Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

De tien geboden in verhalen

In de 20e eeuw is men in Nederland minstens drie keer op het idee gekomen om een verhalenbundel uit te geven onder de titel De tien geboden. Elke keer hebben tien verschillende auteurs zich voor hun verhaal laten inspireren door één van de Tien Geboden.

De eerste bundel stamt uit de jaren dertig en is ontstaan in de kring van protestants-christelijke schrijvers. De geboden zijn literair verbeeld door Jan H. Eekhout, W.G. van de Hulst, D. Hogenbirk Jzn., H. de Bruin, Hendrika Kuyper-van Oordt, Rie van Rossum, H.J. Heynes, J.K. van Eerbeek, G. Sevensma-Themmen en C. Rijnsdorp. Bovendien zijn alle geboden geïllustreerd met een tekening van Roeland Koning.

In 1993 presenteren tien jonge Nederlandse en Vlaamse schrijvers 'tien moderne, persoonlijke interpretaties van de bijbelse wetten, en de consequenties van het overtreden ervan. (...) Soms profaan, maar altijd integer, schrijven zij opmerkelijke verhalen over de morele dilemma's van deze tijd.' [flaptekst] Het gaat om Bas Heijne, Dirk van Weelden, Tom Lanoye, Leon de Winter, Henk Pröpper, Willem Melchior, Joost Zwagerman, Kristien Hemmerechts, Wanda Reisel en Martin Bril.

Vier jaar later komt een andere uitgever met een nieuw tiental, met de aanbeveling: 'Voilà: de tien geboden gegoten in eigentijds en eigenzinnig proza.' Ditmaal zijn verhalen verzameld van Ronald Ohlsen, Cees van Hoore, Cola Debrot, Maarten 't Hart, Annafiet Jonker, Bart Koene, Marijke Höweler, F. L. Bastet, Kester Freriks en Hafid Bouazza.

Om een indruk te geven van de verschillende mogelijkheden die verschillende schrijvers hebben benut bij de interpretatie van de geboden, bespreken wij hieronder de verhalen bij het tiende gebod ('Gij zult niet begeren uws naasten huis ...') in deze drie bundels. Dat zijn achtereenvolgens de verhalen
Noch iets .... van Cornelis Rijnsdorp,
Groeten uit de lucht van Martin Bril en
De muskus en de modder van Hafid Bouazza.

 
Cornelis Rijnsdorp - Noch iets ....

Rijnsdorp vertelt het verhaal van Siliakus, die al 25 jaar organist is van de Nederduitsch-Hervormde Gemeente in Geestdorp. Er worden allerlei plannen ontwikkeld om het dorp aan te sluiten op de moderne tijd. Siliakus lijkt niet in de gaten te hebben wat er allemaal gaande is, doordat hij in zijn eigen kleine wereldje leeft. Hij beseft ook niet dat zijn getalenteerde oud-leerling Willem Doree hem van zijn organistenplaats probeert te dringen. Als de oude dorpspredikant Wijkhuis hem dit voorhoudt, wordt hij woedend:

"Dat is làster .... dat .... dat lieg-je! .... dat-dat ...."
- Wat?" roept dominee Wijkhuis, "schaam je je niet, dat lieg-je te zeggen tegen mij? .... 't Is verschrikkelijk! .... tegen een Dienaar des Woords, die niemand in een halve eeuw hier op een opzettelijke leugen heeft kunnen betrappen .... een man van mijn jaren, 't is verschrikkelijk! .... Voort, ik wil niet meer met je spreken! Schaam je je niet? Pak je weg, kerel ...."

