Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

De tien geboden in het kort

De 17e-eeuwse uitgever en drukker Dirck Pietersz. Pers publiceerde naast vertalingen en historische teksten ook verschillende embleem- en liedbundels. In een van die bundels staat dit kleine gedichtje, gewijd aan de tien geboden:

De Tien Geboden in ’t kort

Eert eenen God alleen: bruyckt noyt zijn naem lichtvaerdig.
Den Sabbath heylich viert; u Ouders dient eerwaerdigh.
Dood, Echte-breeckt, steelt, noch wilt geen valsch getuygnis sweeren.
Uws naesten Wijf noch goed, sult gy, noch ’t zijn’, begeeren.

Pers staat met dit gedichtje waarschijnlijk aan het begin van een traditie om de tien geboden in het kort weer te geven. Hij gebruikt vier regels om de geboden samen te vatten. Latere dichters hebben soms aan twee regels al genoeg. Zo dicht Constantijn Huygens:

Gods thien Geboden

Bidt God alleen, Geen Beeld, Spaert Gods naem, Viert sijn’ rust,
Eert Ouders, Moordt, noch Boelt, noch Steelt, noch Lieght, noch Lust.

Deze dichter was van 1625 tot aan zijn dood in dienst van drie Prinsen van Oranje. Veel van zijn godsdienstige gedichten, waaronder ook dit kleine gedicht, zijn te vinden in Korenbloemen, Nederlandsche gedichten (1672).

Van Katharina Lescailje zijn twee gedichtjes bekend over de tien geboden:

De goddelyke wet

Geloof in éénen God. Wil in zyn Naam niet zweeren,
En vier den Sabbatdag. Wil steeds uwe Ouders eeren.
Steel nimmer. Smet met kwaâ Getuigen nooit ’t gemoed.
Begeer geen anders Vrouw, noch min een’s anders goed.

Anders, noch korter

Bid God alleen, geen beeld. Spaar Gods naam. Vier zyn rust.
Eer ouders. Moord, boeleer, noch steel, noch lieg: schuw lust.

Met dit laatste gedicht schijnt zij geheel aan te sluiten bij de al eerder genoemde traditie. Daarbij valt de overeenkomst op met Gods thien Geboden van Huygens. Voor Lescailje stond waarschijnlijk het uiten van religieuze gevoelens niet op de eerste plaats. Zij wilde zich vooral als vrouw meten met de andere, voornamelijk mannelijke, dichters. In het oeuvre van Lescailje neemt de religieuze poëzie niet zo’n grote plaats in. Ze publiceerde vooral gelegenheidsgedichten en uit het Frans vertaalde toneelstukken.

Op geheel andere wijze dan de hierboven genoemde dichters heeft Hieronymus Sweerts de tien geboden kort in een gedicht verwerkt. Voor hem geen dichterlijke competitiedrang om deze woorden zo kort mogelijk weer te geven. Deze dichter gebruikt de geboden om duidelijk te maken hoe groot zijn schuld is tegenover God. Sweerts, boekverkoper en drukker te Amsterdam, publiceerde de bundel Innerlycke ziel-tochten op ’t H. Avontmaal en andere voorvallende gelegentheden; nevens eenige stichtelycke zede-zangen (1683). Hij onderwerpt zich in het gedicht Innerlycke ziel-tochten op Nieuwe-jaars-dag aan een ernstig onderzoek. Daarbij vraagt hij zich af hoe hij heeft geleefd, want God roept hem ter verantwoording. In regel 45 spreekt hij zijn ziel toe:

Gy daar-en-tegen zijt die vriendelijke Godt
Onheilig afgegaan, en hebt sijn eer ontdragen;
De goutklomp noemde gy uw God en welbehagen,
En hebt des Heeren naam gantsch ydelijk bespot.

De dag van rust was u maar tot gelag en lust;
En hebt toen knecht en maagt uw dienstwerk nog geheten [bevolen]:
De dagen uw’s beroeps hebt gy zeer traag versleten:
Uw’ ouders slecht ge-eert, en steeds heur ziel ontrust.

Gy hebt uw vriendt gedoodt, of doodelik benijdt.
Met geylheit, dievery, en valsch getuyg’nis-spreken,
Met telkens uw begeert’ tot ’s naesten goet t’ontsteken,
Hebt gy dit jaar verquist, en meest uw levens-tijdt.

Maar deze woorden vormen niet het einde van het gedicht: de dichter weet ook van Gods genade en laat het gedicht uitlopen op vergeving van de schuld.

Hy [Jezus] zeyt: Kom koop om niet [gratis]; ik ben de Heil-fonteyn.
Uw zonden, root als bloet, wassch’ik als witte wolle.
(vgl. Jes. 55:1 en 1:18)

Bibliografische referenties

Ton van Strien en Els Stronks, Het hart naar boven. Religieuze poëzie uit de zeventiende eeuw. Amsterdam: Ambo/AUP, 1999.

Heeft betrekking op:

Exodus 20:3-17, Deuteronomium 5:7-21