tot 1600. Leuven, 1997, p. 74-102.

Het Geuzenliedboek is online beschikbaar in de dbnl.

Heeft betrekking op:

Exodus 20:1-17, Deuteronomium 5:6-21