Maar dominee had toch gelijk. Inderdaad weet Doree zijn oude meester te verdringen. Siliakus wordt voor enkele maanden opgenomen in een 'inrichting voor zenuwzieke patiënten'. De predikant verzorgt de moraal van het verhaal:

Op een Zondagavond, als het tiende gebod aan de orde is, komt ds. Wijkhuis los over het begeeren, de afgunst, die hij, naar het gebod, allereerst concreet wil zien. Hij preekt, zooals het hem slechts enkele malen is gegeven. Niets wordt uitgesloten. Achter de uitbreiding 'noch iets, dat Uws naasten is', weerlichten schrikkelijke protuberansen. Veertig jaren arbeid staan op in dit woord. Heeft hij het gepijp van de dood vernomen, is dit het eindoordeel? De gemeente durft niet ademen. Ook de kinderen luisteren geschrokken; een kleine jongen kijkt bang naar de bazuinende engel op het orgel. Sommigen denken aan zichzelf, de meesten aan elkander; niet weinigen vermoeden een aanval op de burgemeester, of op Doree. Daarboven is elk woord te verstaan.
Bij de tusschenzang, Psalm 130 vers 1 en 2, zet de organist [Doree] een origineel opgezet en meesterlijk volgehouden 'de profundis' in.

Aan het eind van het verhaal wordt alles toch nog ten goede gekeerd. Siliakus weet bewonderenswaardig boven zichzelf uit te stijgen, maar soms 'verzetten zich plotseling zijn diepste instincten tegen de grimmige humor Gods, die zich in deze loop der dingen manifesteert.'

Martin Bril - Groeten uit de lucht

Mijn moeder zegt: 'Jij hebt alles wat je hartje begeert.' Ik hoor het haar nóg zeggen, terwijl ik hier op het vliegveld van Chicago zit te wachten op mijn vlucht naar Frankfurt.
'Niet waar,' zeg ik terug en ik mok.
Dat kan haar niets schelen, ze gaat gewoon door met strijken. Het is zomer, buiten schijnt de zon. Op het formuis staat een pan rabarber te pruttelen.
'Wat wil je dan?' vraagt mijn moeder zonder op te kijken van de overhemden die ze onder handen heeft. Ze heeft een mooie, heldere stem, mijn moeder, nog steeds. Ze kan prachtig zingen, alleen heeft ze moeite de woorden te onthouden.
Ik zeg niets. Dat irriteert haar.
'Nou? Wat wil je dan?'
Ik denk na.
'Dat weet ik niet,' mompel ik.
'Kijk eens aan. Als je niet weet wat je wilt, heb je alles.'
Daar zit iets in, en ik word op slag ongelukkig, want er is zoveel wat ik wil, maar ik durf er niet over te beginnen.

Zo begint het verhaal van Martin Bril. Anton, de ik-figuur, is in de verleden tijd van het verhaal een jongen van 14 vol puber-verlangens: een Puch, een pick-up, verkering, blote meisjes. En vooral: de radio van zijn buurjongen. 'Ik haat hem, omdat ik geen radio heb. Daarom moeten we vrienden worden. Maar hoe? Ik weet het niet, want ik mag hem niet.'

In het verhaalheden is Anton de geheime minnaar van een getrouwde concertpianiste. Hij volgt haar als ze op tournee is en deelt menig hotelbed met haar. Maar hij wordt verteerd door jaloezie op haar man, omdat die haar leven deelt, 'het leven dat ik begeerde'. Op een nacht 'vroeg ze wat ik wilde. Ze stond naast het bed. Ik zei dat ik alles wilde. Haar. Haar leven. Ze lachte meewarig, gleed uit haar kimono en schoof naast me in bed, haar gezicht van me afgewend en vroeg of ik het licht uit wilde doen.'

