Overzicht bijbelboeken

Over > Interpretatie

De uittocht uit Egypte

Wat voor de meeste verhalen uit de vroegste geschiedenis van Israël geldt, geldt ook voor de uittocht (in het Grieks exodos) uit Egypte en de gebeurtenissen daaromtrent: de tekst in de bijbel is het enige historische bewijs dat we hebben. Voor de exodus is dat wat geschreven staat in het gelijknamige bijbelboek en een passage in het boek Numeri (33:3-15). De bekende Egyptische inscripties zijn stil over Mozes, Israëlitische slaven, de tien plagen en de uittocht.

Het zal daarom geen verrassing zijn dat de datering van de uittocht omstreden is. In de bijbel wordt de farao die het volk van Israël weigert te laten vertrekken niet bij naam genoemd. Daarom hebben de bijbelgeleerden voor deze figuur een groot aantal ‘kandidaten’ naar voren geschoven, variërend van koningin Hatsjepsoet (1477 v. C.) tot farao Merneptah (1212-1202 v. C.). Als gevolg daarvan is ook de datering van de uittocht ongewis.

De meeste geleerden identificeren de farao van het boek Exodus echter als de beroemde Ramses II (1290-1224 v. C.), om een aantal redenen. Allereerst zijn daar Pitom en Raämses, de voorraadsteden die de Israëlieten volgens Ex. 1:11-15 voor de farao moesten bouwen. Uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bouw van deze steden waarschijnlijk onder farao Seti I is begonnen. Na diens dood (1290 v. C.) werd het werk onder zijn zoon Ramses II voortgezet. Op deze troonopvolging wordt misschien gedoeld in Ex. 2:23 (‘Jaren gingen voorbij, en de koning van Egypte stierf. Maar de Israëlieten gingen nog altijd onder dwangarbeid gebukt.’). Dit betekent dat de uittocht uit Egypte circa 1260 gedateerd zou kunnen worden.

Langs een andere zijweg komen we op een ongeveer gelijke datering: het terugrekenen vanaf de intocht in Kanaän (beschreven in het bijbelboek Jozua). Volgens archeologisch onderzoek vond de eerste vestiging van Israëlieten in Palestina zo rond 1200 voor Christus plaats. Er is ook nog een inscriptie van farao Merneptah (1212-1202 v. C.)Bijbelse geschiedenis in inscripties die een succesvolle veldtocht tegen de Israëlieten in Palestina vermeldt. Als we terugrekenen, met inachtneming van de veertig jaar in de woestijn (Ex. 16:35; Num. 14:20-23), komen we andermaal op een datering in de tweede helft van de dertiende eeuw voor Christus.

Heeft betrekking op:

Exodus 1:11-15, Exodus 2:23, Exodus 12:37, Numeri 33:3-15, Numeri 1:1, Numeri 9:1