Anton de puber wordt beschuldigd van diefstal van de radio van zijn buurjongen. Zijn vader, die dominee is, onderhoudt hem daarover:

Zijn stem dreunt, hij is de Man van God die waarschuwt voor hel en vagevuur, hij loopt rood aan en wist het zweet van zijn voorhoofd: 'Gij zult niet begeren uw's naasten huis, gij zult niet begeren uw's naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is.' Voor de zekerheid herhaalt hij dat: 'noch iets dat van uw naaste is! Radio's bijvoorbeeld.' En hij dreunt zijn vuist op het bureau en kijkt me vlammend aan.
'Begrijp je dat, Anton?' Speeksel vliegt in de rondte.
Ik knik, want ik ben bang voor de Man van God. En het is een lange regel, ik had liever een ander gebod gehad. Gij zult niet stelen, bijvoorbeeld. Ook toepasselijker, maar het kan mij niet schelen. Hij bedoelt er iets mee, met zijn straf. Hij probeert me in mijn ziel te raken, denk ik. Of iets te leren. Nou, hij doet maar. Ik blijf knikken dat ik het begrijp tot hij bedaart en weer achter zijn bureau is gaan zitten.
'Ik moet niet iets willen wat ik niet heb,' leg ik hem dan vlug zijn tiende gebod uit.

In het verhaalheden zet de concertpianiste een punt achter haar dubbelleven. Anton is nu op weg naar huis.

Zelfs nu ik niets heb (...), geen leven meer om van te dromen, niets om te willen, zelfs nu in de lucht, halverwege Chicago en Frankfurt ben ik gelukkig, al weet ik niet waarom. Ik begeer wat ik wil, hoe vreselijk ook. Dat zal het zijn. 'Wees tevreden met uw lot,' hoor ik mijn moeder zingen, een van de schaarse regels die ze woord voor woord galmend laat klinken.

Hafid Bouazza - De muskus en de modder

Bouazza vertelt een totaal ander verhaal, in hallucinerend poëtisch proza. Zijn hoofdpersoon geeft zich dagelijks, tegen betaling, over aan vleselijke genietingen met de weelderige Maryam en haar beide dochters. Als hij door zijn geld heen is, wordt hij verwezen naar de bedelaars, die hun troost vinden in opium. Dat bestaan eindigt voor hem in gewelddadigheden. In een roes van opium en pijn komt hij in een hamam (Turks bad) - of is het de 'eeuwige gelukzaligheid'?

Daar, tussen hopen fruit, piramiden van appels en peren, slingers van druiven en de opulentie van voluptueuze meloenen en pompoenen, bloemen en ruikers en kruiden, wachtten mij meer dienstbereide vrouwen: vloeiende heuplijnen, de twee kuiltjes boven de niet alle volmaakt gevormde billen - maar wat deed dat ertoe? Wat deed het verschil in kwaliteit ertoe, als de kwantiteit zo duizelingwekkend was? De buikstriemen van jonge moeders, de rillende twisten tussen slappere rondingen en de zwaartekracht, af en toe een scharlaken naad tussen de onbekommerd geopende dijen, areolen als ondergaande zonnen, de geprononceerde stuit en enkel, de spataderen, de ogen inktvegen in het karig licht, de duizeling en de dood, de zwoelte en de zwijmel, de muskus en de modder - o opium, opium!

In zijn opiumvisioen wordt hij naar een hemelbed gebracht, waarop Maryam in haar volle naaktheid op hem wacht. Maar na afloop slaat de gelukzaligheid van zijn mannelijke begeerte om in huiver:

Achter haar stond een vrouw al op haar beurt te wachten en mijn ontzetting bemerkte dat in het midden van de hammaam, in het dampend bassin, de sliert vrouwen niet ophield en dat de laatste in de rij mijn hulpeloze kreet niet eens kon horen.
 

Bibliografische referenties

De tien geboden. 's-Gravenhage: Daamen, z.j.

P. J. Risseeuw, Christelijke Schrijvers van dezen tijd. Kampen: Kok, 1930

De tien geboden. Nieuwe verhalen. Amsterdam: Prometheus, 1993

De tien geboden. Verhalen. Utrecht: Kwadraat, 1997

Heeft betrekking op:

Exodus 20:17, Deuteronomium 5:21